Wat merkt de ondernemer van minder regeldruk uit Den Haag?
In het kort
Het kabinet heeft de 500-regelaanpak op 8 oktober verbreed naar bedrijven, inwoners en professionals. Van de eerste vijfhonderd te vereenvoudigen of te schrappen regels zijn er nu 250 voor bedrijven bestemd, terwijl de eerdere aanpak volledig op ondernemingen was gericht. Dat kleinere aantal bewijst nog niet dat ondernemers minder lastenverlichting krijgen: één zware verplichting kan meer tijd kosten dan tientallen lichte regels samen. De aanpak verdient daarom een beoordeling op gerealiseerde uren- en kostenbesparing, uitvoerbaarheid en kortere vergunningstrajecten.
Een ondernemer heeft weinig aan een geschrapte regel waar hij nooit last van had. Hij heeft wel iets aan één formulier minder per maand, een vergunning die op tijd wordt afgegeven of een rapportage die niet opnieuw om gegevens vraagt die de overheid al bezit. Dat onderscheid klinkt eenvoudig. Toch beloont een politieke doelstelling die vooral regels telt niet vanzelf de verandering waar bedrijven het meeste aan hebben.
Op 8 oktober 2026 kondigde het kabinet een bredere 500-regelaanpak aan. Minister Heleen Herbert van Economische Zaken en Klimaat en staatssecretaris Eric van der Burg van Binnenlandse Zaken willen de aanpak ook laten werken voor inwoners en professionals. Van de eerste vijfhonderd regels zijn er 250 voor die groepen en 250 voor bedrijven.
Daar zit een legitieme keuze achter. Een zorgprofessional die minder administratie heeft, kan meer tijd aan patiënten besteden. Een inwoner die eenvoudiger een aanvraag kan indienen, wint eveneens tijd. Maar voor ondernemers is de vraag gerechtvaardigd of hun eerdere verlichting daardoor minder prioriteit krijgt. Het antwoord staat niet in het getal vijfhonderd. Het moet blijken uit wat daadwerkelijk verandert.
De nieuwe verdeling vraagt om een eerlijke vergelijking
Volgens de toelichting op de Regeldrukmonitor van 12 oktober loopt de eerste periode van 1 juli 2026 tot en met 1 juli 2027. Daarna moeten in de tweede helft van 2027 nog eens 250 regels worden aangepakt, opnieuw gelijk verdeeld. Vanaf 2028 is de jaarlijkse ambitie vijfhonderd, eveneens met de helft voor bedrijven. Het gaat dus om verschillende perioden, niet om vijfhonderd afgeronde wijzigingen op de dag van aankondiging.
De Kamerbrief van 8 oktober vermeldt bovendien dat 97 regels uit de eerdere bedrijfsaanpak nog vóór eind 2026 moeten worden afgerond. Dat is een openstaande verplichting uit het vorige programma. Zij hoort apart zichtbaar te blijven, zodat een oude toezegging niet als nieuwe verlichting wordt verkocht. Niet gehaalde aantallen uit de nieuwe aanpak worden volgens de brief niet doorgeschoven naar het volgende jaar.
Het aantal voor bedrijven binnen de nieuwe eerste tranche is kleiner dan de eerdere vijfhonderd die volledig op ondernemingen waren gericht. Daarmee is de politieke aandacht breder verdeeld. Daaruit volgt echter nog geen halvering van de economische verlichting. De eerdere en nieuwe lijsten kunnen in zwaarte, bereik en uitvoeringsdatum sterk verschillen. Voor een oordeel zijn die eigenschappen belangrijker dan het aantal regels op de omslag van de brief.
Dat biedt het kabinet ook een kans. Het kan laten zien dat tweehonderdvijftig ingrijpende verbeteringen meer opleveren dan vijfhonderd kleine aanpassingen. Dan moet het wel bereid zijn de zwaarste dossiers aan te pakken, ook wanneer die juridisch ingewikkelder zijn en minder snel een groen vinkje opleveren.
Een regel tellen is nog geen last verminderen
De nieuwe aanpak gebruikt een brede definitie. Een verplichting kan worden geschrapt, maar ook eenvoudiger worden gemaakt. Minder vaak rapporteren, de doelgroep verkleinen of een proces beter inrichten kan daardoor meetellen. Dat is op zichzelf verstandig. Een nuttige veiligheidsnorm hoeft niet te verdwijnen om de administratie eromheen minder belastend te maken.
