Heinens box 3 plan legt de winstberekening bij de belegger
In het kort
Heinen wil dat beleggers hun verkoopwinst zelf aangeven als banken die gegevens nog niet kunnen leveren. Daarmee krijgt de overstap naar belasting bij verkoop een praktische keerzijde: de belegger moet kunnen uitleggen hoe zijn winst is berekend. Vooral de fiscale beginwaarde en gedeeltelijke verkopen verdienen aandacht. Afrekenen over gerealiseerde winst is een beter uitgangspunt dan jaarlijks belasting heffen op papieren koersstijgingen, maar een bruikbare administratie hoort bij die verbetering.
In zijn gesprek met RTL Z op 6 oktober zei minister Eelco Heinen: “Sowieso ligt de bewijsplicht altijd bij de belastingplichtige.” Hij wees er ook op dat sommige beleggingsportefeuilles de benodigde informatie kunnen geven. Dat laatste is precies waar de belegger op zal moeten letten: een overzicht van transacties is nog geen sluitende berekening volgens Nederlandse belastingregels.
Het verschil wordt zichtbaar zodra een aandeel in meerdere stappen is gekocht. Welk deel van de verkoopopbrengst is teruggekregen inleg en welk deel is winst? Een verkeerde beginwaarde kan de uitkomst veranderen, zonder dat er iets aan de belegging zelf verandert. Dit raakt zowel de maandelijkse ETF-koper als iemand die een grote positie geleidelijk afbouwt.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De nieuwe rekening begint nog niet in 2026
Het kabinet wil de vermogenswinstbelasting voor financiële instrumenten vanaf 2028 uitbreiden. De Wetgevingskalender vermeldt de adviesaanvraag bij de Raad van State van 2 oktober. Op 6 oktober 2026 gaat het nog om een wetsvoorstel. De parlementaire goedkeuring staat nog uit. Wie vandaag aandelen verkoopt, rekent dus niet automatisch af volgens de voorbeelden hieronder.
Voor 2026 beschrijft de Belastingdienst nog het forfaitaire stelsel met de mogelijkheid van een lager werkelijk rendement. Het tarief is 36 procent en het heffingsvrije vermogen bedraagt €59.357 per persoon. Een vermogensvrijstelling is iets anders dan een vrijstelling voor jaarlijks inkomen. Die twee door elkaar halen levert een verkeerde belastingberekening op.
De toelichting bij de novelle waarschuwt dat banken voor 2028 de benodigde winstgegevens niet kunnen leveren; 2029 is onzeker. Zelf berekenen wordt daarmee onderdeel van de invoering. Gewone banktegoeden en rechtstreeks gehouden crypto vallen bovendien niet zonder meer onder dezelfde nieuwe verkoopregels als aandelen.
Het aantrekkelijke van belasting bij verkoop blijft overeind. Iemand die vermogen opbouwt, houdt meer zeggenschap over het moment waarop koerswinst wordt verzilverd. Een stijging die later verdampt, hoeft dan niet eerst als gerealiseerd inkomen te worden behandeld. Daar staat tegenover dat de kostprijs soms jarenlang moet worden gevolgd. Een keuze voor dit stelsel vraagt dus ook een keuze voor betrouwbare gegevens.
Je oude aankoopprijs kan de verkeerde beginwaarde zijn
Voor bestaande financiële instrumenten kiest het voorstel de waarde op 1 januari 2028 als fiscale verkrijgingsprijs. Latere aankopen van dezelfde soort worden verwerkt via de gemiddelde verkrijgingsprijs. Deze uitgangspunten staan in paragraaf 2.3 van de toelichting.
Neem een rekenvoorbeeld met 80 aandelen die ooit voor €70 zijn gekocht. Stel dat zij op de beoogde startdatum €120 per stuk waard zijn. De fiscale beginwaarde zou dan 80 × €120 = €9.600 zijn. De historische uitgave van €5.600 blijft nuttig om het totale beleggingsresultaat te volgen, maar is in dit voorbeeld niet de nieuwe fiscale basis. De waardestijging vóór 2028 is daarmee buiten deze nieuwe winstberekening gehouden.
Daarna worden 40 aandelen bijgekocht voor €150. De gezamenlijke fiscale kostprijs wordt €9.600 + €6.000 = €15.600 voor 120 aandelen. Dat is gemiddeld €130 per aandeel. Bij verkoop van 30 aandelen voor €170 komt €5.100 binnen. Daarvan is €3.900 toegerekende kostprijs en €1.200 gerealiseerde winst. Voor de resterende 90 aandelen blijft de gemiddelde kostprijs €130, zolang er verder niets verandert.
