Extra box 3-inkomen kost meer dan het tarief doet vermoeden
In het kort
Het box 3-tarief is in 2026 36 procent, maar dat is niet altijd de volledige belastingdruk op extra belastbaar box 3-inkomen. Door verlies van de algemene heffingskorting kan de marginale druk vóór de AOW-leeftijd oplopen tot 42,398 procent. Voor iemand die het hele jaar de AOW-leeftijd heeft en binnen het afbouwtraject van de ouderenkorting valt, is dat 54,195 procent. Die percentages gelden binnen specifieke inkomenstrajecten, niet over het hele vermogen of automatisch over ieder werkelijk beleggingsresultaat.
Wie een belastingtarief van 36 procent leest, verwacht van een extra belastbare euro 64 cent over te houden. Bij sommige spaarders en beleggers klopt die verwachting niet. De belasting over die euro stijgt, terwijl tegelijk een korting op de totale belastingaanslag verdwijnt. Het verschil is groot genoeg om een financiële afweging te veranderen.
Peter Beets en Tjarko Denekamp van ABN AMRO MeesPierson beschreven dit mechanisme in hun analyse van 14 oktober 2026. Accountant.nl besprak de berekening op 16 oktober. De genoemde percentages zijn te herleiden tot de officiële tabellen. Het gaat niet om een nieuw box 3-tarief dat deze maand is ingevoerd, maar om de samenloop van het bestaande tarief en inkomensafhankelijke heffingskortingen.
Die samenloop verdient meer aandacht dan alleen een opvallend percentage. Sparen en beleggen moeten mensen kunnen helpen om minder afhankelijk te zijn van anderen. Wanneer extra belastbaar inkomen onverwacht veel minder oplevert, wordt die opbouw lastiger te doorgronden. Tegelijk hebben inkomensafhankelijke kortingen een verdedigbaar doel: de belasting verlichten voor mensen met minder inkomen. De vraag is of de gekozen stapeling redelijk en voldoende inzichtelijk uitpakt.
De korting daalt mee met het inkomen
Een heffingskorting verlaagt de berekende inkomstenbelasting. Wie €1.000 korting heeft, betaalt in beginsel €1.000 minder, zolang er voldoende belasting is om de korting te verrekenen. Als de korting door extra inkomen met €100 daalt, neemt de aanslag met €100 toe. Economisch is dat hetzelfde als €100 extra belasting, ook al verandert het tarief in de box niet.
De algemene heffingskorting is sinds 2025 afhankelijk van het verzamelinkomen. Dat omvat inkomen uit box 1, box 2 en box 3. Extra belastbaar inkomen uit vermogen kan daardoor ook gevolgen hebben voor een korting die iemand misschien vooral met zijn salaris of pensioen associeert.
Volgens de Belastingdiensttabel voor 2026 wordt de algemene heffingskorting vóór de AOW-leeftijd afgebouwd met 6,398 procent van het verzamelinkomen boven €29.736. Vanaf €78.427 is de korting nihil. Binnen dat traject kost €1.000 extra belastbaar box 3-inkomen daarom €360 box 3-belasting plus €63,98 verloren korting. Samen is dat €423,98, of 42,398 procent.
Voor iemand die het hele jaar de AOW-leeftijd heeft, bedraagt die afbouw 3,195 procent. Op zichzelf geeft dat binnen hetzelfde traject een marginale druk van 39,195 procent. De hogere uitkomst van ruim 54 procent ontstaat doordat er nog een tweede korting kan afnemen.
De ouderenkorting bedraagt in 2026 maximaal €2.067. Boven €46.002 verzamelinkomen wordt die met 15 procent afgebouwd; vanaf €59.783 resteert niets. In het overlappende traject is de marginale som dus 36 procent, plus 3,195 procent, plus 15 procent: 54,195 procent. De alleenstaandeouderenkorting is geen extra afbouwpost in deze berekening.
