top of page

Achter de samensmelting van Vivera en The Vegetarian Butcher schuilt een klant die minder vleesvervangers koopt

1 uur geleden
6 minuten om te lezen

In het kort

The Vegetarian Butcher en Vivera zoeken onder dezelfde eigenaar meer schaal voor plantaardige voeding. Dat kan productie en distributie goedkoper maken, maar groei ontstaat pas als consumenten de producten blijven kopen. Nederlandse winkeldata over 2025 laten nog een daling van vleesvervangers zien, terwijl tofu, tempeh en seitan juist groeiden. Het economische vraagstuk draait daarom om prijs, herhaalaankopen en kostendekking, niet alleen om de omvang van de moedermaatschappij.


Een plantaardig merk binnen een grote vleesgroep lijkt een tegenstelling. Economisch is het ook een kans: bestaande distributie, inkoop en toegang tot kapitaal kunnen helpen om een klein alternatief op grotere schaal beschikbaar te maken. Maar een grote eigenaar kan geen structurele consumentenvraag bestellen. Die moet worden verdiend met producten waarvoor de koper terugkomt.


Vivera kondigde in maart 2025 aan The Vegetarian Butcher te willen overnemen van Unilever. In die aankondiging stonden afrondingsvoorwaarden; het was toen dus nog geen afgeronde transactie. De huidige bedrijfsgeschiedenis van Vivera beschrijft de samenvoeging in 2025. Vivera behoort sinds 2021 tot JBS. De economische vraag achter The Vegetarian Butcher Collective is wat deze combinatie met de kostprijs en de vraag kan doen.


De ambitie om meer plantaardig te eten is niet hetzelfde als bewezen groei van ieder vleesalternatief. Evenmin bewijst een sterk kwartaal bij één merk dat de hele markt herstelt. Voor die conclusie zijn recente cijfers nodig die dezelfde categorieën, verkooppunten en perioden vergelijken. De laatste hier gecontroleerde volledige Nederlandse jaaranalyse betreft 2025.



De koper maakt onderscheid tussen plantaardige producten

GFI Europe analyseerde Circana-winkeldata en rapporteerde voor 2025 een Nederlandse volumedaling van 10,7 procent bij plantaardige vleesalternatieven. De omzet daalde met 10,5 procent naar €108,1 miljoen. Tofu, tempeh en seitan lieten juist 27,1 procent volumegroei zien. GFI bevordert alternatieve eiwitten; de organisatie is dus ook belanghebbende bij de ontwikkeling van deze markt.


Deze gegevens rechtvaardigen geen uitspraak over een al vaststaand marktherstel in heel 2026. Ze laten wel zien waarom een brede categorie als plantaardig te weinig zegt. Een consument kan minder merkburgers kopen en vaker tofu bereiden. De ene fabrikant verliest dan volume terwijl een andere productgroep groeit, zonder dat de consument zijn voorkeur voor plantaardige maaltijden opgeeft.


Voor een merkproducent is het onderscheid tussen categorieontwikkeling en eigen marktaandeel beslissend. Omzet kan stijgen doordat het merk nieuwe winkels binnenkomt, doordat prijzen stijgen of doordat meer verpakkingen worden verkocht. Alleen het laatste is directe volumegroei. En als die verpakkingen vooral met korting weggaan, kan omzetgroei samengaan met een lagere bijdrage aan de vaste kosten.


De oorspronkelijke merkbelofte draaide al om smaak, herkenbaarheid en de ervaring van vlees eten. Een terugblik van CLICKNL uit 2019 beschrijft de rol van medeoprichter Niko Koffeman bij die positionering. Dat verklaart waarom gemak en merkbeleving naast voedingsingrediënten onderdeel zijn van de prijsvergelijking.


Een overname verandert deze rekensom niet, maar kan wel de omstandigheden verbeteren. Productontwikkeling hoeft mogelijk niet meer dubbel te worden georganiseerd. Een gezamenlijke verkoper kan meer producten aanbieden aan dezelfde supermarkt of cateraar. Daar staan integratiekosten tegenover. Verschillende fabrieken, recepten en merken passen niet automatisch zonder extra werk op elkaar.


