Top-econoom wuift box 3-kritiek weg, maar zijn eigen onderzoek zegt iets anders
- J. van den Poll
- 2 uur geleden
- 7 minuten om te lezen
In het kort:
Bas Jacobs verdedigt de nieuwe box 3-wet, maar zijn eigen CPB-onderzoek uit 2013 liet juist zien dat hoge belastingen gedrag veranderen en opbrengsten kunnen ondermijnen.
De nieuwe box 3 belast in de hoofdregel ook ongerealiseerde waardestijgingen, waardoor beleggers mogelijk belasting betalen over winst die zij nog niet hebben verzilverd.
De kritiek op het rente-op-rente-effect is geen spookverhaal: geld dat jaarlijks wordt afgeroomd, kan niet meer renderen en remt zo de vermogensopbouw op lange termijn.
Via Raisin profiteren spaarders tijdelijk van 2,85% rente per jaar op een vrij opneembare spaarrekening met Europees depositogarantiestelsel.
Econoom Bas Jacobs verdedigt de nieuwe box 3-wet met overtuiging. Zorgen over de gevolgen van een vermogensaanwasbelasting voor beleggers en vermogensopbouw schuift hij grotendeels terzijde. Volgens hem worden in het debat veel mythes en spookverhalen verspreid.
Dat is opvallend, want Jacobs werkte in 2013 zelf mee aan CPB-onderzoek waarin juist werd benadrukt dat hoge belastingen gedrag veranderen. In die studie stond centraal dat belastingplichtigen reageren op hoge tarieven, waardoor de belastinggrondslag kan krimpen en de opbrengst voor de schatkist uiteindelijk lager kan uitvallen. Precies dat punt speelt nu opnieuw in het debat over box 3.
Jacobs noemt box 3-kritiek een spookverhaal, terwijl zijn eigen CPB-onderzoek juist waarschuwde dat hoge belastingen gedrag veranderen en opbrengsten kunnen schaden:

Jacobs verdedigt de nieuwe box 3-wet
De Wet werkelijk rendement box 3 moet, als de Eerste Kamer ermee instemt, vanaf 2028 het huidige box 3-stelsel vervangen. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan. De behandeling ligt nu bij de Eerste Kamer.
De hoofdregel in het nieuwe stelsel wordt een vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat niet alleen rente, dividend en huurinkomsten worden belast, maar ook de jaarlijkse waardestijging van vermogen. Bij beleggingen kan dus belasting worden geheven over koerswinst die nog niet is verzilverd. Voor onder meer onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen geldt een uitzondering. Daar wordt de waardestijging pas belast bij verkoop.
Jacobs behoort tot de economen die deze vermogensaanwasbelasting nadrukkelijk verdedigen. Hij ziet het nieuwe stelsel als een verbetering ten opzichte van het oude box 3-systeem, waarin jarenlang werd gerekend met fictieve rendementen. Dat oude systeem liep juridisch vast, onder meer door het Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.
Critici erkennen vaak dat het oude stelsel problematisch was, maar waarschuwen dat het nieuwe systeem een ander groot probleem introduceert. De overheid kan straks belasting heffen over winst die alleen op papier bestaat. Een belegger heeft die winst dan nog niet ontvangen, maar moet mogelijk wel al belasting betalen.
De kern van de kritiek
De kritiek op de nieuwe box 3-wet draait niet alleen om de hoogte van het tarief. Het gaat vooral om het moment waarop de belasting wordt geheven. Wie belasting moet betalen over ongerealiseerde waardestijging, moet geld afdragen voordat de winst daadwerkelijk is binnengekomen.
Dat kan vooral voor langetermijnbeleggers zwaar wegen. Geld dat jaarlijks uit een portefeuille wordt gehaald om belasting te betalen, kan daarna niet meer renderen. Het doet niet meer mee in dividend, koerswinst en samengestelde groei. Daarmee raakt de vermogensaanwasbelasting direct aan het rente-op-rente-effect.
Dat effect is voor beleggers geen detail. Wie vermogen over tientallen jaren opbouwt, weet dat het grootste deel van de groei vaak ontstaat doordat rendement opnieuw wordt belegd. Als de overheid onderweg steeds een deel van het vermogen afroomt, wordt dat toekomstige rendement kleiner.
Jacobs’ eigen CPB-onderzoek uit 2013
Juist op dit punt wordt Jacobs’ huidige houding interessant. In 2013 publiceerde hij samen met Egbert Jongen en Floris Zoutman de CPB-studie Over de top. Die studie ging over het opbrengstmaximaliserende toptarief in de inkomstenbelasting.
