Welke aandelen profiteren écht nu defensie de Nederlandse economie stut?
- Rabi Safi
- 14 uur geleden
- 14 minuten om te lezen
De Nederlandse economie groeit dit jaar naar verwachting met 1,3%. Volgens een nieuwe raming van Rabobank komt meer dan de helft van die groei uit hogere overheidsuitgaven. Defensie speelt daarin een belangrijke rol.
Dat klinkt als een simpele conclusie: meer tanks, drones en marineschepen betekenen meer economische groei. Voor beleggers zou het vervolgens logisch lijken om Europese defensieaandelen te kopen.
Zo eenvoudig is het niet.
De kop van de media is scherper dan de onderliggende cijfers toelaten. Rabobank zegt namelijk niet dat defensie alléén meer dan de helft van de Nederlandse groei veroorzaakt. De bank telt defensie op bij snel stijgende zorguitgaven door vergrijzing en achterstallig onderhoud aan infrastructuur. Samen maken die overheidsuitgaven meer dan de helft van de geraamde groei uit.
Dat verschil is belangrijk. Het zegt niet alleen iets over journalistieke formulering, maar vooral over de kwaliteit van de Nederlandse groei.
De overheid en huishoudens houden de economie draaiende, terwijl bedrijfsinvesteringen nauwelijks groeien en woninginvesteringen opnieuw krimpen. De staat kan op korte termijn de vraag ondersteunen. Zij kan niet onbeperkt de rol van het bedrijfsleven overnemen zonder gevolgen voor belastingen, schuld, rente en de toch al krappe arbeidsmarkt.
Mijn conclusie is daarom tweeledig. De Europese defensiecyclus is reëel, meerjarig en operationeel zichtbaar in de orderboeken van bedrijven als Rheinmetall, Leonardo, Thales, Saab, BAE Systems, Hensoldt en Kongsberg.
Voor de Nederlandse economie is het beeld minder uitbundig. Een groot deel van het materieel wordt geïmporteerd, de Nederlandse beurs kent nauwelijks een zuivere defensiespeler en extra overheidsvraag kan private activiteit verdringen. De beste structurele kans voor Nederland ligt niet in het bouwen van een eigen tankindustrie, maar in dual-use technologie rond halfgeleiders, sensoren, drones, cyber en maritieme systemen.
In het kort
Rabobank verwacht 1,3% Nederlandse bbp-groei in 2026 en 1,1% in 2027; Meer dan de helft komt uit alle hogere overheidsuitgaven samen, niet uit defensie alleen; Overheidsinvesteringen stijgen naar verwachting 5,2%, terwijl bedrijfsinvesteringen slechts 0,8% groeien en woninginvesteringen 0,7% krimpen; Ruim 60% van de Nederlandse defensie-investeringen bestaat uit directe import. Dat percentage geldt niet voor het hele defensiebudget; In een krappe arbeidsmarkt kunnen extra defensiebanen vooral werknemers verplaatsen in plaats van nieuwe productiecapaciteit creëren; De EU verwacht in 2026 €454 miljard aan defensie-uitgaven en bijna €163 miljard aan defensie-investeringen; Leonardo, BAE Systems en Thales combineren op dit moment aantoonbare ordergroei met lagere winstwaarderingen dan Saab, Hensoldt en Kongsberg; De Nederlandse beurs heeft nauwelijks een operationeel Nederlandse defensieprime. Veel binnenlandse orders landen bij private bedrijven of Nederlandse dochters van buitenlandse concerns; Rabobank noemt tegelijk de AI-hausse als steun voor de Nederlandse chipindustrie. Defensie stut de binnenlandse vraag; AI en halfgeleiders ondersteunen de export.
Wat Rabobank werkelijk voorspelt
In het Economisch Kwartaalbericht van 3 september verwacht Rabobank dat het Nederlandse bbp in 2026 met 1,3% groeit. Voor 2027 voorziet de bank 1,1% groei.
Het groeicijfer oogt redelijk positief. De samenstelling is aanzienlijk minder sterk.
De bijbehorende Rabo-grafiek maakt de kop begrijpelijker, maar laat ook de noodzakelijke nuance zien. Afgerond op één decimaal ziet de bijdrage aan de groei in 2026 er als volgt uit:
De overheid levert dus inderdaad de grootste bijdrage. Uit deze grafiek valt alleen niet af te leiden welk deel van de 0,8 procentpunt uitsluitend door defensie komt.
