17 jaar extra werken: Hoe de nieuwe Box 3 onze pensioendroom kaapt #ditkanniet
- Jelger Sparreboom

- 1 dag geleden
- 5 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 8 uur geleden
In het kort:
Vanaf 2028 belast de overheid het werkelijke rendement inclusief koerswinsten tegen 36%, wat de jaarlijkse vermogensgroei direct hindert.
Door deze jaarlijkse heffing daalt een bruto rendement van 8% naar netto 5,12%, waardoor het uiteindelijke pensioenkapitaal op de lange termijn drastisch lager uitvalt.
Vooral kleine beleggers worden hard getroffen, omdat de belastingdruk een pensioendroom naar een miljoen euro met wel 17 jaar kan verlengen.
De hervorming van box 3 betekent een fundamentele wijziging in de manier waarop vermogen wordt belast. Het nieuwe stelsel, dat beoogd wordt in te gaan per 1 januari 2028, vervangt het forfaitaire systeem door een heffing op werkelijk rendement. Dat houdt in dat belasting wordt geheven over het daadwerkelijke resultaat op vermogen. Onder dat rendement vallen directe inkomsten zoals rente en dividend, én de jaarlijkse waardeontwikkeling van beleggingen. Deze systematiek wordt een vermogensaanwasbelasting genoemd. Dat betekent dat ook ongerealiseerde koerswinsten jaarlijks worden meegenomen in de belastinggrondslag.
Voor bepaalde bezittingen, zoals onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, geldt een vermogenswinstbelasting. Daarbij wordt de waardestijging pas belast op het moment van verkoop. Voor beursgenoteerde aandelen en beleggingsfondsen geldt in beginsel de aanwasmethode. Het voorgestelde tarief bedraagt 36 procent over het berekende rendement. Verliezen mogen worden verrekend met toekomstige positieve resultaten, met een jaarlijkse drempel van minstens 500 euro. Daarnaast geldt een heffingsvrij resultaat van 1.800 euro per belastingplichtige.
Het doel van de hervorming is het belasten van daadwerkelijk behaalde resultaten. Daarmee sluit de systematiek in principe aan bij het draagkrachtbeginsel. Wie een hoger rendement behaalt, draagt meer belasting af. Het oude systeem werkte met fictieve rendementen, wat na rechterlijke uitspraken juridisch kwetsbaar bleek. Vanuit beleidsmatig perspectief is de overstap naar een ander systeem dan dus ook begrijpelijk.
Voor beleggers verandert echter de dynamiek van vermogensopbouw wezenlijk. Het verschil zit in het moment waarop belasting wordt geheven. Bij een vermogensaanwasbelasting wordt jaarlijks afgerekend over het rendement. Bij een vermogenswinstbelasting groeit het vermogen onbelast door totdat verkoop plaatsvindt. Dat tijdsverschil heeft grote gevolgen voor het samengestelde rendement of rente-op-rente.
Rente op rente en het effect van jaarlijkse heffing
Langetermijnbeleggen draait om rente op rente, ook wel samengestelde groei genoemd. Dit betekent dat rendement in een bepaald jaar wordt toegevoegd aan het vermogen, waarna in het volgende jaar rendement wordt behaald over het totaal van inleg plus eerdere winst. Het groeiproces verloopt exponentieel. Naarmate de looptijd langer wordt, neemt het effect van deze cumulatie sterk toe.
Stel dat een belegger uitgaat van een gemiddeld rendement van 8 procent per jaar. Zonder tussentijdse belasting groeit vermogen na 40 jaar met een maandelijkse inleg van €500 naar >€1,5 miljoen.
Rente-op-rente zorgt voor exponentiële vermogensgroei

In het nieuwe scenario, met de 36% ongerealiseerde winstbelasting per jaar, resteert een effectieve groeivoet van 5,12 procent per jaar. Het verschil van 2,88 procentpunt lijkt beperkt, maar op de lange termijn ontstaat een groot verschil in eindvermogen. In datzelfde scenario halveert het uiteindelijke rendement naar €764.000.
Nieuwe box 3 met effectieve groeivoet van 5,12%

