Haast met box 3 dreigt beleggers extra werk te bezorgen
In het kort
Belasting op verkochte aandelenwinst is een verstandiger uitgangspunt dan jaarlijks afrekenen over koerswinsten die nog op papier staan. Maar de haast om dat in 2028 te regelen dreigt beleggers een nieuwe administratie te bezorgen. Het advies van de Raad van State komt later dan het kabinet hoopte, terwijl de volledige uitvoeringstoets pas uiterlijk 1 november wordt verwacht. Een betere belasting verdient een betere invoering dan een politieke deadline die de rekening bij de burger legt.
Voor iemand die jarenlang vermogen opbouwt, maakt het veel uit wanneer de fiscus langskomt. Een gestegen aandelenkoers betaalt geen boodschappen. Belasting bij verkoop geeft een belegger meer zeggenschap over het moment waarop geld uit zijn portefeuille verdwijnt. Dat is een goede reden om de koerswijziging van minister Eelco Heinen te steunen.
Juist daarom is het nieuws van 5 oktober ongemakkelijk. De Raad van State liet aan de NOS weten dat advies vóór het Kamerdebat van 12 oktober niet haalbaar is. De vroegste genoemde datum is 19 oktober, mogelijk wordt het 26 oktober. Daarmee krimpt de tijd om vragen over de wet, de financiering en de uitvoering behoorlijk te beantwoorden.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De kalender loopt vooruit op de zekerheid
Het kabinet heeft op 2 oktober een novelle naar de Raad van State gestuurd. Dat is een wijziging van het al lopende wetsvoorstel voor belasting op werkelijk rendement. De bijbehorende spoedbrief stelt een harde voorwaarde voor 2028: zowel het oorspronkelijke voorstel als de aanpassing moeten nog in december 2026 door de Tweede én de Eerste Kamer zijn aangenomen.
Vanaf 19 oktober resteren 73 kalenderdagen tot en met 31 december. Vanaf 26 oktober zijn het er 66. Dat zijn geen 73 of 66 vergaderdagen. Binnen die periode moeten advies, eventuele wijzigingen en parlementaire behandeling een plek krijgen. De daaropvolgende voorbereiding van aangiftesystemen en dienstverlening moet vervolgens op een voldoende stabiele wet kunnen voortbouwen.
Intussen ontbreekt volgens de memorie van toelichting nog een “integraal en onderbouwd beeld” van de uitvoeringsgevolgen. De volledige uitvoeringstoets wordt uiterlijk 1 november verwacht. De eerste technische verkenning ziet mogelijkheden onder strikte voorwaarden. Dat is iets anders dan een afgeronde bevestiging dat de hele keten klaar kan zijn.
De resterende tijd maakt 2028 niet automatisch onmogelijk. Een gerichte wetswijziging kan sneller worden ingevoerd dan een volledig nieuw stelsel. Maar een aangenomen wet, werkende software en een begrijpelijke aangifte zijn drie verschillende resultaten. Alleen het eerste resultaat halen is voor de belegger onvoldoende.
Betalen bij verkoop geeft de belegger meer regie
Eerst een onderscheid dat in het debat gemakkelijk verdwijnt. Het huidige stelsel in 2026 rekent met forfaitaire rendementen, met de mogelijkheid een lager werkelijk rendement aan te tonen. Het is dus niet simpelweg de voorgestelde jaarlijkse aanwasbelasting. Voor 2026 geldt een tarief van 36 procent en een heffingsvrij vermogen van €59.357 per persoon. Dat vrijgestelde vermogen is bovendien iets anders dan een vrijgesteld bedrag aan jaarlijks rendement.
Bij aanwasbelasting telt ook een onverkochte koersstijging jaarlijks mee. Bij winstbelasting telt die waardestijging pas mee wanneer zij wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld door verkoop. Rente en dividend worden in beide toekomstige systemen wel jaarlijks betrokken in de heffing. De beleidsbrief van 14 september beschrijft de keuze om vanaf 2028 zo veel mogelijk beleggingen onder het tweede systeem te brengen.
Een vereenvoudigd rekenvoorbeeld laat het verschil zien. Een portefeuille van €100.000 stijgt in één jaar met 10 procent, zonder dividend. De bruto koerswinst bedraagt €10.000. Neem een tarief van 36 procent en €1.000 beschikbaar heffingsvrij resultaat. Onder jaarlijkse aanwasheffing volgt dan (€10.000 − €1.000) × 36 procent = €3.240 belasting. Dat komt overeen met een reserve van €270 per maand, geen wettelijke maandtermijn. Na afrekening resteert €6.760 netto winst.