Rabobank schrijft dat de overheidsuitgaven sinds 2022 relatief vier keer zo hard zijn gestegen als de private bestedingen. De redenen zijn breder dan defensie: ook vergrijzingskosten in de zorg en het inhalen van achterstallig infrastructuuronderhoud spelen mee.
De bestedingen van huishoudens zijn de tweede belangrijke pijler. Cao-lonen stijgen dit jaar naar verwachting met 4,2%, tegenover 2,8% inflatie. Daardoor neemt de koopkracht met ongeveer 0,9% toe en groeit de reële consumptie met 1,2%.
In 2027 draait een deel daarvan om. Rabobank voorziet dan 3,4% inflatie, belastingverhogingen en 0,6% koopkrachtverlies. De consumptiegroei zakt naar 0,6%, nauwelijks meer dan de bevolkingsgroei van ongeveer 0,5%.
De onderliggende economie wordt dus niet ieder jaar krachtiger. Zij leunt tijdelijk op een combinatie van overheidsvraag en looninkomen.
De mediakop trekt een bredere conclusie dan de bron toelaat
De belangrijkste correctie is eenvoudig: Rabobank zegt dat meer dan de helft van de groei uit stijgende overheidsuitgaven komt. De bank zegt niet hoeveel procentpunt uitsluitend door defensie wordt verklaard.
In dezelfde categorie zitten: de uitbreiding van Defensie; hogere zorgkosten door vergrijzing; de inzet van meer ambtenaren en militairen; achterstallig onderhoud aan wegen, bruggen en andere infrastructuur; overheidsinvesteringen in materieel en gebouwen.
Wie de hele positieve overheidsbijdrage aan defensie toeschrijft, maakt van een brede begrotingsimpuls een militaire groeimotor. Dat is niet wat de onderliggende raming bewijst.
Er is nog een tweede probleem. Een raming is geen gerealiseerde causaliteitsstudie.
Het CBS meldde voor het tweede kwartaal van 2026 een groei van 0,4% ten opzichte van het eerste kwartaal en 1,3% ten opzichte van een jaar eerder. Huishoudens en overheid droegen het meest bij, maar bij de overheid wees het CBS onder meer op zorg en lonen. Het CBS isoleerde geen afzonderlijke defensiebijdrage.
Zelfs de totaalgroei is onzeker. Het CPB raamt voor 2026 1,4% in plaats van 1,3% en veronderstelt dat de overheid door personeelstekorten, levertijden en trage besluitvorming €2,4 miljard minder uitgeeft dan begroot. Voor 2027 loopt die geraamde onderuitputting op tot €9,1 miljard. DNB zat in zijn juniraming juist op slechts 0,8% groei voor 2026. Zulke verschillen weerspiegelen andere peildata en aannames; het zijn ramingen, geen reeds gerealiseerde economische groei.
Rabobank voorspelt dus hoe de bestedingscategorieën zich waarschijnlijk ontwikkelen. Dat is iets anders dan bewijzen hoeveel groter het bbp door één extra euro defensie wordt.
Waarom een positieve bbp-bijdrage nog geen hoge multiplier is
De nationale rekeningen kunnen compact worden weergegeven als: Bbp = huishoudconsumptie + overheidsconsumptie + investeringen + voorraadvorming + export - import.
Wanneer de overheid een in Nederland gebouwd radarsysteem koopt, stijgen de overheidsinvesteringen en ontstaat binnenlandse toegevoegde waarde bij ingenieurs, fabrieken en toeleveranciers.
Wanneer Nederland een volledig in het buitenland gebouwd gevechtsvliegtuig koopt, stijgt de investeringspost eveneens. Tegelijk stijgt de import. Een groot deel van het inkomen, de winst en de technologische kennis ontstaat dan buiten Nederland.
Veiligheid kan in beide gevallen toenemen. De directe Nederlandse bbp-bijdrage verschilt sterk.
Dat verklaart ook waarom de nieuwe Rabobank-raming en een eerder kritisch oordeel van het Centraal Planbureau naast elkaar kunnen bestaan.
Rabobank maakt een groeidecompositie: welke bestedingscategorie levert in de raming een positieve bijdrage?