Van duizend euro blijft in dit voorbeeld €458,05 over
Neem een fictieve gepensioneerde die heel 2026 de AOW-leeftijd heeft. Zijn belastbare inkomen uit AOW en aanvullend pensioen in box 1 is samen €45.000. Daarnaast heeft hij €5.000 belastbaar box 3-inkomen en geen box 2-inkomen. Het verzamelinkomen is daarmee €50.000. Er is voldoende verschuldigde belasting om de relevante kortingen volledig te benutten.
Vergelijk die situatie met verder dezelfde omstandigheden, maar €6.000 belastbaar box 3-inkomen. Het verzamelinkomen stijgt naar €51.000. Over de extra €1.000 is €360 box 3-belasting verschuldigd. De algemene heffingskorting wordt €31,95 lager en de ouderenkorting €150 lager. De totale extra last is €541,95. Van de extra belastbare inkomensruimte resteert na deze belastingeffecten €458,05.
Dit is een berekening vóór afrondingen op de uiteindelijke aanslag. Het voorbeeld laat toeslagen, andere inkomensafhankelijke regelingen en veranderingen in aftrekposten buiten beschouwing. Ook blijft de verdeling tussen fiscale partners ongewijzigd. Dat maakt de berekening controleerbaar zonder te suggereren dat ieder huishouden dezelfde uitkomst krijgt.
Belangrijker nog is het woord belastbaar. De €1.000 is geen extra €1.000 spaargeld, geen verkoopopbrengst van een aandeel en niet vanzelfsprekend €1.000 werkelijk ontvangen rente of dividend. Eerst moet het belastbare box 3-inkomen worden vastgesteld. De officiële box 3-berekening voor 2026 houdt onder meer rekening met soorten vermogen en het heffingsvrije vermogen. Ook kan de berekening op basis van werkelijk rendement relevant zijn wanneer die lager uitvalt. Dat onderscheid moet behouden blijven wanneer iemand de belastingdruk op zijn eigen beleggingen wil beoordelen.
De hoge druk heeft een begin en een einde
Het percentage van 54,195 is een marginaal percentage: het beschrijft het effect van een volgende belastbare euro zolang beide kortingen afbouwen. Het is niet de gemiddelde belastingdruk over het hele inkomen van de gepensioneerde. Wie zijn hele inkomen met 54,2 procent vermenigvuldigt, komt tot een verkeerde conclusie.
Ook voor een grotere inkomensstijging kan het percentage te hoog zijn. Stel dat dezelfde soort gepensioneerde begint bij een verzamelinkomen van €59.000 en €2.000 extra belastbaar box 3-inkomen krijgt. De box 3-belasting neemt dan met €720 toe. De algemene heffingskorting daalt met €63,90. Maar er resteert aan het begin nog slechts €117,30 ouderenkorting. Meer dan dat kan niet verdwijnen.
De totale extra belasting is in dit tweede rekenvoorbeeld €901,20, of 45,06 procent van de €2.000. Dat is nog steeds ruim boven 36 procent, maar duidelijk lager dan 54,195 procent. De verhoging passeert immers het einde van het afbouwtraject van de ouderenkorting. Een goede belastingvergelijking rekent over het volledige traject waar een huishouden doorheen beweegt.
Wie in de loop van 2026 pas de AOW-leeftijd bereikt, moet eveneens opletten. Voor de algemene heffingskorting geldt dan een aangepaste berekening. De percentages voor iemand die het hele kalenderjaar AOW-gerechtigd is, kunnen daar niet zonder controle op worden geplakt. Juist deze details maken een eenvoudige slogan over “de box 3-belasting” minder bruikbaar dan een berekening van de totale aanslag.
Wat extra belastbaar inkomen netto oplevert
De omgekeerde rekensom geeft een ander zicht op de stapeling. Om binnen het traject van 54,195 procent na deze belastingeffecten €1.000 over te houden, is ongeveer €2.183,17 extra belastbaar inkomen nodig: €1.000 gedeeld door 0,45805. Bij uitsluitend 36 procent zou €1.562,50 voldoende zijn. Dit is een vergelijking van fiscale inkomensruimte, geen vereist beursrendement en geen berekening van hoeveel vermogen iemand moet bezitten.