Onder winstbelasting is bij alleen aanhouden in dit voorbeeld nog geen belasting over die koerswinst verschuldigd. Wordt alles aan het einde van hetzelfde jaar verkocht, dan bedraagt de belasting eveneens €3.240. Het voordeel is hier de keuze over het verkoopmoment, geen verdwenen belastingclaim. Blijft de belegging langer staan, dan kan het uitgestelde belastingbedrag intussen wel mee blijven renderen.
Dit is een vergelijking van twee toekomstige systematieken, geen berekening van de aangifte over 2026. Het model laat kosten, verliezen, andere inkomsten en een fiscale partner weg. De €1.000 sluit aan bij het omstreden dekkingsvoorstel; de uiteindelijke vrijstelling staat nog niet vast. Wie vooral rente of dividend ontvangt, heeft veel minder voordeel van uitstel dan iemand met voornamelijk onverkochte koerswinst.
De ontbrekende bankgegevens worden werk voor de klant
Het grootste praktische probleem staat al in de officiële toelichting. Banken kunnen de benodigde gegevens over gerealiseerde portefeuilleresultaten voor belastingjaar 2028 niet leveren. Ook tijdige beschikbaarheid voor 2029 is onzeker. Voor dit onderdeel ontbreekt daardoor de basis voor een vooraf ingevulde aangifte en wordt controle moeilijker. Belastingplichtigen moeten zelf meer uitzoeken.
Daar zit een onzichtbare rekening. Wie één fonds bij één aanbieder bezit, heeft een overzichtelijker administratie dan iemand met verschillende effectenrekeningen, tussentijdse aankopen en gedeeltelijke verkopen. Een gepensioneerde die af en toe aandelen verkoopt voor extra inkomen krijgt andere vragen dan een jonge belegger die uitsluitend bijkoopt. De tijd of het geld voor hulp weegt relatief zwaar bij een bescheiden portefeuille.
Neem los daarvan een eenvoudige kostprijsberekening. Iemand koopt 100 identieke aandelen voor €100 en later 100 voor €120. De gemiddelde aankoopprijs is dan (€10.000 + €12.000) ÷ 200 = €110. Verkoop van 50 aandelen voor €130 levert €6.500 op, maar slechts 50 × (€130 − €110) = €1.000 bruto winst. De belasting kan dus niet uit het verkoopbedrag alleen worden afgeleid. Dit voorbeeld veronderstelt geen kosten of andere transacties.
Een extra jaar voorbereiden is daarom niet per definitie bureaucratische traagheid. Tegelijk mag uitvoeringscomplexiteit geen permanent excuus worden om beleggers jaarlijks over onverkochte winst te belasten. De overheid kiest het stelsel en hoort ook concreet te regelen welke overzichten banken leveren, welke berekening de aangifte overneemt en hoe een gewone klant fouten kan herstellen.
Vier procent netto vraagt meer dan vier procent koerswinst
Draai de vraag eens om. Welk bruto rendement is nodig om na belasting €4.000 per jaar over te houden op €100.000? Neem opnieuw 36 procent belasting en €1.000 vrijgesteld resultaat. Bij verkoop aan het einde van het jaar geldt: netto winst = bruto winst − 0,36 × (bruto winst − €1.000). Voor €4.000 netto is dus (€4.000 − €360) ÷ 0,64 = €5.687,50 bruto winst nodig. Dat is 5,69 procent bruto rendement.
De belasting bedraagt dan €1.687,50. De resterende €4.000 is gemiddeld €333,33 netto per maand, maar wordt in dit voorbeeld één keer aan het jaareinde beschikbaar. Ook dit is een nominale rekensom: inflatie en beleggingskosten zijn niet afgetrokken. Het benodigde rendement is geen beloofd of veilig te behalen rendement.
Deze omgekeerde berekening laat zien waarom voorspelbare regels belangrijker zijn dan een slogan over lage lasten. Een lager vrijgesteld resultaat vergroot het bruto rendement dat nodig is voor hetzelfde nettobedrag. De logische reactie hoort niet te zijn dat een spaarder dan maar meer risico neemt. Een stelsel dat bezit en eigen buffers serieus neemt, moet ook zonder ingewikkelde optimalisatie begrijpelijk blijven.