Het CPB stelt een andere vraag: hoeveel hoger ligt het totale bbp door extra defensie-uitgaven dan in een scenario zonder die uitgaven, nadat import en verdringing zijn meegerekend?
Stel dat de overheid €10 miljard extra besteedt. In de groeigrafiek verschijnt een grote positieve overheidsbalk. Wanneer €2 miljard rechtstreeks wegvloeit naar import en €8 miljard aan andere productie wordt verdrongen, kan de netto multiplier toch rond nul liggen.
Een positieve overheidsbijdrage in de boekhouding en een lage causale multiplier zijn dus geen tegenspraak.
Meer dan 60% import, maar alleen bij de investeringen
Het CPB berekende dat 61% van de Nederlandse defensie-investeringen rechtstreeks uit import bestaat. Bij intermediair verbruik ligt het importaandeel rond 29%.
Hier ontstaat gemakkelijk een tweede misverstand. De 61% geldt niet voor het hele defensiebudget. Personeelskosten, onderhoud en diensten vormen samen het grootste deel van de uitgaven. Defensie-investeringen waren historisch ongeveer 15% tot 20% van het totaal.
Het CBS heeft de defensie-uitgaven voor 2015 tot en met 2024 uitgesplitst om precies dit importlek te kunnen analyseren.
Het economische mechanisme is desondanks duidelijk. Nederland bezit geen grote binnenlandse productieketen voor gevechtsvliegtuigen, tanks en zware munitie. Wanneer snel materieel nodig is, gaat een aanzienlijk deel van de orders naar buitenlandse producenten.
Dat hoeft militair geen verkeerde keuze te zijn. Een bewezen buitenlands systeem kan goedkoper, sneller beschikbaar en beter interoperabel zijn. Het doel van defensie is veiligheid, niet het kunstmatig maximaliseren van het Nederlandse bbp.
Voor beleggers is het wel essentieel. Een Nederlands begrotingsmiljard kan eerder omzet worden voor Rheinmetall, Leonardo, Thales, Saab, BAE Systems of Amerikaanse defensiebedrijven dan voor een aandeel uit de AEX.
De arbeidsmarkt maakt de multiplier kleiner
Overheidsstimulering werkt het krachtigst wanneer fabrieken leegstaan en veel mensen werk zoeken. Nederland bevindt zich niet in die situatie.
In het tweede kwartaal waren er volgens het CBS ongeveer 95 vacatures per 100 werklozen. Defensie wil in 2026 volgens het UWV ongeveer 14.500 nieuwe militairen aantrekken. Veel functies liggen juist in techniek, ICT, zorg en logistiek, beroepen die ook bij civiele ondernemingen al moeilijk te vullen zijn.
Wanneer een ingenieur van een machinebouwer naar een defensieleverancier overstapt, groeit de defensieproductie. De totale Nederlandse productie hoeft niet evenveel te stijgen. Er verschuift arbeid van de ene werkgever naar de andere.
De effecten kunnen zijn: hogere lonen en productiekosten; langere levertijden bij civiele bedrijven; minder capaciteit voor woningbouw, energie-infrastructuur en digitalisering; hogere inflatie; minder particuliere investeringen.
Dat heet verdringing. Het is geen theoretische voetnoot, maar een belangrijke reden waarom het CPB de kortetermijneffecten voor Nederland laag inschat.
Er is wel onbenut potentieel. Meer opleidingen, automatisering, mensen buiten de arbeidsmarkt, deeltijders die extra uren willen werken en gerichte arbeidsmigratie kunnen het arbeidsaanbod vergroten. Reservisten vergroten de militaire schaalbaarheid, maar niet automatisch het totale arbeidsaanbod wanneer zij minder uren bij hun civiele werkgever werken.
Defensie is geen gratis groeimachine, maar ook geen gebroken raam
Een veelgehoorde kritiek is dat wapens economisch onproductief zijn. Ook dat is te simpel.
Bbp meet productie, niet veiligheid, vrijheid, netto vermogen of brede welvaart. Een raketafweersysteem levert na aanschaf geen verkoopbare consumentengoederen op, maar kan door afschrikking of bescherming tegelijk enorme economische schade voorkomen.