De voorwaarde blijft dat de hele verhoging in hetzelfde traject valt. Vanaf €50.000 verzamelinkomen past een verhoging van ongeveer €2.183 daarin; vanaf €59.000 niet. In dat laatste geval moet de berekening worden opgesplitst, zoals hierboven. De zichtbare tariefschijf vertelt dus maar een deel van het verhaal.
Voor een vooruitblik over drie jaar gebruiken we bewust een gevoeligheidsberekening. We houden de regels en inkomensgrenzen van 2026 constant voor 2027, 2028 en 2029 en veronderstellen ieder jaar een vergelijkingsinkomen van €50.000. Dat is geen voorspelling van toekomstige wetgeving. Het laat uitsluitend zien wat verschillende jaarlijkse extra belastbare bedragen onder dezelfde regels zouden betekenen.
In het lage pad gaat het om €500 extra belastbaar inkomen per jaar; na de berekende druk resteert telkens ongeveer €229. In het middenpad lopen de extra bedragen op van €1.000 naar €1.200 en €1.400. Netto zijn dat ongeveer €458, €550 en €641. In het hoge pad, met achtereenvolgens €2.000, €2.500 en €3.000 extra belastbaar inkomen, blijven ongeveer €916, €1.145 en €1.374 over. De bedragen worden niet opgeteld bij het volgende jaarinkomen: elk jaar is een aparte vergelijking met dezelfde uitgangssituatie.
Deze uitkomsten zijn geen kasstroomprognose voor een portefeuille. Bij een forfaitair vastgesteld inkomen kan de werkelijk ontvangen opbrengst anders zijn. De cijfers maken wel zichtbaar waarom een huishouden niet alleen naar het box 3-tarief moet kijken wanneer het de fiscale gevolgen van een verandering onderzoekt.
Een begrijpelijk doel kan een onduidelijke rekening geven
Het beste argument voor de huidige opzet is draagkracht. Iemand met een bescheiden pensioen en aanzienlijke belastbare vermogensinkomsten heeft meer financiële ruimte dan iemand met hetzelfde pensioen zonder die inkomsten. Het is verdedigbaar om dat verschil mee te wegen bij inkomensafhankelijke kortingen. Bovendien kost een langzamere afbouw de schatkist geld, tenzij elders wordt bezuinigd of belasting wordt geheven.
Maar daarmee is de stapeling nog niet vanzelf verstandig. Als twee kortingen tegelijk verdwijnen, krijgt een specifieke groep een hoge marginale last die in het nominale tarief nauwelijks zichtbaar is. Dat maakt de beloning voor extra financiële zelfstandigheid minder voorspelbaar. Het kan ook de aandacht verschuiven van een goede vermogensopbouw naar het optimaliseren van fiscale grenzen. Hoe sterk mensen hun gedrag werkelijk aanpassen, volgt niet uit deze rekensom; daarvoor is apart onderzoek nodig.
Voor staatssecretaris van Financiën Eelco Eerenberg en de wetgever ligt hier daarom een duidelijke opgave. Laat bij voorstellen niet alleen het formele tarief zien, maar ook de marginale druk inclusief afbouw van kortingen. Beoordeel vervolgens of afbouwtrajecten beter op elkaar kunnen worden afgestemd, met een zichtbare begrotingsdekking. Een langere afbouw kan de piek verlagen, maar brengt de afbouw ook bij hogere inkomens; dat is een echte verdelingskeuze.
Het oordeel is daarmee kritisch, zonder te doen alsof alle vermogensinkomsten onbelast moeten blijven. Een stelsel dat sparen en beleggen serieus neemt, hoort de totale rekening begrijpelijk te maken en onnodig scherpe stapelingen te vermijden. De berekening van 54,195 procent is daarvoor een concreet signaal. Het overtuigende antwoord zou een eenvoudiger en beter uitlegbaar verloop van de totale druk zijn, niet alleen de herhaling dat box 3 officieel 36 procent bedraagt.



























































































































Opmerkingen