top of page

Deze Box 3-wending klinkt gunstig, totdat je de rekening voor 2026 ziet

In het kort:


  • De coalitie wil het omstreden Box 3-plan voor 2028 parkeren.

  • Voor 2026 verandert niets: beleggers worden voorlopig belast op maximaal 6% fictief rendement.

  • Bij €250.000 aan beleggingen kan de Box 3-belasting voor een alleenstaande circa €4.118 bedragen.


Het Box 3-plan voor belasting over werkelijk rendement lijkt zijn politieke steun te verliezen. De coalitie wil het huidige wetsvoorstel parkeren en werken aan een alternatief waarbij koerswinst mogelijk pas bij verkoop wordt belast. Voor beleggers klinkt dat als goed nieuws, omdat de omstreden belasting op ongerealiseerde koerswinsten daarmee mogelijk verdwijnt.


Toch is het te vroeg om van een belastingverlaging te spreken. Zolang geen nieuw stelsel is aangenomen, blijft de bestaande Box 3-belasting van kracht. Voor een alleenstaande met €250.000 volledig belegd vermogen kan die heffing in 2026 nog altijd oplopen tot ongeveer €4.118. In het artikel kun je zelf met het model berekenen wat de Box 3-plannen voor jouw beleggingen kunnen betekenen.


Box 3-plan belandt opnieuw in politieke onzekerheid:




Wat er werkelijk is besloten

De Tweede Kamer nam de Wet werkelijk rendement Box 3 op 12 februari 2026 aan. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel echter nog niet goedgekeurd. Na het debat van 30 juni werd de stemming aangehouden.


Volgens recente berichtgeving wil de coalitie de wet nu parkeren en een nieuw systeem ontwerpen. Dat is politiek belangrijk, maar formeel is de wet nog niet ingetrokken. Ook is nog niet bekend welke vorm het alternatief krijgt, wanneer het kan worden ingevoerd en hoe het financiële gat wordt gedicht.


Het oorspronkelijke plan moest op 1 januari 2028 ingaan. Voor aandelen, ETF’s en veel andere beleggingen zou jaarlijks 36% belasting worden geheven over dividend, rente en waardeveranderingen. Ook koerswinst die nog niet was gerealiseerd, zou daardoor belast kunnen worden.


De eerste €1.800 aan werkelijk rendement zou zijn vrijgesteld. Verliezen boven een drempel van €500 konden naar toekomstige jaren worden meegenomen. Voor vastgoed en aandelen in startende ondernemingen gold een afwijkende regeling waarbij waardestijging pas bij verkoop werd belast.


Box 3-belasting in 2026 blijft staan

In 2026 rekent de Belastingdienst voor overige bezittingen, waaronder aandelen en ETF’s, voorlopig met een fictief rendement van 6,00%. Voor spaargeld geldt 1,28% en voor schulden 2,70%. Over het berekende rendement wordt 36% belasting geheven.


Het heffingsvrije vermogen bedraagt €59.357 voor een alleenstaande en €118.714 voor fiscale partners. Deze percentages zijn voorlopig en kunnen later worden aangepast.


Beleggers hebben daarnaast een tegenbewijsregeling. Wanneer het werkelijke rendement lager is dan het fictieve rendement, kan de lagere uitkomst worden gebruikt. Bij dat werkelijke rendement telt de Belastingdienst echter het volledige vermogen mee, zonder heffingsvrij vermogen. Dividend, rente en zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardeveranderingen behoren tot het rendement.


Het huidige systeem heeft daardoor een opmerkelijke asymmetrie. In een slecht beursjaar kan tegenbewijs de belasting verlagen, terwijl in een uitzonderlijk goed jaar de forfaitaire berekening in beginsel als plafond fungeert.


Wat €250.000 aan beleggingen kan kosten

Neem een alleenstaande belegger met op 1 januari 2026 precies €250.000 aan aandelen en ETF’s. Er zijn in dit illustratieve voorbeeld geen schulden, geen fiscale partner en geen andere Box 3-bezittingen.


Na aftrek van €59.357 heffingsvrij vermogen blijft €190.643 over. Bij een fictief rendement van 6,00% ontstaat een belastbaar rendement van afgerond €11.439. Daarover bedraagt de heffing van 36% ongeveer €4.118.


Bij een werkelijk rendement van 4% verdient deze belegger €10.000. Omdat bij tegenbewijs geen heffingsvrij vermogen geldt, zou de heffing op werkelijk rendement circa €3.600 bedragen. De Belastingdienst gebruikt dan de gunstigere werkelijke uitkomst in plaats van de forfaitaire €4.118.