Een volle productielijn verdeelt dezelfde vaste kosten beter

Het schaalvoordeel is het duidelijkst bij vaste kosten. Denk in een rekenvoorbeeld aan ontwikkeling, kwaliteitscontrole en een deel van de fabriekskosten. Als die jaarlijkse kosten €10 miljoen bedragen en de productie 2 miljoen kilo is, rust op iedere kilo €5 aan vaste kosten. Met daarnaast €3 variabele kosten bedraagt de totale kostprijs €8 per kilo.


Verdubbelt de productie naar 4 miljoen kilo zonder extra vaste kosten, dan daalt dat vaste aandeel naar €2,50. De totale kostprijs wordt €5,50. Dat is €2,50 minder per kilo, of ongeveer 31 procent lager. Het is geen schatting van de echte kosten van Vivera of The Vegetarian Butcher. Het voorbeeld is bedoeld om zichtbaar te maken waarom bezetting economisch zo belangrijk is.



De voorwaarde is zwaar: de capaciteit moet die verdubbeling kunnen verwerken. Zijn een nieuwe lijn, een groter magazijn en extra kwaliteitsmedewerkers nodig, dan stijgen ook de vaste kosten. Bovendien zijn geproduceerde kilo’s pas waardevol als ze worden verkocht. Voorraad opbouwen zonder kopers maakt de fabriek op papier drukker, maar verbetert de kasstroom niet.


Voor JBS kan een plantaardige activiteit ook kennis opleveren over een andere consumentenvraag. Dat is een mogelijke strategische waarde, geen bewijs dat iedere investering rendeert. Het relevante bewijs bestaat uit een lagere kostprijs bij vergelijkbare kwaliteit, meer terugkerende kopers en een bijdrage die ook zonder voortdurende promoties positief blijft.


Goedkoper plantaardig eten hoeft geen merkburger te zijn

In dezelfde Nederlandse analyse kostte huismerktofu gemiddeld €5,11 per kilo, tegenover €15,91 voor de genoemde categorie plantaardige merkvleesalternatieven. Dit zijn categorieprijzen uit 2025, geen actuele winkeloffertes en geen producten met identieke samenstelling. Ze illustreren dat een consument binnen plantaardig al verschillende prijsniveaus tegenkomt.


Neem een huishouden dat voor twee personen per maaltijd samen 200 gram gebruikt, drie keer per week. Dat is 0,6 kilo per week. Tegen €15,91 kost die hoeveelheid €9,55; tegen €5,11 ongeveer €3,07. Het verschil is €6,48 per week, of circa €337 bij 52 weken. De rekensom vergelijkt hetzelfde gewicht, niet dezelfde voedingswaarde, bereidingstijd of smaak.



Voor een druk huishouden kan gemak een hogere prijs rechtvaardigen. Voor een huishouden met weinig financiële ruimte kan prijs zwaarder wegen. Voor een cateraar tellen daarnaast houdbaarheid, bereidingsverlies en voorspelbaarheid. Het is daarom te simpel om één gemiddelde kiloprijs als de prijs van de eiwittransitie te presenteren.


De economische uitdaging voor een merk is scherper. Het concurreert niet alleen met vlees, maar ook met andere plantaardige manieren om een maaltijd samen te stellen. Een verhaal over duurzaamheid kan de vraag ondersteunen, maar ontslaat de producent niet van die vergelijking. Als een koper goedkoper plantaardig kan koken, moet de meerprijs van een merkproduct voldoende extra waarde bieden.


Dat is geen voedingsadvies. Een vergelijking van voedingspatronen vraagt gegevens over de volledige maaltijd en het gehele dieet. Uitspraken over eiwitten, vezels en gezondheid worden hier niet uit een verkoopcijfer afgeleid. Een voedselbedrijf kan commercieel groeien met een handig product, terwijl het gezondheidsvraagstuk afzonderlijke onderbouwing nodig heeft.


Hoeveel extra verkoop moet een prijsverlaging opleveren

Lagere prijzen kunnen meer kopers aantrekken. Maar de vereiste volumegroei wordt gemakkelijk onderschat wanneer alleen naar omzet wordt gekeken. De belangrijkste vraag is hoeveel extra stuks nodig zijn om dezelfde bijdrage aan de vaste kosten over te houden.