Defensie lijkt daarom meer op een verzekering dan op een klassieke fabriek. Een goede verzekering betaalt zich hopelijk nooit uit via een ramp. Dat maakt de premie niet waardeloos. Andersom betekent een hogere verzekeringspremie evenmin dat een huishouden productiever of rijker is geworden.
De juiste conclusie is: Een hoge bbp-bijdrage bewijst geen welvaartswinst. Een lage multiplier bewijst evenmin dat defensie-uitgaven onverstandig zijn. De hoofdreden is veiligheid; gericht beleid kan de economische spin-offs wel vergroten.
Van €26,8 miljard naar 3,5% van het bbp
De Nederlandse defensiebegroting voor 2026 bedraagt €26,8 miljard, €3,4 miljard meer dan een jaar eerder. Volgens het kabinet wordt ongeveer de helft daarvan geïnvesteerd in nieuw materieel, waaronder counter-dronesystemen.
Het kabinet wil het budget tijdens deze kabinetsperiode laten oplopen naar 2,8% van het bbp en in 2035 naar ten minste 3,5% voor kerndefensie.
Volgens De Nederlandsche Bank vergt dat tegen 2035 structureel ruim €19 miljard extra per jaar.
De nieuwe NAVO-norm wordt vaak samengevat als 5% van het bbp. De Haagse NAVO-verklaring bestaat echter uit twee delen:
minimaal 3,5% voor kerncapaciteiten en de afgesproken NAVO-doelen; maximaal 1,5% voor bredere veiligheid, waaronder kritieke infrastructuur, cyber, civiele weerbaarheid, innovatie en de defensie-industrie.
Niet alle 5% gaat dus naar tanks, munitie en salarissen. Maximaal 1,5% mag ook worden besteed aan bredere weerbaarheid en dual-use infrastructuur, zoals havens, spoor, energievoorziening en cyberbeveiliging.
Dat onderscheid bepaalt mede de economische multiplier.
De Europese ordergolf is wél reëel
Op Europees niveau zijn de bedragen groot genoeg om jarenlang effect te hebben.
Volgens de Raad van de Europese Unie stijgen de gezamenlijke defensie-uitgaven van de lidstaten van €418 miljard in 2025 naar een geraamde €454 miljard in 2026. Dat is 8,6% groei in één jaar en 75,3% meer dan in 2021.
De investeringen stijgen nog sneller:
In 2025 bestond meer dan 85% van de Europese defensie-investeringen uit materieelaankopen; voor 2026 wordt ongeveer 87% geraamd. Bij veel leveranciers verschuift het knelpunt daardoor van vraag naar uitvoering: productiecapaciteit, personeel, vergunningen, explosieven, staal, elektronica en toeleveringsketens.
De vaak genoemde €800 miljard uit het Europese Readiness 2030-plan is overigens geen pot met gratis Brussels geld. Het grootste deel bestaat uit extra nationale begrotingsruimte. SAFE omvat maximaal €150 miljard aan EU-leningen aan lidstaten. Die landen moeten het geld uiteindelijk terugbetalen.
Voor defensiebedrijven betekent dit langere zichtbaarheid. Voor lidstaten is SAFE echter een lening, geen subsidie; de begrotingsrekening verdwijnt dus niet.
Wie profiteert op de beurs?
De operationele versnelling is al zichtbaar. De volgende waarderingen zijn momentopnamen rond 2 september 2026 en gebruiken waar mogelijk de consensus voor boekjaar 2026. Backlogs zijn onderling niet volledig vergelijkbaar.
Bronnen voor de bedrijfscijfers: de officiële halfjaarpublicaties van Rheinmetall, Leonardo, Thales, BAE Systems, Saab, Hensoldt en Kongsberg. De koers-winstverhoudingen zijn MarketScreener-consensusmomentopnamen voor FY2026 per 2 september 2026. De winstdefinitie is niet bij elk bedrijf identiek; de vergelijking is daarom indicatief en geen bedrijfsprognose.
Rheinmetall blijft de duidelijkste Europese naam voor landmaterieel, munitie, luchtverdediging en militaire voertuigen. De omzet groeide in de eerste jaarhelft met 39% naar €5,23 miljard en de operationele marge steeg naar 15,0%. Het orderboek van €80,5 miljard is indrukwekkend.