De conclusie was duidelijk. Het toenmalige toptarief van 52 procent lag volgens de onderzoekers al boven het niveau waarbij de belastingopbrengst maximaal zou zijn. Dat opbrengstmaximaliserende tarief werd geschat op ongeveer 49 procent. Een verdere verhoging van het toptarief zou daardoor waarschijnlijk niet meer, maar juist minder belasting opleveren.
De verklaring daarvoor was dat mensen reageren op belastingen. Bij hogere tarieven kunnen zij minder gaan werken, inkomen anders structureren, belasting ontwijken of activiteiten verplaatsen. Daardoor wordt de grondslag waarover belasting wordt geheven kleiner.
Dat was in 2013 geen emotioneel argument, maar een economische analyse. Het uitgangspunt was helder: belastingheffing heeft gedragseffecten. Wie tarieven verhoogt, kan niet zomaar aannemen dat de opbrengst evenredig meestijgt.
Jacobs wuift de box 3-kritiek weg, terwijl zijn eigen CPB-onderzoek juist laat zien dat hoge belastingen gedrag veranderen en de opbrengst kunnen ondermijnen:

Waarom dat schuurt met het box 3-debat
De studie uit 2013 ging over box 1 en niet over box 3. Dat verschil is belangrijk. Inkomstenbelasting op arbeid is niet hetzelfde als belasting op vermogen. Toch is het onderliggende mechanisme vergelijkbaar.
Ook bij vermogen reageren mensen op belastingdruk. Beleggers kunnen hun portefeuille aanpassen, minder risico nemen, vermogen verplaatsen of kiezen voor structuren waarin belasting later of anders wordt geheven. Ondernemers en vermogende huishoudens kunnen Nederland fiscaal minder aantrekkelijk gaan vinden.
Daarom is het te makkelijk om zorgen over box 3 weg te zetten als hysterie of als een spookverhaal. De vraag of een vermogensaanwasbelasting gedragsreacties oproept, is geen vreemde vraag. Het is juist een vraag die aansluit bij het economische inzicht dat Jacobs zelf eerder hielp onderbouwen.
Zijn eigen onderzoek uit 2013 liet zien dat hoge belastingdruk niet alleen een morele of politieke kwestie is, maar ook een economische. Belastingen veranderen keuzes. Dat geldt voor arbeid, maar het kan ook gelden voor vermogen.
Werkelijk rendement is niet altijd gerealiseerd rendement
Voorstanders van de nieuwe box 3-wet spreken vaak over belasting op werkelijk rendement. Dat klinkt redelijk, zeker na jaren waarin burgers werden aangeslagen op basis van fictieve rendementen die zij soms helemaal niet hadden behaald.
Toch zit hier een belangrijk onderscheid. Werkelijk rendement is niet altijd hetzelfde als gerealiseerd rendement. Een aandeel kan in een jaar stijgen, waardoor op papier winst ontstaat. Als de belegger niet verkoopt, heeft hij die winst nog niet ontvangen. Onder de hoofdregel van de nieuwe box 3 kan die waardestijging toch worden belast.
In een later jaar kan dezelfde belegging weer dalen. Verliesverrekening kan dan een deel van het probleem verzachten, maar zij neemt het liquiditeitsprobleem niet volledig weg. De belasting moet namelijk worden betaald op het moment dat de aanslag komt, terwijl de winst op dat moment nog steeds alleen op papier kan bestaan.
Dat maakt het nieuwe stelsel gevoelig voor situaties waarin burgers belasting moeten betalen zonder dat daar direct beschikbaar geld tegenover staat. Voor grote beleggers kan dat soms worden opgelost door een deel van de portefeuille te verkopen. Voor kleinere beleggers, ondernemers of mensen met minder liquide vermogen kan dat ingrijpender zijn.
Het rente-op-rente-effect is geen spookverhaal
De zorg over het rente-op-rente-effect is eenvoudig te begrijpen. Stel dat een belegger jaarlijks belasting betaalt uit zijn beleggingsvermogen. Dan wordt de portefeuille kleiner dan zij zonder die belasting zou zijn geweest. Over dat lagere bedrag wordt in de jaren daarna ook minder rendement behaald.
Op korte termijn lijkt dat misschien beperkt. Op lange termijn kan het verschil groot worden. Een euro die vandaag uit de portefeuille verdwijnt, mist niet alleen het rendement van dit jaar, maar ook het rendement op dat rendement in alle jaren daarna.
