S&P 500-winst breekt 91-jarige trend: AI-doorbraak of bubbel?
In het kort:
De winst per aandeel van de S&P 500 breekt boven een groeikanaal dat sinds 1935 vrijwel standhield.
AI draagt duidelijk bij, maar bijzondere boekwinsten en een kleine groep bedrijven vertekenen het beeld.
De beslissende test is niet de winstgroei van vandaag, maar de vrije kasstroom en het rendement op de enorme AI-investeringen.
De winst per aandeel van de S&P 500 lijkt los te breken uit een patroon dat oorlogen, recessies en eerdere technologische revoluties heeft overleefd. Deutsche Bank berekende dat de S&P 500-winst vanaf 1935 grofweg binnen een trendkanaal van 6,5% jaarlijkse groei bleef. Zelfs de naoorlogse hoogconjunctuur, de productiviteitssprong van de jaren vijftig en zestig, globalisering en de opkomst van het internet veroorzaakten geen blijvende uitbraak.
Nu gebeurt dat mogelijk wel. De recente winstgroei ligt ruim boven het historische kanaal en analisten van Deutsche Bank verwachten dat de kracht voorlopig aanhoudt. Kunstmatige intelligentie wordt daarbij steeds vaker genoemd als het begin van een nieuw productiviteitsregime.
Toch is de tegenstelling tussen een AI-doorbraak en een beursbubbel minder eenvoudig dan zij klinkt. De bedrijfswinsten kunnen structureel stijgen, terwijl beleggers tegelijkertijd te veel betalen voor die groei. Bovendien bevat de huidige winstexplosie enkele boekhoudkundige en cyclische meevallers die niet zonder meer naar de toekomst mogen worden doorgetrokken.
S&P 500-winst groeit uitzonderlijk hard
De winstontwikkeling over het tweede kwartaal van 2026 was op het eerste gezicht verbluffend. J.P. Morgan Asset Management schatte halverwege augustus dat de winst per aandeel van de S&P 500 ongeveer 38% hoger zou uitkomen dan een jaar eerder. Daarmee zou 2026 het sterkste winstjaar sinds de coronaperiode kunnen worden.
Die groei is echter sterk geconcentreerd. Tien ondernemingen waren naar schatting verantwoordelijk voor 77% van de totale winstgroei. Vooral halfgeleiderbedrijven en energieconcerns leverden een buitenproportionele bijdrage. De winst per aandeel van de chipsector lag op koers om 134% te groeien, goed voor 61% van de stijging op indexniveau.
Ook bijzondere waarderingswinsten maakten het gerapporteerde cijfer groter. Alphabet rapporteerde over het tweede kwartaal een nettowinst op beleggingen van ongeveer 98 miljard dollar, voornamelijk door ongerealiseerde koerswinsten op aandelenbelangen. Daardoor kwam de gerapporteerde winst per aandeel uit op 9,11 dollar. Zonder deze winst zou dat volgens de door FactSet verzamelde analistenberekeningen ongeveer 2,85 dollar zijn geweest.
De winstgroei van de S&P 500 is dus niet volledig vergelijkbaar met normale operationele groei. Na correctie voor de grote waarderingswinsten bij hyperscalers bleef volgens J.P. Morgan echter nog altijd ongeveer 19% onderliggende winstgroei over. Dat is ruim boven de historische trend en te sterk om uitsluitend als boekhoudkundige ruis af te doen.

Niet alleen aandeleninkoop drijft de winst
Een stijgende winst per aandeel hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse bedrijven in totaal evenveel meer verdienen. Wanneer ondernemingen eigen aandelen inkopen, wordt dezelfde winst verdeeld over minder stukken. Dat verhoogt automatisch de winst per aandeel.
Amerikaanse bedrijven zijn al twee decennia grote inkopers van hun eigen aandelen. Alleen al in het eerste kwartaal van 2025 kochten S&P 500-bedrijven voor een recordbedrag van 293,5 miljard dollar aan aandelen terug. Dat ondersteunt de winst per aandeel, al wordt een deel van de inkopen gebruikt om nieuwe aandelen voor personeel te compenseren.
Volgens de analyse achter de Deutsche Bank-grafiek bereikte de invloed van de dalende aandelenaantallen vooral in de jaren 2010 zijn hoogtepunt, dus vóór de recente uitbraak. Over een periode van zestig jaar groeide de totale S&P 500-winst zelfs sneller dan de winst per aandeel. Aandeleninkoop kan het huidige beeld daarom versterken, maar verklaart de historische afwijking niet volledig.
Brede economische cijfers wijzen eveneens op echte winstgroei. De Amerikaanse bedrijfswinsten uit lopende productie, inclusief correcties voor voorraadwaardering en kapitaalverbruik, stegen volgens het Bureau of
Economic Analysis van een seizoengecorrigeerd jaarritme van 4.426,5 miljard dollar in het eerste kwartaal naar 4.827,4 miljard dollar in het tweede kwartaal. Dat is een toename van ongeveer 9,1% binnen één kwartaal.
Die statistiek bestrijkt meer ondernemingen dan alleen de S&P 500 en gebruikt een andere winstdefinitie. Toch is zij belangrijk: de verbetering bestaat niet alleen op het niveau van de winst per aandeel.