De kwaliteit van dat orderboek vraagt nuance. Rheinmetall neemt ook verwachte afroepen uit raamcontracten mee. Bovendien verlaagde het bedrijf de jaaromzetverwachting na het stopzetten van het F126-fregattenprogramma. Een aangekondigd defensiebudget is nog geen onvoorwaardelijke omzet.
Een uitgebreide analyse van de cijfers, productiecapaciteit en waardering staat in mijn eerdere stuk over Rheinmetalls recordorders en koersdaling.
Leonardo oogt op de huidige cijfers evenwichtiger. De Italiaanse groep combineert defensie-elektronica, helikopters, ruimtevaart en cyber. De winst groeit sneller dan de omzet en de multiple ligt duidelijk onder die van Saab, Hensoldt en Kongsberg. Een deel van de backloggroei komt wel uit de overgenomen IDV-activiteiten.
BAE Systems biedt de breedste spreiding en een relatief bescheiden winstmultiple. De groei is minder spectaculair, maar het concern heeft exposure aan vliegtuigen, schepen, munitie, elektronica en Amerikaanse defensiebudgetten.
Thales is voor Nederland bijzonder relevant. Thales Nederland bouwt onder meer radar- en sensorcapaciteit uit. De groep combineert defensie met aerospace, cyber en digitale identiteit. Dat maakt het aandeel minder zuiver, maar ook minder afhankelijk van één wapencategorie.
Saab, Hensoldt en Kongsberg behoren naast Rheinmetall tot de snelste groeiers, maar dragen de hoogste winstwaarderingen. Die multiples veronderstellen dat ordergroei, capaciteitsuitbreiding en marges jarenlang vrijwel probleemloos doorlopen. Daar zit de grootste verwachtingslat.
Mijn relatieve voorkeur op basis van de huidige combinatie van groei en waardering ligt daarom bij Leonardo, BAE Systems en Thales. Rheinmetall laat binnen deze vergelijking momenteel de snelste omzet- en operationele winstgroei zien, maar is ook duurder gewaardeerd en staat voor omvangrijke capaciteitsinvesteringen. Saab, Hensoldt en Kongsberg zijn operationeel overtuigend en waarderingstechnisch het minst vergevingsgezind.
Wie de bredere sectorrotatie wil plaatsen, kan mijn analyse lezen over waarom defensie naast zorg en software opvalt binnen Europa.
Op de Nederlandse beurs staat nauwelijks een Nederlandse defensieprime
De Nederlandse defensie-industrie is groter dan de AEX doet vermoeden. De geraamde defensie- en veiligheidsgerelateerde omzet van de Nederlandse technologische industriële basis steeg volgens een Berenschot-onderzoek van €8,0 miljard in 2024 naar €10,2 miljard in 2025. Dat is een steekproeframing die ook publieke veiligheid en cyber omvat, niet uitsluitend militaire omzet.
Veel belangrijke bedrijven zijn alleen niet rechtstreeks beursgenoteerd: Damen is actief in marineschepen; VDL levert industriële systemen en onderdelen; KNDS N.V. is een nog niet beursgenoteerde Frans-Duitse defensiegroep met een Nederlandse holdingzetel; verschillende gespecialiseerde mkb-bedrijven leveren elektronica, composieten en precisieonderdelen.
Andere activiteiten zitten bij buitenlandse beursconcerns: Thales Nederland behoort tot het Franse Thales; Nedinsco is onderdeel van Hensoldt; GKN Fokker behoort tot het Britse Melrose Industries.
Onder Nederlandse noteringen bestaan wel indirecte aanknopingspunten. Aalberts heeft defensiegecertificeerde productielocaties en een meerjarig contract met Kongsberg Defence & Aerospace voor precisiecomponenten. De contractwaarde en het defensieaandeel in de omzet zijn niet gepubliceerd. Het blijft daarom een gediversifieerd industriebedrijf, geen defensie-pure-play.
KPN levert missiekritische 5G- en cyberdiensten aan de Nederlandse krijgsmacht. De defensieomzet bedroeg in 2025 ongeveer €100 miljoen, slechts circa 1,8% van de groepsomzet. Dat is echte exposure, maar te klein om de volledige beleggingsthese te bepalen.
Melrose biedt via GKN Aerospace en Fokker een duidelijkere industriële koppeling aan militaire motoren en de F-35. Ook daar blijft de civiele luchtvaart belangrijk.
