top of page

Recordaantal S&P 500-aandelen beweegt tegen de index in

47 minuten geleden
6 minuten om te lezen

In het kort:

  • Op 31 juli hadden volgens Evercore ISI 121 S&P 500-aandelen een negatieve bèta over zes maanden, het hoogste aantal in de dataset die teruggaat tot 1990.

  • Het signaal wijst vooral op een uitzonderlijk verdeelde beurs, waarin een relatief kleine groep grote AI-winnaars veel invloed heeft op de index terwijl andere aandelen door heel andere factoren worden gedreven.

  • Negatieve bèta is geen betrouwbare crashvoorspeller en maakt een aandeel niet automatisch tot een goede belegging of structurele bescherming tegen beursdalingen.


Onder de oppervlakte van de S&P 500 gebeurt iets uitzonderlijks. Op 31 juli hadden volgens Evercore ISI maar liefst 121 aandelen uit de index een negatieve bèta ten opzichte van de S&P 500, gemeten over een voortschrijdende periode van zes maanden.


Dat komt neer op ongeveer 24% van de index en was het hoogste aantal in Evercore's dataset, die teruggaat tot 1990. Het vorige record lag aanzienlijk lager en dateerde uit februari 2001, toen 70 aandelen een negatieve bèta hadden.


Andere berekeningen laten eveneens zien dat de huidige marktstructuur uitzonderlijk is, al zijn de cijfers niet rechtstreeks vergelijkbaar. Een afzonderlijke analyse van TheoTrade kwam op 7 augustus bijvoorbeeld uit op 42% van de S&P 500-aandelen met een negatieve bèta. Op 23 september was dat teruggelopen naar 34%. De gebruikte methodologie verschilt echter van die van Evercore, waardoor deze percentages niet één op één naast de 121 aandelen kunnen worden gelegd.


De verleidelijke conclusie is dat de Amerikaanse beurs op breken staat. Daarvoor levert het cijfer echter geen hard bewijs. Het zegt vooral iets over de ongebruikelijke interne structuur van de huidige markt. De S&P 500 gedraagt zich steeds minder als één homogeen geheel. Grote groepen aandelen reageren op andere economische krachten dan de megacaps die een groot deel van de index domineren.


Bron: SP Global
Bron: SP Global

Wat betekent een negatieve bèta precies?

Bèta meet hoe gevoelig een aandeel historisch is geweest voor bewegingen van de markt. Een bèta van 1 betekent niet dat een aandeel iedere handelsdag exact hetzelfde beweegt als de S&P 500. Het betekent dat de geschatte gevoeligheid voor marktbewegingen over de gekozen meetperiode ongeveer gelijk is aan die van de markt.


Een bèta van 1,5 betekent bijvoorbeeld dat het aandeel in die periode gemiddeld ongeveer anderhalf keer zo gevoelig was voor marktbewegingen.


Bij een negatieve bèta is de historische samenhang juist tegengesteld. Wanneer de S&P 500 steeg, had het aandeel gedurende de gemeten periode gemiddeld de neiging om de andere kant op te bewegen, en omgekeerd.


Dat blijft een statistisch verband en geen natuurwet. Bovendien is een bèta van -0,1 fundamenteel iets anders dan een bèta van -1. Een aandeel dat maar net onder nul zit, vormt bepaald geen krachtige hedge tegen een beurscorrectie.


Ook de gekozen meetperiode is bepalend. Een aandeel kan over zes maanden een negatieve bèta hebben, terwijl dat verband over twaalf maanden verdwijnt. Daarom is het te stellig om te zeggen dat meer aandelen dan ooit in de volledige beursgeschiedenis tegen de markt in bewegen. Wat wel kan worden vastgesteld, is dat meerdere recente metingen een historisch uitzonderlijke mate van negatieve bèta laten zien.


AI heeft de marktstructuur ingrijpend veranderd

Een belangrijke verklaring die Evercore naar voren schuift, is de enorme dispersie tussen AI-gerelateerde winnaars en grote delen van de rest van de markt.


Producenten van chips, geheugentechnologie, datacenterapparatuur en andere infrastructuur profiteren rechtstreeks van de investeringsgolf rond kunstmatige intelligentie. Omdat verschillende van deze ondernemingen ook tot de zwaarste posities in de S&P 500 behoren, hebben hun koersbewegingen een buitenproportioneel grote invloed op de index.