Drie beleggingsjaren laten ook de keerzijde zien
Hoeveel levert uitstel op? We rekenen met €100.000 aan het begin van 2028 en bekijken de eindstanden van 2028, 2029 en 2030. Dat zijn de eerste drie jaren vanaf de beoogde invoering, geen voorspelling dat de wet dan werkelijk geldt. In het basisscenario stijgen de koersen jaarlijks 6 procent. Het voorzichtige alternatief gebruikt 3 procent en het sterke alternatief 9 procent. Er zijn geen dividenden, kosten of tussentijdse aankopen.
Om het zuivere uitsteleffect te laten zien, is de vrijstelling hier aanvankelijk al volledig gebruikt door andere, in beide varianten gelijke inkomsten in box 3. Bij jaarlijkse heffing wordt de belasting uit de portefeuille betaald. Na n jaren is de netto portefeuille dan €100.000 × [1 + rendement × (1 − 0,36)] tot de macht n. Bij belasting over winst bij een volledige eindverkoop geldt €100.000 + [€100.000 × (1 + rendement) tot de macht n − €100.000] × (1 − 0,36).
Bij 6 procent levert dat eind 2030 afgerond €111.968 na jaarlijkse heffing op, tegenover €112.225 na verkoop en volledige belastingafrekening. Het voordeel bedraagt €257. Bij 3 procent zijn de eindbedragen €105.871 en €105.935, een verschil van €63 op basis van de ongeronde bedragen. Bij 9 procent worden dat €118.294 en €118.882, een voordeel van €587. De verschillen groeien bij een langere looptijd, maar zijn over drie jaar geen wonderbedragen.
Er is een wezenlijke tegenwerping. Zet in de module het jaarlijks beschikbare vrijgestelde resultaat op €1.000. Bij 6 procent groei komt de jaarlijkse heffing eind 2030 dan uit op €113.090 netto. Wie alles pas eind 2030 verkoopt, houdt €112.585 over. In deze vergelijking is belasting bij verkoop dus circa €505 ongunstiger. De jaarlijkse heffing benut drie vrijstellingen; bij één eindverkoop kan slechts de vrijstelling van dat verkoopjaar tegen de opgehoopte koerswinst worden gebruikt. Het model schuift ongebruikte vrijstellingen niet door.
Dat weerlegt het belang van zeggenschap over het verkoopmoment niet. Het laat wel zien waarom tarief, vrijstelling en verkoopgedrag samen beoordeeld moeten worden. Een kleine belegger met weinig andere inkomsten kan een andere uitkomst krijgen dan iemand die zijn vrijstelling sowieso al opmaakt. Het model bevat alleen positieve, constante rendementen; koersdalingen en verliesverrekening kunnen de vergelijking veranderen.
Een betere belasting mag geen slechtere aangifte opleveren
Ook de schatkist heeft een legitiem belang. Later belasting innen verschuift ontvangsten en kan financiering nodig maken. Dat is geen administratieve kostenpost, maar evenmin gratis geld. De politieke keuze moet zijn welke uitgaven, inkomsten of fasering daarbij passen. Een betere behandeling van lang aangehouden beleggingen financieren door bescheiden buffers zwaarder te belasten, ondergraaft juist het argument om bezit op te bouwen.
De richting verdient steun: belasting over gerealiseerde winst sluit beter aan bij beschikbaar geld en geeft de eigenaar meer regie. Maar 2028 is alleen een geloofwaardig doel als de uitvoeringstoets, de gegevensvoorziening en de bescherming van kleine vermogens daarbij aansluiten. Een positieve uitvoeringstoets met concrete bankafspraken en een werkbare aangifte zou het vertrouwen vergroten. Blijven essentiële gegevens ontbreken en wordt de burger de sluitpost, dan is een beheerste latere start verstandiger dan haast die een goed beginsel beschadigt.
Omslag: minister van Financiën Eelco Heinen op 17 februari 2026. Archieffoto: Martijn Beekman en Valerie Kuypers / Rijksoverheid. Bron en voorwaarden voor redactioneel gebruik.








































































































































Opmerkingen