TKH, Nedap, ASML en ASM International worden soms bij een breed defensienarratief getrokken. Zonder materiële defensieomzet of nieuwe contracten zijn het geen directe defensiebeleggingen.
CSG heeft inmiddels een Amsterdamse notering en zit sinds juni 2026 in de AMX. De operationeel vanuit Tsjechië geleide groep biedt wel directe exposure aan munitie en defensieproductie. Mijn eerdere analyse van de risico’s en waardering staat in dit stuk over het Amsterdamse defensieaandeel.
De beste Nederlandse kans ligt in dual-use technologie
DNB stelt dat Nederland geen goede uitgangspositie heeft voor pure militaire goederen zoals tanks en munitie. De centrale bank ziet concrete comparatieve sterke punten in halfgeleiders, specifieke microscopen en maritieme technologie.
Een bredere mogelijke lijst met Nederlandse dual-usekansen is: halfgeleiders en chipapparatuur; sensoren, radar en fotonica; drones en intelligente systemen; cyberbeveiliging en communicatie; quantum en slimme materialen; maritieme technologie; specifieke microscopen en precisie-instrumenten.
Hier kan defensievraag aansluiten op bestaande kennisclusters. Een sensor die voor een drone wordt ontwikkeld kan later toepassingen krijgen in industrie, landbouw, mobiliteit of gezondheidszorg. Een robuust communicatiesysteem kan ook civiele infrastructuur beveiligen.
Dat is de economische bullcase: niet alleen meer orders, maar ook kennis, intellectueel eigendom, productiecapaciteit en export.
De uitgangspositie is nog klein. Volgens SEO Economisch Onderzoek bedroegen de R&D-uitgaven binnen de investeringscategorie in 2023 1,3% van de totale defensiebegroting. SEO vergelijkt dit met de EDA-norm van 2% voor kennis en innovatie; de EDA noemt deze maatstaf formeel Defence Research & Technology. SEO concludeert dat personeel en materieel doorgaans een multiplier onder één hebben. Innovatie biedt de beste kans op een effect boven één, maar pas op langere termijn en zonder garantie.
De voorwaarden zijn daarom streng: meerjarige en voorspelbare orders; gezamenlijke Europese standaarden; voldoende schaal om dubbele nationale productielijnen te voorkomen; opleiding van extra technici in plaats van alleen hogere lonen bieden; open civiele toepassingen waar veiligheid dat toelaat; een toeleveringsketen die niet alleen de eindassemblage, maar ook meer onderdelen in Europa houdt.
Defensie en AI zijn twee verschillende investeringsgolven
Het interessantste detail in de Rabobank-raming staat bijna aan het einde. Terwijl hogere defensie-uitgaven de binnenlandse vraag ondersteunen, profiteert de Nederlandse chipindustrie van de wereldwijde AI-hausse. De export van chips en chipmachines helpt de zwakte in energie-intensieve sectoren zoals chemie en metaal compenseren.
Nederland draait daardoor op twee grote investeringsgolven.
De overeenkomst is dat beide cycli lange levertijden, enorme voorinvesteringen en schaarse ingenieurs kennen. Een aangekondigd budget of orderboek moet nog worden omgezet in productie, levering, omzet en kasstroom.
Het verschil is minstens zo belangrijk. De AI-cyclus wordt voor een groot deel gefinancierd door ondernemingen die een financieel rendement verwachten. Chips, datacenters en software moeten uiteindelijk extra omzet, lagere kosten of hogere productiviteit opleveren.
Defensie wordt gefinancierd door staten en levert in de eerste plaats collectieve veiligheid. Het rendement is grotendeels niet-commercieel en moeilijk in geld te meten.
Voor Nederland is de chipketen op dit moment een directere beursmotor. ASML, ASMI en Besi verkopen niet primair aan ministeries van Defensie, maar aan commerciële chipproducenten. Zij zijn daarom geen defensieaandelen. Hun technologie kan wel strategisch en dual-use zijn.
Dat onderscheid beschermt tegen narratief beleggen. Een bedrijf is niet automatisch een defensiewinnaar omdat zijn product in theorie in een radar of drone kan zitten. Net zoals een softwarebedrijf geen AI-winnaar wordt door een chatbot aan de website toe te voegen.
Wat hogere defensie-uitgaven kosten
Structurele uitgaven moeten uiteindelijk worden betaald met hogere belastingen, lagere uitgaven elders of meer schuld.