Andere sectoren worden ondertussen door totaal andere factoren gestuurd. Gezondheidszorg reageert bijvoorbeeld op medicijnontwikkelingen en regelgeving. Energiebedrijven bewegen sterk mee met olie- en gasprijzen. Consumentenaandelen zijn gevoeliger voor koopkracht en marges, terwijl telecombedrijven met andere rente- en kapitaalstructuren te maken hebben.


Onder de grootste ondernemingen die in de Evercore-meting een negatieve bèta hadden, bevonden zich onder meer Walmart, ExxonMobil, Johnson & Johnson, AbbVie, Costco, Chevron, Coca-Cola, Philip Morris, Verizon en T-Mobile US.


Dat zijn geen obscure of noodlijdende bedrijven. Het laat juist zien hoe breed de ontkoppeling is geworden. Hun dagelijkse koersbewegingen worden simpelweg door andere factoren bepaald dan die van bijvoorbeeld de grootste AI- en technologiebedrijven.


Daardoor kan de S&P 500 stijgen zonder dat het gemiddelde aandeel binnen de index dezelfde beweging laat zien. Een relatief kleine groep zeer grote ondernemingen kan een groot deel van het indexrendement bepalen.



Een S&P 500-ETF is minder gelijkmatig gespreid dan hij lijkt

Die marktstructuur wordt versterkt door de hoge concentratie van de index.

De tien grootste posities vertegenwoordigden eind augustus samen 37,8% van de S&P 500. Wie op dat moment €10.000 in een volledig indexvolgende ETF belegde, had economisch gezien dus ongeveer €3.780 blootstelling aan slechts tien aandelen. De rest van de index deelde samen de overige €6.220.


Dat is een belangrijk verschil tussen het aantal aandelen in een ETF en de daadwerkelijke spreiding van het kapitaal.


De S&P 500 bevat honderden ondernemingen, maar de koersontwikkeling wordt veel sterker bepaald door de grootste bedrijven. Wanneer die megacaps stijgen, kan de index rond recordniveaus blijven terwijl grote groepen andere aandelen dalen, zijwaarts bewegen of simpelweg achterblijven.


Aandelen die tijdelijk tegen de index in bewegen, kunnen binnen zo'n portefeuille wel enige diversificatie bieden. Wanneer energie, defensieve consumentengoederen of gezondheidszorg bijvoorbeeld stijgen terwijl AI-aandelen dalen, kunnen die tegengestelde bewegingen de totale schommeling verminderen.


Dat effect moet echter niet worden overdreven. Een relatief klein aandeel met een negatieve bèta heeft vanwege de marktkapitalisatieweging maar weinig invloed tegenover een megacap die meerdere procenten van de totale index vertegenwoordigt.


Veel onderlinge diversificatie tussen individuele aandelen betekent daarom niet automatisch dat het concentratierisico van de index verdwijnt.



Lijkt dit op de internetzeepbel?

De historische vergelijking met de internetzeepbel krijgt veel aandacht omdat het vorige record in de Evercore-reeks uit februari 2001 kwam. Destijds hadden 70 S&P 500-aandelen een negatieve bèta.


Er zijn duidelijke overeenkomsten. Rond de millenniumwisseling werd een groot deel van het beursenthousiasme eveneens gedragen door een populaire technologiegroep, terwijl andere delen van de markt zich anders begonnen te gedragen.

De vergelijking heeft echter duidelijke beperkingen.


Veel van de meest speculatief gewaardeerde internetbedrijven uit die periode hadden nauwelijks omzet of winst en moesten hun bedrijfsmodel nog bewijzen. Veel van de grootste AI-winnaars van vandaag beschikken daarentegen over miljardenomzetten, hoge marges, sterke balansen en omvangrijke vrije kasstromen.

Ook de investeringsgolf rond AI is tastbaar. Datacenters worden gebouwd, chips worden besteld en elektriciteitsinfrastructuur wordt uitgebreid. De economische activiteit is dus daadwerkelijk zichtbaar.

Dat betekent niet dat de beurswaarderingen automatisch gerechtvaardigd zijn.


