Recordsubsidie zegt nog niet hoeveel extra woningen verduurzamen
In het kort
Bijna 300.000 woningen kregen in 2025 een landelijke subsidie of lening voor verduurzaming, 22 procent meer dan een jaar eerder. Dat is een record in de nieuwe vijfjaarsreeks, maar nog geen bewijs dat de steun al die investeringen heeft veroorzaakt. De registraties laten vooral zien waar regelingen terechtkomen: 91 procent bij koopwoningen, vaak voor isolatie. De grote economische vraag is hoeveel extra energiebesparing de overheid per subsidie-euro koopt.
Het CBS telde 292.700 woningen met een energiebesparende subsidie of lening in 2025. In 2024 waren dat er 239.100 en in 2023 271.600. De sprong van 53.600 ten opzichte van 2024 is dus stevig, maar volgt op een terugval van 12 procent. Wie alleen het nieuwste jaar bekijkt, mist die hobbel.
De cijfers combineren woninggegevens met registraties van RVO en het Nationaal Warmtefonds. Ze omvatten onder meer ISDE, SVVE, SVOH en leningen. Een woning kan meer dan één regeling of maatregel hebben. De uitkomst is daarom een telling van ondersteunde verduurzaming, geen meting van het aantal woningen dat uitsluitend door overheidssteun in beweging kwam.
Het record meet gebruik en geen oorzaak
Tussen 2021 en 2025 werden ruim 850.000 woningen ondersteund. Bijna drie kwart van de subsidies ging naar isolatie. Glas- en deurisolatie was in 2025 met 131.100 geregistreerde maatregelen de grootste categorie, gevolgd door 87.800 warmtepompen, 69.900 bodem- of vloerisolaties en 63.100 dak- of zolderisolaties. Eén woning kan in meerdere categorieën voorkomen, zodat de maatregelaantallen niet bij elkaar mogen worden opgeteld als unieke woningen.
De toename bij glas is opvallend: van 90.200 maatregelen in 2024 naar 131.100 in 2025. Gevel- en spouwmuurisolatie bleef vrijwel vlak op 51.400, ver onder de 83.400 van 2023. Het CBS wijst voor de eerdere terugval onder meer op vertraging door de beschermde status van vleermuizen. De markt reageert dus niet alleen op subsidiebedragen, maar ook op vergunningen, uitvoeringsregels, energieprijzen en beschikbare vakmensen.
De sterkste tegenwerping tegen voorzichtigheid is dat 292.700 ondersteunde woningen tastbaar resultaat zijn. Dat klopt. De maatregelen zijn geregistreerd en veel woningen worden comfortabeler en zuiniger. Alleen de causale beleidsvraag blijft open: hoeveel eigenaren zouden zonder subsidie ook HR++ glas of een warmtepomp hebben gekocht? Zonder vergelijkingsgroep kan een record zowel veel extra investeringen betekenen als veel steun voor plannen die al klaarstonden.
De rekening verschilt sterk per uitgangspunt
Een subsidie maakt een project goedkoper, maar het bestaande huis bepaalt of de investering financieel aantrekkelijk is. Milieu Centraal rekent voor 22 vierkante meter HR++ glas in bestaande kozijnen met 4.700 euro brutokosten. Bij één isolatiemaatregel is de landelijke ISDE 25 euro per vierkante meter, dus 550 euro. Netto blijft 4.150 euro over. Wie later binnen 24 maanden een tweede maatregel uitvoert, kan volgens RVO een hoger bedrag ontvangen; dat zit niet in dit voorbeeld.
Bij enkelglas bespaart hetzelfde project volgens Milieu Centraal ongeveer 260 kubieke meter gas per jaar. Tegen de gebruikte langetermijngasprijs van 1,37 euro is dat 356 euro per jaar, of afgerond 30 euro per maand. De eenvoudige terugverdientijd is 4.150 gedeeld door 356, oftewel 11,7 jaar. Bij gewoon dubbelglas is de besparing slechts circa 70 kubieke meter, 96 euro per jaar en 8 euro per maand. Dan loopt de simpele terugverdientijd op tot ruim 43 jaar. Rente, onderhoud, comfort en woningwaarde zijn vereenvoudigd weggelaten.
Daarmee profiteert niet iedere ontvanger evenveel. Een eigenaar met enkelglas en voldoende spaargeld kan veel energie besparen zonder financieringskosten. Een huishouden met dubbelglas haalt minder financieel rendement. Een eigenaar die moet lenen, betaalt rente, terwijl een huurder afhankelijk is van de verhuurder en mogelijk een hogere huur tegenover een lagere energierekening krijgt. Het beleidsresultaat hoort daarom niet alleen in aantallen woningen te worden gemeten, maar ook in bespaarde energie en bereik onder huishoudens die anders niet kunnen investeren.
VvE’s blijven de lastigste groep
De verdeling legt een structureel gat bloot. Van alle woningen werd in vijf jaar 10,3 procent met een onderzochte regeling verduurzaamd. Bij woningen onder een vereniging van eigenaars was dat 5,5 procent, tegen 11,4 procent bij woningen buiten een VvE. De niet-VvE-groep bereikte dus ruim twee keer zo vaak een regeling. Het verschil is 5,9 procentpunt.