Meer schuld geeft op korte termijn de grootste vraagimpuls. De rekening verschijnt later via rentelasten en toekomstige belastingen. Rabobank becijferde afzonderlijk dat bijna €150 miljard aan Nederlandse staatsobligaties met een coupon onder 1% uiterlijk in 2032 vervalt. Herfinanciering tegen hogere rentes duwt de rentelasten geleidelijk omhoog.
Hogere belastingen beperken consumptie, arbeid of investeringen. Dat is in de raming voor 2027 al zichtbaar: de koopkracht daalt en de consumptiegroei halveert.
Bezuinigingen maken de economische uitkomst afhankelijk van wat wordt geschrapt. Snijden in inefficiënte uitgaven kan ruimte creëren. Minder onderwijs, civiele infrastructuur, woningbouw of R&D kan de potentiële groei juist verder verlagen.
Dat laatste is geen abstract alternatief. Arcadis profiteert bijvoorbeeld van structurele investeringen in water, energie en civiele infrastructuur. In mijn analyse van het Nederlandse recordorderboek bij infrastructuur is zichtbaar dat ook niet-militaire overheidsinvesteringen binnenlandse kennis, werkgelegenheid en export kunnen ondersteunen.
Dat is waarom “defensie betaalt zichzelf terug” een gevaarlijke aanname is. Bij een multiplier onder één ontstaat per bestede euro minder dan één euro extra bbp. De belastingopbrengst over dat extra bbp is nog maar een fractie daarvan.
Nederland begint met een relatief lage schuldquote, maar de combinatie van vergrijzing, rente en een structureel hoger defensiebudget verkleint de begrotingsruimte snel.
Voor aandelenbeleggers werkt dat ook via de discontovoet. Hogere lange rentes drukken vooral hoge waarderingen. Mijn achtergrondstuk over wat een stijgende tienjaarsrente voor aandelen betekent sluit daarop aan.
Waar beleggers nu op moeten letten
De defensiecyclus kan nog jaren groeien. Dat maakt niet ieder aandeel tegen iedere prijs aantrekkelijk.
Ik let op acht punten:
Dus...
De Nederlandse economie groeit dit jaar niet “vooral dankzij defensie” in de precieze betekenis die de krantenkop suggereert.
Zij groeit vooral dankzij de overheid en huishoudens. Defensie is een belangrijk en snelgroeiend deel van de overheidsvraag, naast zorg door vergrijzing en infrastructuur. Tegelijk stagneren de bedrijfsinvesteringen en krimpen de woninginvesteringen.
Dat is geen recessie. Het is ook geen overtuigende private investeringsboom. Voor de Europese defensie-industrie is de cyclus veel duidelijker. De budgetten stijgen, de orderboeken zijn recordhoog en fabrieken worden uitgebreid. Leonardo, BAE Systems en Thales bieden momenteel de beste combinatie van aantoonbare groei en een relatief draaglijke waardering. Rheinmetall laat in deze vergelijking de snelste actuele omzet- en operationele winstgroei zien, terwijl Saab, Hensoldt en Kongsberg het meeste operationele optimisme in de koers lijken te dragen.
Nederland kan op termijn meer van de defensiemiljarden in eigen en Europese toegevoegde waarde veranderen. Daarvoor zijn specialisatie, gezamenlijke inkoop, extra technisch personeel en structurele R&D nodig. Halfgeleiders, sensoren, cyber en maritieme systemen zijn logischer dan nationale autarkie in tanks en vliegtuigen.
De belangrijkste les gaat uiteindelijk verder dan defensie. Nederland kan in 2026 dankzij overheidsvraag groeien zonder dat dit automatisch wijst op sterkere productiviteitsgroei of een private investeringsboom. Defensie kan onze welvaart beschermen zonder haar op papier sterk te vergroten. Wie beide zinnen door elkaar haalt, verwart de teller van het bbp met het doel van economische politiek.







































































































































Opmerkingen