Die ruime definitie vraagt tegelijk om strenge verantwoording. De Kamerbrief laat onder voorwaarden ook aantoonbare inzet voor Europese aanpassing meetellen wanneer die nagenoeg zeker tot resultaat leidt. Voor ondernemers is inzet echter nog geen gewijzigde verplichting. Een tussenstap kan bestuurlijk relevant zijn, maar moet zichtbaar worden onderscheiden van een maatregel die al in werking is en in de praktijk uren bespaart.
Een fictief voorbeeld maakt het verschil duidelijk. Stel dat één jaarlijkse rapportage twee uur vraagt van 50.000 bedrijven. Afschaffing bespaart in theorie 100.000 uur per jaar. Een ander pakket vereenvoudigt tien regels die elk tien minuten kosten bij 1.000 bedrijven. Dat pakket telt tien keer zoveel maatregelen, maar komt uit op ongeveer 1.667 uur. Dit zijn illustratieve aantallen, geen meting van het kabinetsbeleid. Zij laten zien waarom een ranglijst op regelaantallen weinig zegt over productiviteit.
Zelfs die urenberekening is nog maar een begin. Een bedrijf kan informatie ook nodig hebben voor klanten, financiers of zijn eigen bedrijfsvoering. Als alleen de wettelijke verplichting vervalt, verdwijnt niet automatisch al het werk. Andersom kan een eenvoudigere vergunning meer waarde hebben dan de bespaarde invultijd: de investering kan eerder beginnen. Goed meten betekent daarom vaststellen welk werk werkelijk wegvalt en welke activiteit daardoor eerder mogelijk wordt.
Tijd wordt pas waarde wanneer zij bruikbaar vrijkomt
Voor kleine bedrijven wegen vaste administratieve taken relatief zwaar. Een grote onderneming kan kennis en systemen over veel omzet verdelen. Bij een kleine onderneming komt dezelfde uitzoekvraag vaker terecht bij de eigenaar of een externe adviseur. Een uur administratie is dan ook een uur waarin geen klant wordt geholpen, offerte wordt gemaakt of medewerker wordt opgeleid.
Die redenering betekent niet dat ieder bespaard uur onmiddellijk als extra winst op de bankrekening verschijnt. Een werknemer wordt niet voor één vrijgekomen uur minder betaald en een ondernemer krijgt niet automatisch een extra opdracht. Wel ontstaat ruimte die een bedrijf anders kan gebruiken. Soms vervalt een externe rekening, soms daalt de werkdruk en soms wordt extra omzet mogelijk. Die uitkomsten horen afzonderlijk in de beoordeling.
Neem een denkbeeldig bedrijf dat door eenvoudiger regels jaarlijks 36 uur minder werk heeft. Waarderen we die inzet op €50 per uur, dan is de tijdswaarde €1.800. Kost een aangepaste software- of werkwijze €200 per jaar, dan resteert €1.600 economische waarde per jaar. Moet het bedrijf bovendien eenmalig €600 besteden aan de overgang, dan is het eerstejaarsvoordeel €1.000. De €50 is een rekenaanname voor de waarde van inzet, geen vastgesteld Nederlands gemiddeld uurtarief.
De omgekeerde som is minstens zo nuttig. Welke jaarlijkse tijdsbesparing rechtvaardigt die €600 eenmalige uitgave en €200 jaarlijkse kosten? Bij een looptijd van drie jaar en 5 procent rekenrente is ongeveer 8,41 uur per jaar nodig, gewaardeerd op €50 per uur. We delen €600 door de contantewaardefactor van drie jaarlijkse bedragen, tellen €200 op en delen door €50. Als de vrijgekomen tijd niet bruikbaar kan worden ingezet, ligt de feitelijke waarde lager en wordt die grens hoger.
Voor 2027 tot en met 2029 kunnen we vervolgens drie paden naast elkaar zetten. In het lage pad bespaart het bedrijf 12, 18 en 24 uur. In het middenpad zijn dat 24, 36 en 48 uur en in het hoge pad 36, 54 en 72 uur. Met dezelfde kosten komt de netto tijdswaarde in het eerste jaar uit op respectievelijk min €200, plus €400 en plus €1.000. De overgang kost dan in het lage scenario aanvankelijk meer dan de vrijgekomen tijd waard is.