Neem een fictieve producent die een verpakking voor €3 verkoopt aan de volgende schakel. De variabele kosten zijn €2. Per verpakking blijft €1 over voor vaste kosten en winst. Verlaagt de producent zijn prijs met 10 procent naar €2,70, dan resteert nog €0,70. Om dezelfde totale bijdrage te behouden, moet het volume worden vermenigvuldigd met €1 gedeeld door €0,70. Er zijn 42,9 procent meer verpakkingen nodig.



Die berekening gebruikt producentenprijzen exclusief btw en is geen reconstructie van een supermarktmarge. Ook veronderstelt zij dat variabele kosten en vaste capaciteit gelijk blijven. Daalt de inkoopprijs door schaal, dan kan de benodigde groei lager uitvallen. Moet de producent extra capaciteit bouwen of betaalt hij de promotie van de winkel mee, dan kan zij juist hoger worden.


Hier ligt de verbinding tussen samenvoeging en consumentenprijs. Een blijvende kostendaling maakt prijsverlaging minder afhankelijk van steeds grotere verkoopvolumes. Een korting zonder kostendaling moet zich vooral terugverdienen via extra vraag. De benodigde prijsgevoeligheid kan worden uitgerekend, maar mag niet worden verondersteld omdat groei gewenst is.


De komende drie jaar moeten groei en marge tegelijk laten zien

Onze scenario’s voor 2027 tot en met 2029 beginnen bij een volledig fictieve producent met 2 miljoen kilo jaarlijkse afzet, €8 opbrengst per kilo, €3 variabele kosten en €10 miljoen vaste kosten. Het startresultaat is dan nul. We vergelijken het bedrijfsresultaat vóór rente en belasting; investeringen, werkkapitaal en financiering zijn niet gemodelleerd.


Bij zwakke vraag daalt het volume ieder jaar 5 procent en blijft de prijs gelijk. In het basisscenario groeit het volume jaarlijks 3 procent bij een gelijke prijs. Bij schaalgroei neemt het volume jaarlijks 10 procent toe en daalt de prijs ieder jaar 2 procent. Dat laatste combineert dus een voordeel voor de koper met een hogere verkoopeis aan de fabrikant.



In het basisscenario stijgt het jaarlijkse resultaat van ongeveer €0,3 miljoen in 2027 naar €0,6 miljoen in 2028 en €0,9 miljoen in 2029. Het is een transparante gevoeligheid, geen verwachting voor de combinatie. Bij schaalgroei kan de producent meer ruimte verdienen én goedkoper worden, maar alleen binnen de veronderstelde capaciteit. De module laat ook zien hoe snel volumeverlies die rekensom omdraait.


De sterkste tegenwerping tegen scepsis is dat de bundeling precies de beperkingen van een kleine categorie kan verminderen. Distributie en kostprijs zijn reële obstakels; een grotere organisatie kan daarin investeren. De Nederlandse cijfers over 2025 sluiten herstel daarna niet uit. Ze maken alleen duidelijk dat zo’n herstel moet worden aangetoond, liefst met volumes, herhaalaankopen en marges in plaats van uitsluitend omzetgroei.


Het oordeel is daarmee concreet. De combinatie heeft een economische route naar betaalbaarder plantaardig voedsel, maar schaal is pas een voordeel wanneer ze verkochte kilo’s goedkoper maakt. Nieuwe cijfers waaruit tegelijk structurele volumegroei en een houdbare bijdrage per product blijken, zouden het vertrouwen versterken. De omvang van de eigenaar op zichzelf doet dat niet.



Omslag: Niko Koffeman, medeoprichter van De Vegetarische Slager. Archiefbeeld, opnamedatum onbekend, uiterlijk 2012 beschikbaar. Bron Partij voor de Dieren via Wikimedia Commons; fotograaf niet vermeld, vrij gebruik door rechthebbende toegestaan en door Commons gecontroleerd.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

Copyright © 2026 •

Alle rechten voorbehouden - Amsterdam - 0619930051

Disclaimer
Let op: Beleggen brengt risico's met zich mee. Je kan (een deel van) je inleg verliezen. Niets hier mag worden beschouwd als financieel advies.. Voor advies over je persoonlijke situatie kun je het beste een adviseur inschakelen.

  • Instagram
  • Twitter
  • LinkedIn
  • YouTube
bottom of page