Dit voorbeeld laat kosten, dividend, vreemde valuta en bijzondere gebeurtenissen bij het bedrijf weg. Het is een uitleg van de voorgestelde methode, geen complete aangifte. Wel maakt het één fout duidelijk: de hele verkoopopbrengst als winst aanmerken zou hier €3.900 aan terugontvangen inleg belasten. Alleen het groene winstpercentage in de brokerapp bewaren is evenmin genoeg als dat percentage vanaf de oorspronkelijke aankoop is berekend.
Een bruikbaar dossier verbindt daarom aantallen, beginwaarden, bijkopen en verkopen. Bewaar ook de oorspronkelijke transactiebevestigingen en jaaroverzichten. Dan is later na te gaan waar een bedrag vandaan komt. Bij een overstap naar een andere broker is het verstandig vooraf te controleren welke historie meegaat en welke gegevens nog te downloaden zijn. Dat is praktische voorbereiding, geen reden om nu al een toekomstige aangifte te simuleren alsof alle regels vaststaan.
De belasting is één rekening en de administratie een tweede
Reken vervolgens met een belegger die in een jaar €6.000 verkoopwinst realiseert en €1.000 bruto dividend ontvangt. Voor dit afzonderlijke rekenvoorbeeld veronderstellen we dat een eventuele jaarlijkse vrijstelling al door ander inkomen is gebruikt. Bij een aangenomen tarief van 36 procent is de belasting op deze €7.000 dan €2.520. Dat laat €4.480 over na belasting, vóór administratiekosten.
Stel dat hulpmiddelen of hulp bij de administratie daarnaast €240 per jaar kosten. Dit is een eigen kostenaanname, geen gemeten gemiddeld tarief. Zonder een belastingaftrek voor die uitgave te veronderstellen, blijft €4.240 besteedbaar resultaat over. Eventuele dividendbelasting als voorheffing blijft buiten deze vereenvoudiging. De belastingreserve komt overeen met €210 per maand; de administratie met €20. Het gaat om jaarlijks resultaat en een maandelijkse reservering, niet om een maandelijks verschuldigde aanslag.
Dat vaste bedrag weegt verschillend. €240 is 0,48 procent van een portefeuille van €50.000, maar 0,048 procent van €500.000. Een grotere belegger heeft vaak een ingewikkelder portefeuille, zodat de kosten niet noodzakelijk gelijk blijven. Toch laat de vergelijking zien waarom eenvoudige ondersteuning vooral voor kleinere portefeuilles belangrijk is.
Wie weinig handelt en één overzichtelijke rekening heeft, kan met goede exports mogelijk veel zelf doen. Wie meerdere brokers gebruikt, effecten overboekt of opties verhandelt, moet meer gegevens op elkaar laten aansluiten. Daar liggen kansen voor brokers en administratiesoftware. Voor hun klanten hoort een begrijpelijke fiscale rapportage echter bij goede dienstverlening. Een aantrekkelijk laag transactietarief zegt weinig als de jaarafsluiting vervolgens uren uitzoekwerk vraagt.
Hoeveel moet je verkopen om netto tienduizend euro over te houden
De omgekeerde vraag is minstens zo praktisch. Stel dat er €10.000 nodig is voor een uitgave. Hoeveel beleggingen moeten daarvoor worden verkocht? Dat hangt af van het deel van de opbrengst dat fiscale winst is. De volledige opbrengst delen door één min het belastingtarief is meestal te grof, omdat daarmee ook terugontvangen kostprijs als winst wordt behandeld.
Neem aan dat 40 procent van iedere verkochte euro winst is en 60 procent fiscale kostprijs. Bij 36 procent belasting over de winst bedraagt de belasting 0,40 × 0,36 = 14,4 procent van de verkoopopbrengst. Er blijft 85,6 procent over. De vereiste bruto verkoop is dus €10.000 ÷ 0,856 = €11.682,24. Daarvan wordt €1.682,24 gereserveerd voor belasting en resteert €10.000 netto cash.
Dit is een eenmalige verkoop, geen jaarinkomen. Het model veronderstelt een gebruikte vrijstelling, geen verrekenbare verliezen, geen transactiekosten en een gelijk winstaandeel in het verkochte deel. In werkelijkheid kan een andere samenstelling van de verkoop de rekening veranderen. Bij 10 procent winstaandeel is voor dezelfde netto cash circa €10.373 nodig; bij 70 procent circa €13.369.
