$31,6 biljoen staat klaar voor AI, maar de grootste winnaar is misschien niet NVIDIA
- J. van den Poll
- 11 uur geleden
- 4 minuten om te lezen
In het kort:
PwC verwacht dat wereldwijd tot 2050 ongeveer $31,6 biljoen naar datacenters kan vloeien, met in een sterk AI-scenario zelfs bijna $50 biljoen.
Het grootste deel van het geld gaat niet naar gebouwen, maar naar chips, servers en andere apparatuur die iedere vier tot zes jaar vervangen moet worden.
Voor beleggers lijkt vooral de terugkerende vervangingscyclus interessant, omdat daardoor niet alleen datacenterbouwers, maar ook chip-, netwerk- en energiebedrijven jarenlang kunnen profiteren.
De miljarden die technologiebedrijven nu in kunstmatige intelligentie steken, kunnen achteraf slechts het begin blijken te zijn. Volgens nieuw onderzoek van PwC kan er tussen 2026 en 2050 wereldwijd ongeveer $31,6 biljoen naar datacenters vloeien.
Als de adoptie van AI sneller verloopt dan verwacht, kan het investeringsbedrag zelfs oplopen tot bijna $50 biljoen. Daarmee zou de huidige AI golf uitgroeien tot een van de grootste infrastructuurcycli van deze eeuw.
PwC verwacht bovendien niet dat de investeringen na enkele sterke jaren weer verdwijnen. De jaarlijkse uitgaven kunnen juist blijven stijgen. In het centrale scenario loopt het bedrag op van ongeveer $800 miljard in 2026 naar $1,1 biljoen in 2030 en uiteindelijk ongeveer $1,8 biljoen per jaar in 2050.
Dat maakt deze ontwikkeling fundamenteel anders dan veel eerdere infrastructuurcycli.
AI datacenters staan voor een enorme investeringsgolf:

Een datacenter is nooit echt af
Bij een spoorlijn, fabriek of kantoor ligt het grootste deel van de investering aan het begin. Zodra het project klaar is, kan het jarenlang worden gebruikt zonder dat grote onderdelen voortdurend vervangen hoeven te worden.
Bij datacenters werkt dat anders. De gebouwen zelf kunnen tientallen jaren meegaan, maar de technologie binnenin heeft een veel kortere levensduur.
Servers, opslag, netwerkapparatuur en vooral AI chips moeten voortdurend worden vernieuwd. PwC rekent voor belangrijke apparatuur met een vervangingscyclus van ongeveer vier tot zes jaar.
Een datacenter dat twintig jaar actief blijft, kan daardoor meerdere complete generaties hardware nodig hebben. Dat verandert de economische logica achter de AI boom aanzienlijk.
Volgens PwC bestaat in 2026 ongeveer 70 procent van alle datacenterinvesteringen uit ICT apparatuur. Tegen 2050 kan dat oplopen tot ongeveer 93 procent.
Nog opvallender is de verhouding tussen vastgoed en technologie. PwC berekent dat iedere dollar die in de fysieke bouw van een datacenter wordt geïnvesteerd uiteindelijk ongeveer twaalf dollar aan toekomstige investeringen in apparatuur kan uitlokken.
Voor beleggers is dat misschien wel het belangrijkste cijfer uit het hele onderzoek.
De Verenigde Staten trekken bijna de helft naar zich toe
De investeringsgolf wordt niet gelijkmatig over de wereld verdeeld. Vooral de Verenigde Staten lijken een buitengewoon groot deel van het geld naar zich toe te trekken.
PwC verwacht dat Noord en Zuid Amerika samen tot 2050 ongeveer $16,5 biljoen aan datacenterinvesteringen aantrekken. Alleen de Verenigde Staten zijn al goed voor circa $15,1 biljoen.
Dat komt neer op bijna 48 procent van het wereldwijde totaal.
De verklaring ligt voor de hand. De grootste cloudbedrijven, AI ontwikkelaars en veel belangrijke spelers in de chipindustrie zitten in de Verenigde Staten. Tegelijkertijd beschikt het land over enorme hoeveelheden kapitaal en technisch talent.
Daardoor ontstaat een zichzelf versterkend effect. Hoe groter het bestaande AI ecosysteem wordt, hoe aantrekkelijker het wordt om nieuwe capaciteit juist daar te bouwen.
Azië Pacific volgt met ongeveer $8,2 biljoen aan verwachte investeringen. Vooral China en India kunnen op langere termijn een veel groter deel van de wereldwijde vraag naar rekenkracht voor hun rekening nemen.
Amerika trekt een buitenproportioneel groot deel van de AI investeringen aan:

Europa loopt tegen zijn eigen grenzen aan
Voor Europa ziet het beeld er minder indrukwekkend uit. PwC verwacht dat de regio tot 2050 ongeveer $5,6 biljoen aan investeringen aantrekt.
Dat is relatief weinig wanneer het wordt afgezet tegen de omvang van de Europese economie.
Volgens PwC spelen problemen met de beschikbaarheid van elektriciteit, trage vergunningverlening en versnipperde regelgeving een belangrijke rol. Europa heeft dus niet noodzakelijk een tekort aan vraag naar AI, maar vooral moeite om voldoende nieuwe capaciteit snel te bouwen.
Dat verschil is belangrijk.
De vraag naar rekenkracht kan sterk blijven stijgen, terwijl investeringen alsnog naar andere regio's verschuiven omdat daar sneller nieuwe datacenters aangesloten kunnen worden.
Europa beschikt wel over enkele voordelen. Strenge regels rond data en digitale soevereiniteit kunnen bedrijven en overheden dwingen om bepaalde workloads binnen Europa te laten draaien.
Ook de Scandinavische landen kunnen aantrekkelijker worden. Zij beschikken over relatief veel duurzame
elektriciteit en profiteren van een koel klimaat, waardoor datacenters minder energie kwijt zijn aan koeling.
Stroom kan uiteindelijk belangrijker worden dan chips
De grootste beperking voor de AI boom hoeft uiteindelijk niet de beschikbaarheid van geld te zijn. Elektriciteit kan een veel groter probleem vormen.
AI datacenters gebruiken enorme hoeveelheden stroom en moeten tegelijkertijd vrijwel continu beschikbaar zijn. Veel bestaande elektriciteitsnetten zijn niet gebouwd om zulke grote nieuwe verbruikers in korte tijd aan te sluiten.
Ook transformatoren, onderstations en andere cruciale onderdelen van het elektriciteitsnet kennen lange levertijden. Daardoor kan toegang tot stroom steeds vaker bepalen welke datacenters daadwerkelijk gebouwd worden.
Dat verbreedt de beleggingscase rond AI aanzienlijk.
De eerste fase van de AI rally draaide vooral om chipbedrijven. De volgende fase kan steeds meer kapitaal richting bedrijven sturen die stroomvoorziening, netwerkapparatuur, koeling en andere essentiële infrastructuur leveren.
Zonder die onderdelen kan zelfs de krachtigste AI chip nauwelijks waarde creëren.
De grote kans zit mogelijk niet in het gebouw
Het bedrag van $31,6 biljoen blijft uiteraard een langetermijnraming. Hoeveel daadwerkelijk wordt geïnvesteerd, hangt af van de adoptie van AI, economische groei, chipbeschikbaarheid en de snelheid waarmee elektriciteitsnetten worden uitgebreid.
Toch verandert het onderzoek van PwC de manier waarop beleggers naar de datacentermarkt kunnen kijken.
De markt richt zich nu vooral op hoeveel nieuwe datacenters bedrijven als Microsoft, Amazon en Meta bouwen. Op langere termijn kan de apparatuur binnen die gebouwen echter veel belangrijker worden.
Een gebouw wordt één keer neergezet. De technologie daarbinnen moet steeds opnieuw worden gekocht.
Daarmee verandert AI infrastructuur mogelijk van een tijdelijke investeringshausse in een terugkerende markt die tientallen jaren kan blijven groeien.
De grootste winnaars hoeven daarom niet automatisch de bedrijven te zijn die de meeste datacenters bezitten. Ondernemingen die iedere nieuwe generatie chips, servers, netwerkapparatuur, elektriciteitsvoorzieningen en koelsystemen opnieuw kunnen verkopen, zitten mogelijk op een aantrekkelijkere plek in de waardeketen.
Als PwC zelfs maar gedeeltelijk gelijk krijgt, staat de wereld niet voor één grote AI investeringsgolf. Dan staat zij voor een cyclus die zichzelf iedere paar jaar opnieuw begint.
Dit artikel is geen beleggingsadvies. Beleggen brengt risico's met zich mee; je kunt (een deel van) je inleg verliezen.







































































































































Opmerkingen