top of page

Veel import uit één land maakt Nederland nog niet afhankelijk

1 uur geleden
6 minuten om te lezen

In het kort

Veel import uit één land klinkt kwetsbaar, maar die conclusie is te snel. Het Centraal Planbureau laat zien dat in 2023 slechts 0,7 procent van de onderzochte bedrijf-productcombinaties langdurig afhankelijk was wanneer binnenlandse, Europese en mondiale alternatieven worden meegeteld. Bij 1.080 van de 27.780 importerende bedrijven kwam minstens één zo’n product voor. De Nederlandse economie is dus minder breed afhankelijk dan het ruwe concentratiecijfer suggereert, al kan een storing bij enkele centrale bedrijven nog altijd ver doorwerken.


Het verschil zit in de definitie. Een fabrikant die een onderdeel vooral uit China haalt, is geconcentreerd. Pas wanneer geen bruikbaar alternatief in Nederland, de Europese Unie of de wereldmarkt bestaat én dat probleem meerdere jaren aanhoudt, noemt het CPB de import afhankelijk. Dat is een strengere en economisch nuttigere maatstaf.


Daarmee verdwijnt het risico niet. Een leverancier op papier kan te weinig capaciteit hebben, niet aan de juiste specificaties voldoen of pas na maanden kunnen opschalen. Het onderzoek kijkt bovendien naar directe invoer, niet naar een Nederlandse leverancier die zelf van een kwetsbare buitenlandse input afhankelijk is.



Van concentratie naar echte afhankelijkheid

De onderzoeksbasis is breed: 3,98 miljoen waarnemingen over 2009 tot en met 2023, verdeeld over 4.692 geharmoniseerde productgroepen. Het CPB sluit handelsbedrijven uit en hanteert minimumgrenzen voor de invoerwaarde, zodat incidentele minizendingen het beeld niet domineren. Toch begint de uitkomst opvallend hoog. Van alle combinaties van een bedrijf en een ingevoerd product was 96,3 procent in 2023 sterk op één of enkele landen geconcentreerd.


Daarna valt het cijfer snel. Na uitsluiting van een mogelijk Nederlands substituut blijft 72,5 procent over. Als productie elders in de EU meetelt, resteert 32,5 procent. Wanneer er voldoende alternatieve exportcapaciteit op de wereldmarkt is, zakt het aandeel naar 3,0 procent. De eis dat de situatie in minstens drie van vijf jaren aanhoudt, brengt de uiteindelijke uitkomst op 0,7 procent.



Dat trechtereffect is de belangrijkste les. Geografische concentratie meet hoe een bedrijf vandaag inkoopt. Afhankelijkheid probeert te meten of het bedrijf bij een verstoring werkelijk klem zit. Die tweede vraag is relevanter voor beleid, maar ook moeilijker te beantwoorden omdat handelsdata niets zeggen over kwaliteitseisen, certificering, capaciteit en omschakeltijd.


Grotere bedrijven zijn vaker maar smaller blootgesteld

In 2023 had 3,9 procent van de importerende bedrijven minstens één afhankelijk product. Dat zijn 1.080 bedrijven. Grote ondernemingen komen relatief vaak in die groep voor: ongeveer 19 procent van de bedrijven met 2.000 of meer werkzame personen, tegenover 2,2 procent bij bedrijven met hooguit negen werkzame personen. Dat verschil is deels mechanisch. Afhankelijke bedrijven importeerden gemiddeld 47,2 verschillende producten, bedrijven zonder zo’n product 7,6. Wie meer productgroepen inkoopt, heeft ook meer kans dat er één problematisch is.


Bij grote bedrijven vormt de afhankelijke invoer doorgaans juist een kleiner deel van de totale import. Over alle afhankelijke bedrijven lag dat aandeel in 2023 gemiddeld op 18,8 procent. Kleine bedrijven hebben minder vaak een afhankelijk product, maar als zij er één hebben, is hun importmix doorgaans sterker blootgesteld. Zij beschikken ook minder gemakkelijk over een internationaal inkoopteam, extra voorraad of financiering voor een tweede leverancier.



Een navolgbaar rekenvoorbeeld maakt het verschil zichtbaar. Neem een bedrijf met jaarlijks 1 miljoen euro aan import en pas het gemiddelde aandeel van 18,8 procent toe. De bruto afhankelijke import is dan 188.000 euro per jaar, oftewel 15.667 euro per maand. Als 40 procent bij een storing snel kan worden vervangen, resteert netto 112.800 euro operationele blootstelling per jaar, of 9.400 euro per maand. Dit is geen winstverlies: het is het deel van de inkoopwaarde dat in deze vereenvoudiging na vervanging nog kwetsbaar blijft.


Op macroniveau is dezelfde nuance nog belangrijker. Bedrijven met minstens één afhankelijk product vertegenwoordigden 5,6 procent van de Nederlandse werkgelegenheid en 5,4 procent van de omzet in 2023. Wie die werkgelegenheid en omzet weegt met het aandeel afhankelijke import, komt bij beide op 0,2 procent. De ruime werkgelegenheidsmaatstaf is daarmee 28 keer zo groot als de gewogen blootstelling. Dat is geen raming van de economische schade, maar laat wel zien hoeveel de gekozen definitie uitmaakt.


Weerbaarheid heeft een prijs

Een tweede leverancier klinkt als gratis verzekering, maar is dat niet. Nieuwe leveranciers vragen zoektijd, controles, contracten, minimumvolumes en soms een hogere prijs. Het CPB verwijst naar onderzoek waarin Amerikaanse importeurs na handelsmaatregelen gemiddeld meer dan tien kwartalen nodig hadden om een nieuwe leverancier elders in Azië op te bouwen. Een alternatief in de statistiek kan dus te traag zijn voor een fabriek die morgen onderdelen mist.