Dat gat past bij het mechanisme. In een appartement zijn dak, gevel en kozijnen vaak gemeenschappelijk bezit. Eigenaars moeten besluiten, offertes vergelijken, reserves en leningen regelen en kosten verdelen. Eén huishouden kan de maatregel niet altijd zelfstandig uitvoeren. Positief is dat het gebruik bij VvE-woningen nog stijgt, terwijl het buiten VvE’s sinds 2023 stabiliseert. Een algemene groei van het budget lost de besluitvorming binnen gebouwen echter niet vanzelf op.
Ook regionaal zijn de verschillen groot. In Stadskanaal werd bijna 33 procent van de koopwoningen ondersteund, in Amsterdam 6,9 procent. Grote steden hebben relatief veel appartementen en VvE’s, maar woningtype is niet de enige verklaring. Inkomen, bouwjaar, gemeentelijke begeleiding en lokale programma’s spelen mee. De cijfers laten samenhang zien, geen ranglijst van gemeentelijke doelmatigheid.
De omgekeerde vraag legt de grens bloot
Meestal begint de rekensom bij de verwachte besparing. De omgekeerde vraag is scherper: hoeveel besparing is nodig om de netto investering binnen een gekozen termijn terug te verdienen? Voor 4.150 euro netto en twaalf jaar is dat 346 euro per jaar. Bij 1,37 euro per kubieke meter vraagt dat 253 kubieke meter minder gas. Dat ligt dicht bij de 260 kubieke meter die Milieu Centraal voor enkelglas noemt, maar ver boven de 70 kubieke meter bij gewoon dubbelglas.
Deze grens maakt de keuze eerlijker. Voor enkelglas kan dezelfde subsidie een project naar een redelijke termijn duwen. Voor dubbelglas is het financiële argument zwakker en moeten comfort, tocht, geluid, onderhoud of een geplande kozijnrenovatie de rest dragen. De overheid kan daarom meer resultaat halen door steun en begeleiding te richten op slechte labels, enkelglas, lage inkomens en gebouwen waar collectieve besluitvorming vastloopt.
Drie paden tot 2029
De reeks eindigt in 2025 en is geen voorspelling. Een eenvoudig scenario laat wel zien hoeveel verschil een volgehouden richting maakt. Het basispad houdt het aantal vanaf 2026 constant op 292.700 woningen per jaar. Dat levert in 2027 tot en met 2029 samen 878.100 registraties op. Het pad zegt niets over unieke woningen over meerdere jaren en ook niet over de gemiddelde energiebesparing.
In een afkoelingspad daalt het aantal jaarlijks 8 procent door lagere energieprijzen, krappe uitvoering of beleidswijziging. Het model komt dan in 2029 uit op circa 210.000 woningen. In een versnellingspad groeit het jaarlijks 8 procent door betere VvE-aanpak, extra budget en hogere investeringsbereidheid. Dan komt 2029 op ongeveer 398.000. De formule is telkens het vorige jaar maal 0,92, 1,00 of 1,08. Deze aannames zijn geen kansen en geen CBS-raming.
De aantallen alleen kunnen de drie paden niet rangschikken. Vierhonderdduizend kleine maatregelen die huishoudens toch al wilden uitvoeren kunnen minder extra energiebesparing opleveren dan tweehonderdduizend projecten bij slecht geïsoleerde woningen die zonder hulp niet haalbaar waren. Voor beleggers in isolatie, glas en installatie is volume relevant. Voor de belastingbetaler telt vooral het extra effect per euro.
Meer bereik is niet automatisch meer rendement
Mijn oordeel is dat het record positief is voor de uitvoering, maar nog te weinig zegt over doelmatigheid. De stijging bij glas laat zien dat subsidies, regels en marktcapaciteit samen veel volume kunnen losmaken. Tegelijk blijven VvE-woningen duidelijk achter en is niet bekend welk deel van de investeringen zonder steun ook was gedaan. Een subsidieprogramma dat alleen op aantallen stuurt, kan daardoor precies de makkelijke projecten belonen.
Wie profiteert, zijn eigenaren die hun netto investering verlagen, installateurs en producenten met extra vraag, en huishoudens die minder energie gebruiken. Wie betaalt, zijn belastingbetalers en leners die rente dragen. De conclusie wordt sterker als nieuw onderzoek per regeling laat zien hoeveel extra investeringen, kubieke meters gasbesparing en bereik onder lage inkomens daadwerkelijk worden veroorzaakt. Zij verandert als blijkt dat het merendeel van de ontvangers toch al wilde investeren of dat de besparing per subsidie-euro structureel daalt.




































































































































Opmerkingen