Daarom kijken beleggers zo kritisch naar belastingheffing tijdens de opbouwfase. Het gaat niet alleen om de belasting van vandaag. Het gaat ook om het toekomstige rendement dat daardoor nooit meer ontstaat.
Wie dit punt benoemt, beweert niet dat vermogen nooit belast mag worden. De kritiek is specifieker. Zij richt zich op een stelsel waarin de overheid jaarlijks afrekent over waardestijgingen die nog niet zijn verzilverd.

De bredere vraag achter box 3
Het debat over box 3 wordt vaak gevoerd alsof het vooral een technische keuze is. Moet Nederland kiezen voor een forfaitair stelsel, een vermogenswinstbelasting of een vermogensaanwasbelasting? Die technische vragen zijn belangrijk, maar daarachter ligt een grotere vraag.
Hoe ver mag de overheid gaan in het belasten van vermogen dat nog niet is verzilverd? En hoeveel ruimte blijft er over voor burgers om zelfstandig vermogen op te bouwen?
Voor beleggers is vermogen geen abstract begrip. Het gaat om pensioenopbouw, financiële vrijheid, ondernemingsvermogen, buffers en nalatenschap. Een stelsel dat jaarlijks ingrijpt in die opbouw raakt dus meer dan alleen een spreadsheet van de Belastingdienst.
Daarom verdient de kritiek op de nieuwe box 3-wet een serieuze behandeling. Niet iedere tegenwerping is overtuigend, maar het is onjuist om de zorgen bij voorbaat weg te zetten als irrationeel.
Jacobs zou de kritiek serieuzer moeten nemen
Zijn eigen CPB-onderzoek uit 2013 liet zien dat belastingdruk gedrag verandert. Toen ging het om het toptarief in de inkomstenbelasting. Nu gaat het om vermogen. De context is anders, maar de economische les blijft relevant.
Als hoge belastingen op arbeid kunnen leiden tot ontwijking, gedragsaanpassing en lagere opbrengsten, dan is het niet vreemd om dezelfde vraag te stellen bij hoge belastingdruk op vermogen. Ook kapitaal zoekt immers de weg van de minste weerstand.
Conclusie
Bas Jacobs hoeft zijn steun voor de nieuwe box 3-wet niet in te trekken. Maar hij zou wel moeten erkennen dat de kritiek op een vermogensaanwasbelasting serieuzer is dan hij suggereert.
Wie in 2013 waarschuwde dat hoge belastingen gedrag veranderen en de opbrengst kunnen ondermijnen, kan in 2026 moeilijk doen alsof vergelijkbare zorgen bij vermogen nauwelijks relevant zijn. De belastingsoort is anders, maar het mechanisme is bekend.
De kernvraag is niet of box 3 hervormd moet worden. Dat moet wel. De vraag is of Nederland kiest voor een stelsel dat gerealiseerd rendement belast, of voor een systeem waarin de overheid jaarlijks alvast afrekent over vermogen dat de burger nog niet heeft verzilverd.
Voor beleggers is dat geen spookverhaal. Het is een fundamentele keuze tussen vermogen opbouwen en vermogen onderweg laten afromen.
Advertorial
Het debat over de nieuwe box 3-wet raakt direct aan de manier waarop burgers vermogen opbouwen, beleggen en buffers aanhouden. Juist wanneer belastingregels veranderen en het effect op rendement en liquiditeit onzeker blijft, kan het relevant zijn om een deel van het vermogen tijdelijk flexibel te parkeren tegen een vooraf bekende rente.
Raisin RenteBoost is een tijdelijke actie waarbij je op een vrij opneembare Duitse spaarrekening de eerste 3 maanden lang een gegarandeerde rente van 2,85% p.j. krijgt, beschermd onder het Europese garantiestelsel. Je spaargeld blijft dagelijks opvraagbaar en je kunt vrij storten en opnemen. Na deze periode kun je via één Raisin-account verder sparen bij meer dan 50 Europese banken, met actuele variabele rentes tot 1,96% p.j., of kiezen voor spaardeposito’s met looptijden van één maand tot tien jaar en rentes tot 3,42% p.j.






































































































