Daar staat tegenover dat bedrijven zelf al een prikkel hebben om leveringsrisico te beperken. Ze kunnen spreiden, voorraad aanhouden, ontwerpen aanpassen of productie verplaatsen. Brede verplichtingen om iedere geconcentreerde relatie te diversifiëren leggen ook kosten op bij producten waarvoor de kans en schade klein zijn. In een door het CPB aangehaalde simulatie kost diversificatie van alle producten 2,5 keer zoveel als een gerichte aanpak, terwijl de extra baten veel kleiner zijn.


De sterkste tegenwerping is dat de huidige alternatieven kunnen verdwijnen. Rabobank onderzocht 356 productgroepen waarin de Chinese importconcurrentie tussen 2010 en 2024 toenam. Bij 70 daarvan kwam het grootste deel van die groei uit China. Als Europese producenten door langdurige prijsdruk stoppen, is er later minder uitwijkmogelijkheid. De CPB-meting is daarom een momentopname van beschikbare handel, geen garantie dat productiecapaciteit overeind blijft.


De omgekeerde vraag bepaalt de grens

De gebruikelijke vraag is hoeveel schade een leveringsstop veroorzaakt. Voor een investeringsbesluit is de omgekeerde vraag nuttiger: hoeveel mag een bedrijf jaarlijks extra betalen voor een tweede leverancier? Neem een jaarlijkse contributiemarge van 2 miljoen euro, tien dagen mogelijke stilstand en een tweede leverancier die de helft van de schade voorkomt. De break-evenpremie is 2.000.000 gedeeld door 365, maal tien dagen, maal 50 procent. Dat is 27.397 euro per jaar.



Betaalt het bedrijf minder dan dat bedrag, dan is de verzekering in dit rekenvoorbeeld rationeel. Kost de tweede leverancier meer, dan moet aanvullende schade het verschil dragen, bijvoorbeeld reputatieschade, contractboetes of verlies bij afnemers. Belastingen, voorraadeffecten en de kans dat de storing werkelijk optreedt zijn niet opgenomen. Zonder een kansinschatting is dit dus een bovengrens per veronderstelde verstoring, geen standaardpremie voor iedere inkoper.


Voor de overheid ligt de grens anders. Een bedrijf telt vooral zijn eigen marge en continuïteit. De samenleving telt ook nationale veiligheid en schade die via leveranciers en afnemers door de productieketen loopt. Het CPB vindt dat afhankelijke bedrijven gemiddeld centraler staan in het Nederlandse productienetwerk, zelfs na correcties voor omvang en sector. Dat is precies de reden om enkele gevallen strenger te behandelen dan hun private rekensom aangeeft.


Drie bedrijfspaden voor 2027 tot 2029

Een nationale voorspelling voor de komende drie jaar zou schijnprecisie zijn. De databasis eindigt in 2023 en afhankelijkheden veranderen met prijzen, geopolitiek en bedrijfskeuzes. Een bedrijfsmodel laat wel zien wat verschillende richtingen betekenen. Bij 1 miljoen euro vaste import per jaar start ieder pad in 2027 op 18,8 procent kwetsbare import, gelijk aan het gemiddelde bij afhankelijke bedrijven in 2023.


In het aanpassingspad daalt het aandeel naar 15 procent in 2028 en 12 procent in 2029. De kwetsbare import zakt dan van 188.000 naar 120.000 euro. In het basispad blijft het aandeel drie jaar op 18,8 procent. In het verslechteringspad stijgt het naar 25 en 30 procent, waardoor in 2029 300.000 euro kwetsbaar is. De formule is telkens totale import maal het gekozen aandeel; inflatie, groei en wisselkoersen blijven buiten beeld.



Deze paden zijn geen kansen en ook geen CPB-raming. Ze maken één keuze zichtbaar: wie geen alternatieven, voorraad of ontwerpwijziging organiseert, kan bij het wegvallen van leverancierscapaciteit een groter deel van de inkoop blootstellen. Wie wel aanpast, betaalt daar meestal eerder voor via hogere inkoop- of voorraadkosten.


Gericht beleid is sterker dan brede dwang

Mijn oordeel is dat het nieuwe onderzoek de roep om generieke importspreiding verzwakt. Het overgrote deel van de geconcentreerde invoer heeft een binnenlands, Europees of mondiaal alternatief, of blijkt niet langdurig afhankelijk. Brede subsidies of verplichtingen laten dan veel geld landen bij relaties die bedrijven zelf al rationeel hebben gekozen. Gerichte actie past beter bij producten die moeilijk vervangbaar zijn, strategisch belangrijk zijn en via centrale bedrijven grote keteneffecten kunnen veroorzaken.


Wie profiteert van die aanpak is niet alleen de importeur. Afnemers krijgen meer leveringszekerheid en de overheid vermijdt dat zij dure zekerheid koopt waar de markt al kan aanpassen. Wie betaalt, zijn vooral de bedrijven en uiteindelijk klanten bij de kleine groep waarvoor redundantie echt nodig is. De conclusie verandert als nieuwe microdata laten zien dat mondiale alternatieven bij een schok onvoldoende capaciteit hebben, indirecte afhankelijkheden veel groter zijn dan de directe meting of het aandeel van 0,7 procent duidelijk oploopt.


 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page