De AI-investeringen vertekenen het tempo
De grootste onzekerheid zit in de manier waarop de AI-investeringsgolf door de resultaten loopt. Een datacenter, server of chip wordt niet volledig als kostenpost genomen op het moment van aanschaf. De investering verschijnt eerst op de balans en wordt daarna over meerdere jaren afgeschreven.
Dat kan tijdelijk een gunstig beeld opleveren. De leveranciers van chips, energie-installaties en datacenterapparatuur boeken onmiddellijk omzet en winst, terwijl de kopers de volledige economische kosten pas later in hun resultaten voelen.
Alphabet gaf in de eerste helft van 2026 bijvoorbeeld 80,6 miljard dollar uit aan kapitaalinvesteringen, ruim twee keer de 39,6 miljard dollar van een jaar eerder. De afschrijvingen op materiële vaste activa bedroegen in dezelfde periode 13,6 miljard dollar. Dat verschil is geen verborgen verlies, maar laat wel zien dat een groot deel van de rekening pas in latere jaren door de winst-en-verliesrekening loopt.
Bij Meta werd de spanning tussen winst en kasstroom al zichtbaarder. Het bedrijf investeerde in het tweede kwartaal 31,08 miljard dollar en hield slechts 784 miljoen dollar vrije kasstroom over. De operationele marge daalde van 43% naar 31%, al speelden naast AI-investeringen ook juridische lasten en ontslagkosten een
belangrijke rol.
Als de AI-omzet snel genoeg groeit, vormt deze investeringsgolf geen probleem. Dan worden de datacenters productieve activa die jarenlang omzet genereren. Blijft de vraag achter, dan lopen afschrijvingen, energiekosten en onderhoud juist op nadat de eerste investeringsimpuls is verdwenen.
Er is al omzet, maar het rendement moet nog blijken
De AI-hausse is niet uitsluitend gebaseerd op beloften. Amazon meldde dat AWS in het tweede kwartaal 36,7% groeide, het hoogste tempo in achttien kwartalen. Zowel de AI-activiteiten binnen AWS als de eigen chipactiviteiten bereikten volgens het bedrijf een omzettempo van meer dan 25 miljard dollar per jaar.
Ook Google Cloud boekte een sterke stijging van de operationele winst. Bij Meta draagt AI bij aan betere aanbevelingen en effectievere advertenties. De technologie genereert dus al omzet en verbetert bestaande producten.
De lat ligt alleen hoger dan omzetgroei. De hyperscalers moeten uiteindelijk aantonen dat de extra operationele kasstroom groter wordt dan de investeringen die nodig zijn om deze omzet mogelijk te maken. Anders verschuift de winst vooral van de kopers van AI-infrastructuur naar de leveranciers ervan.
Dat onderscheid is cruciaal. Nvidia, chipfabrikanten, netwerkbedrijven en leveranciers van stroomvoorzieningen verdienen tijdens de bouwfase. Voor de brede S&P 500 ontstaat pas een structurele productiviteitsdoorbraak wanneer ook banken, retailers, industriebedrijven, zorgconcerns en dienstverleners blijvend meer omzet of winst per werknemer realiseren.
Vier cijfers bepalen of dit een echte doorbraak is
De eerste graadmeter is de breedte van de winstgroei. Wanneer de S&P 500-winst ook zonder halfgeleiders, energiebedrijven en bijzondere waarderingswinsten sneller blijft groeien dan de historische trend, wordt de structurele doorbraak geloofwaardiger.
Daarna telt de vrije kasstroom. Winst kan tijdelijk profiteren van geactiveerde investeringen en vertraagde afschrijvingen. Kasstroom laat directer zien hoeveel geld na de investeringen werkelijk voor aandeelhouders overblijft.
De derde test is de winstmarge nadat de nieuwe AI-infrastructuur volledig in gebruik is genomen. Hogere afschrijvingen, elektriciteitskosten en financieringslasten mogen de vermeende productiviteitswinst niet opslokken.
Tot slot moet AI buiten de technologiesector zichtbaar worden. Een stijgende winst per werknemer, lagere operationele kosten en snellere omzetgroei bij gewone ondernemingen zouden sterker bewijs leveren dan opnieuw een recordkwartaal bij chipbedrijven.
Een winstdoorbraak en een bubbel kunnen tegelijk bestaan
De belangrijkste conclusie uit de Deutsche Bank-grafiek is niet dat beleggers onmiddellijk tussen twee uitersten moeten kiezen. Een structurele winstdoorbraak en een waarderingsbubbel sluiten elkaar niet uit.
Het internet veranderde de economie fundamenteel, maar voorkwam niet dat technologieaandelen rond 2000 veel te hoog werden gewaardeerd. AI kan eveneens een echte productiviteitsrevolutie veroorzaken, terwijl sommige aandelen al rekenen op winsten die pas jaren later moeten worden waargemaakt.
Voor beleggers is de relevante vraag daarom niet alleen of de S&P 500-winst blijft groeien. Belangrijker is hoeveel van die groei terugkomt in vrije kasstroom, hoeveel bedrijven eraan bijdragen en welke verwachtingen al in de koersen zijn verwerkt.
De winstuitbraak verdient serieus genomen te worden. Ze is te breed om volledig aan aandeleninkoop toe te schrijven en te sterk om alleen als hype af te doen. Tegelijk maken winstconcentratie, uitzonderlijke boekwinsten en de vertraagde kosten van de AI-capex voorzichtigheid noodzakelijk. De komende kwartalen moeten uitwijzen of 2026 het begin vormt van een nieuw winstregime of het moment waarop tijdelijke investeringswinsten ten onrechte voor permanente groei werden aangezien.
Dit is geen persoonlijk financieel advies. Koersen en winstverwachtingen kunnen veranderen en aandelen kunnen ook bij stijgende bedrijfswinsten dalen.







































































































































Opmerkingen