Deze scenario’s zijn geen verwachting van de resultaten van de 500-regelaanpak. Zij tonen hoe sterk de uitkomst afhangt van echte besparing, invoeringskosten en de bruikbaarheid van de tijd. Juist daarom moet een ministerie niet alleen vooraf een besparing inschatten, maar na invoering bij bedrijven nagaan wat ervan terechtkomt.
De overheid moet ook haar eigen uitvoering vereenvoudigen
Minder regeldruk vraagt meer dan het schrappen van artikelen in een wet. Wanneer gemeenten, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders dezelfde regel verschillend uitleggen, blijft een bedrijf advies nodig hebben. Wanneer een digitaal loket extra bijlagen verlangt zonder helder te maken waarom, kan een formele vereenvoudiging in de praktijk verdwijnen. De uitvoering is onderdeel van de economische last.
Voor vergunningen zou de overheid daarom niet alleen de gemiddelde doorlooptijd moeten publiceren, maar ook de spreiding en de tijd die verloren gaat aan herstelverzoeken. Een sneller gemiddelde kan verhullen dat ingewikkelde aanvragen nog altijd zeer lang blijven liggen. Ook moet duidelijk zijn wanneer de klok wordt stilgezet omdat gegevens ontbreken, en of dat ontbrekende gegeven redelijkerwijs vooraf bekend had kunnen zijn.
Een bruikbare voortgangsrapportage verbindt elke belangrijke maatregel aan het aantal betrokken bedrijven, de verwachte jaarlijkse urenbesparing, overgangskosten en de datum waarop zij werkelijk gaat gelden. Daarna volgt een controle bij gebruikers. Nieuwe verplichtingen moeten in dezelfde vergelijking worden meegenomen. Een ondernemer kan immers minder last hebben van één regeling en door drie andere wijzigingen per saldo toch meer administratie krijgen.
Dat is ook de juiste aansluiting op de bredere productiviteitsvraag. In onze eerdere analyse over AI-gebruik en de achterblijvende productiviteitswinst stond het verschil tussen een hulpmiddel gebruiken en economisch resultaat bereiken centraal. Bij regeldruk geldt hetzelfde principe: een formele verandering wordt pas waardevol wanneer de bedrijfsvoering er aantoonbaar beter van wordt.
De zwaarste regels verdienen de meeste aandacht
De sterkste tegenwerping tegen een harde vermindering van regels is dat veel verplichtingen een maatschappelijk doel dienen. Werknemers moeten veilig kunnen werken, consumenten moeten worden beschermd en overheidsmiddelen moeten controleerbaar worden besteed. Ondernemers profiteren zelf ook van betrouwbare regels en een gelijk speelveld. Een eenvoudige telling van geschrapte bepalingen kan dat belang juist ondergraven.
Een rechts-economische benadering hoeft die bescherming niet af te wijzen. Zij vraagt of hetzelfde doel met minder dubbel werk, minder onzekerheid en een kortere doorlooptijd kan worden bereikt. Regelgeving moet een aantoonbaar probleem oplossen en de minst belastende werkbare uitvoering kiezen. Waar het risico beperkt is, past een lichtere verplichting. Waar toezicht noodzakelijk is, helpt een duidelijke uitleg en één herkenbare verantwoordelijke.
De verbreding van de 500-regelaanpak is daarom niet automatisch slecht beleid. Zij wordt wel een teleurstelling als de kleinere bedrijfsportefeuille vooral gemakkelijke wijzigingen bevat en de oude 97 dossiers opnieuw blijven liggen. Het kabinet belooft zelf op impact te sturen. Daar mag het aan worden gehouden, ook wanneer een fraai regelaantal gemakkelijker te communiceren is.
Het oordeel blijft voorlopig kritisch. De verdeling is vastgesteld, de economische opbrengst moet nog blijken. Een overtuigende uitkomst bestaat uit aantoonbaar minder onnodige uren, lagere nalevingskosten en investeringen die sneller kunnen beginnen. Als tweehonderdvijftig maatregelen dat beter bereiken dan de vorige vijfhonderd, verdient de aanpak steun. Als alleen het dashboard verbetert, merkt de ondernemer er te weinig van.



























































































































header.all-comments