Belasting uitstellen kan ook een ongewenste reden worden om een aandeel vast te houden. Wie uitsluitend naar de aanslag kijkt, kan een te grote of inmiddels zwakke positie laten staan. Een koersdaling kan vervolgens veel meer kosten dan het voordeel van uitstel. De fiscale rekening hoort bij de verkoopafweging, naast spreiding, waardering en de reden waarom het geld nodig is.
Drie routes laten zien wat betere ondersteuning waard is
Voor de administratie zijn 2028, 2029 en 2030 een nuttiger rekenhorizon dan de eerstvolgende drie kalenderjaren: dit zijn de beoogde eerste jaren vanaf invoering. De volgende scenario’s zijn eigen aannames per 6 oktober 2026. Ze voorspellen geen brokerprijzen en veronderstellen dat de nieuwe wet volgens planning ingaat.
In alle drie de routes wordt jaarlijks €4.000 winst gerealiseerd en €1.000 inkomen ontvangen. Met dezelfde veronderstelling van 36 procent belasting en een elders gebruikte vrijstelling blijft €3.200 per jaar over vóór administratie. De formule is €5.000 × 0,64 minus de jaarlijkse administratiekosten. Het gaat om nominale kasbedragen; er wordt geen rendement op gereserveerd geld berekend.
In het basisscenario kosten hulpmiddelen en ondersteuning achtereenvolgens €240, €180 en €120. Betere gegevensuitwisseling verlaagt geleidelijk het werk. Het netto resultaat is dan €2.960 in 2028, €3.020 in 2029 en €3.080 in 2030: samen €9.060.
In de soepele route is eenvoudige rapportage snel beschikbaar en dalen de kosten van €120 via €60 naar €30. Dat geeft respectievelijk €3.080, €3.140 en €3.170 netto, samen €9.390. In de stroeve route vraagt de administratie langdurig extra hulp en zijn de kosten €600, €480 en €360. Dan resteert €2.600, €2.720 en €2.840, samen €8.160.
Het verschil tussen soepel en stroef is €1.230 over drie jaar, bij exact hetzelfde bruto inkomen en belastingtarief. Niet meegenomen zijn de eigen tijd, fiscale aftrek van kosten, inflatie, verliesverrekening en veranderende wetgeving. Die beperking is relevant: een belegger die veel zelf doet, ziet misschien weinig facturen maar besteedt wel tijd. Goede uitvoering heeft economische waarde, ook wanneer die niet op de belastingaanslag staat.
Een betere belasting vraagt meer dan eigen verantwoordelijkheid
In het officiële verslag van het Senaatsoverleg van 5 oktober staat dat Heinen en Eerenberg nog wachten op uitvoeringsinformatie en het advies van de Raad van State. Heinen maakte ook duidelijk dat de voorgestelde beperking van de vermogensvrijstelling niet definitief is. De politieke dekking is dus nog in beweging.
Het sterkste tegenargument verdient ruimte. Geen enkel stelsel op werkelijk inkomen kan zonder administratie, en wachten op volmaakte systemen kan een noodzakelijke hervorming eindeloos vertragen. Een belegger mag verantwoordelijkheid dragen voor zijn eigen cijfers. Maar de overheid bepaalt welke cijfers nodig zijn en wanneer nieuwe regels ingaan. Zij moet zorgen dat redelijkerwijs aan die regels kan worden voldaan.
De keuze voor belasting op gerealiseerde koerswinst blijft verstandig. Zij sluit beter aan bij beschikbaar geld en laat meer ruimte om langjarig vermogen op te bouwen. Het zwakke punt is de uitvoering die nu bij de belegger terecht dreigt te komen. Betere regels mogen niet onnodig worden betaald met extra advieskosten en onzekerheid over ieder ingevuld bedrag.
Een definitieve uitvoeringstoets, een duidelijk model voor de fiscale beginwaarden en aantoonbaar bruikbare rapportages van banken en brokers zouden dat oordeel over de invoering verbeteren. Tot die tijd is het verstandig gegevens goed te bewaren en bij de broker naar de geplande ondersteuning te vragen. De kernvraag aan Heinen is daarmee concreet: krijgt de belegger alleen de verantwoordelijkheid, of ook het gereedschap om die waar te maken?
Omslag: Eelco Heinen, officieel portret van 17 februari 2026. Archieffoto: Martijn Beekman en Valerie Kuypers / Rijksoverheid.








































































































































Opmerkingen