De belangrijke vraag is niet of AI een echte economische ontwikkeling is. De vraag is of de toekomstige opbrengsten uiteindelijk groot genoeg worden om de enorme investeringen en hoge verwachtingen te rechtvaardigen.


Wanneer AI-uitgaven vertragen of de rendementen op die investeringen tegenvallen, kan dezelfde concentratie die de index omhoog heeft geholpen ook de andere kant op werken.


Tegelijkertijd kan de huidige marktverdeling ook normaliseren zonder een beurscrash. Achterblijvende sectoren kunnen herstellen, de winstgroei kan zich verbreden of de grootste AI-winnaars kunnen enige tijd consolideren terwijl andere delen van de markt stijgen.


In dat scenario neemt de onderlinge samenhang weer toe door een bredere beursrally in plaats van door een scherpe daling van de megacaps.


Waarom negatieve bèta geen koopargument is

Het kan aantrekkelijk lijken om aandelen met een negatieve bèta simpelweg te kopen als bescherming tegen een mogelijke correctie. Zo eenvoudig werkt het niet.

Bèta kijkt achteruit.


Een olieproducent kan gedurende zes maanden tegengesteld aan de S&P 500 bewegen doordat de olieprijs stijgt terwijl grote technologieaandelen verzwakken. Wanneer de olieprijs vervolgens draait, kan ook die negatieve samenhang snel verdwijnen.


Hetzelfde geldt voor consumentenaandelen, telecombedrijven en farmaceuten. Een tijdelijke tegengestelde beweging hoeft geen structurele eigenschap van een aandeel te zijn.


Daarnaast zegt bèta niets over waardering, winstgroei, schulden, concurrentiepositie of kasstroom.

Een bedrijf kan ook een negatieve bèta hebben omdat beleggers het aandeel om bedrijfsspecifieke redenen verkopen terwijl de brede markt stijgt. In dat geval is het aandeel niet automatisch een hedge en al helemaal niet automatisch aantrekkelijk geprijsd.


De interessantste vraag is daarom waarom een aandeel tegen de markt in beweegt.

Heeft het bedrijf een andere winstmotor, sectorblootstelling of rentegevoeligheid? Dan kan het mogelijk daadwerkelijk diversificatie bieden. Verslechteren de fundamenten van de onderneming zelf, dan is de negatieve bèta juist veel minder aantrekkelijk.


Waar beleggers nu op moeten letten

Voor beleggers is daarom niet alleen het aantal aandelen met negatieve bèta belangrijk. Interessanter is de combinatie van marktbreedte, winstgroei en indexconcentratie.


Een stijgende S&P 500 krijgt een bredere basis wanneer meer aandelen deelnemen aan de rally en de winstgroei zich buiten de grootste AI- en technologiebedrijven verspreidt.


Blijft de index daarentegen stijgen terwijl steeds meer aandelen een afwijkend koerspatroon vertonen, dan blijft de beurs sterker afhankelijk van een beperkte groep zwaarwegende ondernemingen.


Dat betekent niet dat een correctie onmiddellijk volgt. Het betekent wel dat tegenvallende cijfers of lagere kapitaaluitgaven bij enkele zeer grote ondernemingen relatief veel invloed kunnen hebben op het rendement van de volledige index.


Voor Nederlandse beleggers met een S&P 500-ETF is het daarom verstandig om verder te kijken dan het aantal bedrijven op het factsheet.


Honderden aandelen betekenen niet automatisch dat economische risico's gelijkmatig zijn verdeeld. De daadwerkelijke blootstelling wordt bepaald door de gewichten van bedrijven, de sectorverdeling en vooral de onderliggende winstmotoren.


Het recordaantal negatieve-bèta-aandelen is uiteindelijk geen betrouwbaar verkoopsignaal en evenmin bewijs dat een beurscrash nabij is.


Het laat vooral zien hoe ongewoon verdeeld de Amerikaanse aandelenmarkt momenteel is. De positieve uitkomst zou een verdere verbreding van de winstgroei en beursrally zijn. Het risico is dat de S&P 500 steeds afhankelijker wordt van een beperkte groep zeer grote ondernemingen.


Juist daarom worden de komende winstcijfers, de ontwikkeling van AI-kapitaaluitgaven en de marktbreedte belangrijke indicatoren om te volgen.


 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page