Onder het nu geparkeerde wetsvoorstel zou bij hetzelfde rendement eerst €1.800 zijn vrijgesteld. Over de resterende €8.200 zou 36% belasting volgen, oftewel €2.952. Bij een gematigd rendement was het nieuwe plan in dit voorbeeld dus juist voordeliger.


Bij 8% rendement verandert het beeld. De belegger behaalt dan €20.000 rendement. Onder het wetsvoorstel zou na de vrijstelling een heffing van €6.552 ontstaan. In het huidige stelsel blijft de forfaitaire belasting in dit vereenvoudigde voorbeeld beperkt tot ongeveer €4.118.


Het omslagpunt ligt rond een rendement van 5,3%. Daarboven wordt het huidige forfaitaire plafond in dit specifieke voorbeeld aantrekkelijker dan het geparkeerde voorstel. Daaronder was het heffingsvrije resultaat van €1.800 juist gunstiger. De precieze uitkomst hangt af van de vermogensmix, transacties, dividend, spaargeld, schulden, een eventuele fiscale partner en veranderingen gedurende het jaar.



Uitstel beschermt sterke beursjaren

De weerstand tegen belasting op ongerealiseerde koerswinst is begrijpelijk. Een belegger kan belasting moeten betalen over een koersstijging zonder aandelen te hebben verkocht en zonder liquide opbrengst te hebben ontvangen. Bij geconcentreerde portefeuilles, vastgoed en illiquide beleggingen kan dat een serieus kasstroomprobleem veroorzaken.


Toch laat de berekening zien dat het parkeren van de wet niet voor iedere belegger automatisch gunstig is. Het huidige systeem beschermt vooral beleggers in sterke beursjaren, omdat de forfaitaire berekening de heffing kan begrenzen. Beleggers met gematigde rendementen zouden onder het voorgestelde stelsel juist hebben geprofiteerd van het heffingsvrije resultaat.


Een zuivere vermogenswinstbelasting kan het liquiditeitsprobleem oplossen door koerswinst pas bij verkoop te belasten. Daar staat tegenover dat beleggers belasting langdurig kunnen uitstellen, waardoor de opbrengsten voor de overheid later binnenkomen. Het ministerie van Financiën schatte eerder dat het niet invoeren van de geplande wet vanaf 2028 ongeveer €2,4 miljard per jaar kan kosten.


Dat bedrag verdwijnt niet door het voorstel te parkeren. Het kan uiteindelijk terugkomen via een hoger tarief, een kleinere vrijstelling, andere belastingmaatregelen of bezuinigingen. Voor particuliere beleggers is daarom niet alleen de keuze tussen vermogensaanwas en vermogenswinst belangrijk, maar ook de manier waarop de overgang wordt gefinancierd.


Prinsjesdag wordt het volgende beslismoment

Op Prinsjesdag, 15 september 2026, worden de fiscale plannen voor 2027 gepubliceerd. Dan moet duidelijker worden of de coalitie het bestaande wetsvoorstel daadwerkelijk intrekt, aanpast of alleen tijdelijk aanhoudt. Ook kan meer bekend worden over de beoogde invoeringsdatum van een alternatief.


Beleggers kunnen vooral letten op vier elementen: het moment waarop koerswinst belast wordt, de behandeling van verliezen, de hoogte van de vrijstelling en het Box 3-tarief. Zonder die details is nog niet vast te stellen wie werkelijk profiteert van het parkeren van de wet.


Voor 2026 verandert voorlopig niets. Het blijft daarom belangrijk om jaaropgaven, dividendgegevens, aankoop- en verkoopinformatie en de waarde van beleggingen goed te bewaren. Deze uitleg is illustratief en vormt geen persoonlijk fiscaal of financieel advies.


Dit artikel is geen beleggingsadvies. Beleggen brengt risico's met zich mee; je kunt (een deel van) je inleg verliezen.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 141:19:09

Net binnen..

Meld je aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief!

Bedankt voor het abonneren!

Copyright © 2026 •

Alle rechten voorbehouden - Amsterdam - 0619930051

Disclaimer
Let op: Beleggen brengt risico's met zich mee. Je kan (een deel van) je inleg verliezen. Niets hier mag worden beschouwd als financieel advies.. Voor advies over je persoonlijke situatie kun je het beste een adviseur inschakelen.

  • Instagram
  • Twitter
  • LinkedIn
  • YouTube
bottom of page