Onderstaande tabel laat zien hoe dit uitpakt voor verschillende jaarlijkse inleggen over een periode van dertig jaar, bij een constant bruto rendement van 8 procent.
Jaarlijkse inleg | Eindvermogen bij 8% bruto | Eindvermogen bij 5,12% netto | Verschil (Belasting) |
€ 1.000 | € 259.057 | € 124.396 | € 134.661 |
€ 5.000 | € 1.295.283 | € 621.982 | € 673.301 |
€ 10.000 | € 2.590.565 | € 1.243.964 | € 1.346.602 |
€ 20.000 | € 5.181.130 | € 2.487.927 | € 2.693.203 |
Bij een jaarlijkse inleg van 10.000 euro groeit het vermogen zonder tussentijdse belasting naar ongeveer 2,6 miljoen euro. Met jaarlijkse heffing over het rendement blijft circa 1,2 miljoen euro over. Het verschil van ruim 1,3 miljoen euro ontstaat volledig door het lagere samengestelde groeipercentage.
Voor beleggers met een lager inkomen kan het effect relatief sterk voelbaar zijn. Zij bouwen hun vermogen vaak stap voor stap op via periodieke inleg in ETF’s of indexfondsen. Omdat de jaarlijkse stortingen beperkt zijn, komt het grootste deel van hun uiteindelijke vermogensgroei uit het mechanisme van rente op rente. Het rendement dat in eerdere jaren wordt opgebouwd, vormt steeds opnieuw de basis voor toekomstige groei. Daardoor zijn zij relatief afhankelijk van samengestelde rendementen om op lange termijn een betekenisvol vermogen te bereiken. Een structurele verlaging van de groeivoet kan in zo’n situatie een disproportioneel grote impact hebben op het eindresultaat.
Bij hogere jaarlijkse inleg zijn de absolute verschillen groter. Toch geldt hetzelfde mechanisme. Jaarlijkse afroming vermindert de basis waarover in volgende jaren rendement wordt behaald. Het verschil tussen 8 procent en 5,12 procent per jaar vertaalt zich over dertig jaar in een aanzienlijk lager eindvermogen.
Waarom kleine pensioenbeleggers de klos zijn
De grafiek hieronder maakt zichtbaar waarom een belasting op vermogensaanwas vooral hard kan aankomen bij mensen die via een relatief bescheiden jaarlijkse inleg hun pensioen proberen op te bouwen. Het doel is simpel: wie vanaf zijn 25e probeert toe te werken naar een portefeuille van bijvoorbeeld 1 miljoen euro, rekent sterk op rente op rente. Juist dat mechanisme wordt structureel afgeremd wanneer de overheid elk jaar een deel van het rendement afroomt.
Verschil in jaren voor beleggen naar €1 miljoen

Aan de rechterkant van de grafiek staat het effect scherp weergegeven. Bij een jaarlijkse inleg van €20.000 wordt de mijlpaal van €1 miljoen zonder belasting bereikt rond de leeftijd van ongeveer 46 jaar. Met jaarlijkse belasting schuift dat door naar circa 50 jaar. Het verschil bedraagt ongeveer 4 jaar.
Bij €10.000 per jaar wordt het verschil groter. Zonder belasting ligt het omslagpunt rond 53 jaar. Met belasting pas rond 61 jaar. Dat betekent ongeveer 8 extra jaren sparen.
Bij €5.000 per jaar loopt het verschil verder op. Zonder belasting wordt €1 miljoen bereikt rond 61 jaar. Met belasting schuift dit op naar ongeveer 73 jaar. Dat is ongeveer 12 jaar extra.
Het zwaarste effect zit bij lage bijdragen. Wie slechts €2.000 per jaar kan missen, bereikt zonder belasting de grens van €1 miljoen rond 73 jaar. Met jaarlijkse belasting wordt dat ongeveer 90 jaar. Dat betekent ongeveer 17 extra jaren.
De boodschap is duidelijk: hoe lager de jaarlijkse inleg, hoe groter de afhankelijkheid van samengestelde groei. Bij kleinere pensioenbeleggers komt een groot deel van het eindkapitaal uit rendement op rendement, en een structureel lagere groeivoet verlengt de weg naar financiële onafhankelijkheid aanzienlijk.
Conclusie
De kern van de discussie blijft daarmee een afweging tussen rechtvaardigheid, uitvoerbaarheid en vermogensvorming. Een heffing op werkelijk rendement sluit aan bij het draagkrachtbeginsel en lost de juridische zwakte van het oude systeem op. Tegelijkertijd lijkt het beleid onvoldoende rekening te houden met het praktische beleggingsgedrag van kleinere vermogensopbouwers. Wie een lager inkomen heeft en slechts beperkte bedragen kan inleggen, is sterk afhankelijk van rente op rente om überhaupt een betekenisvol pensioenvermogen op te bouwen.
Juist bij die groep werkt een jaarlijkse heffing op vermogensaanwas het hardst door. Het rendement wordt ieder jaar afgeroomd voordat het opnieuw kan worden herbelegd, waardoor het samengestelde groeipad structureel wordt afgevlakt. In theorie wordt het systeem eerlijker, maar in de praktijk kan het de opwaartse mobiliteit via beleggen beperken. Daarmee ontstaat het risico dat box 3 vooral een rem zet op de belegger die probeert vooruit te komen, in plaats van alleen op de belegger die al ruim binnen is.
Advertorial
De veranderingen in box 3 maken duidelijk hoe groot de impact van rendement en belasting kan zijn op vermogensgroei. Zeker wanneer samengestelde groei onder druk staat, wordt het belangrijker om bewust om te gaan met waar en hoe vermogen tijdelijk wordt aangehouden. Ook spaargeld kan daarbij een strategische rol spelen, bijvoorbeeld als stabiele basis of parkeerplek binnen een bredere vermogensopbouw.
Raisin RenteBoost is een tijdelijke actie waarbij je op een vrij opneembare spaarrekening de eerste 3 maanden lang een gegarandeerde rente van 2,85% p.j. krijgt. Je spaargeld blijft dagelijks opvraagbaar en je kunt vrij storten en opnemen. Na deze periode kun je via één Raisin-account verder sparen bij meer dan 50 Europese banken, met actuele variabele rentes tot 1,91% p.j. of kiezen voor spaardeposito’s met looptijden van één maand tot tien jaar en rentes tot 3,15% p.j.




































































































































