Er kruipt een addertje door de rustige arbeidsmarkt en het heet gedwongen vertrek
In het kort
Nederlanders verlieten in 2025 minder vaak hun baan dan in 2022, maar bedrijfseconomische redenen en arbeidsconflicten vormden een groter aandeel van het vertrek. Dat is een andere ontwikkeling dan een algemene ontslagexplosie. Voor een getroffen huishouden bepaalt vooral de tijd tot voldoende nieuw inkomen hoe groot de financiële schade wordt. De belangrijkste graadmeter is daarom niet alleen het aantal beëindigde contracten, maar ook wat mensen daarna gaan verdienen.
Een lager aantal vertrekkende werknemers kan op een rustige arbeidsmarkt wijzen. Het kan ook betekenen dat minder mensen een aantrekkelijk alternatief vinden en daarom blijven zitten. Die twee verklaringen hebben economisch bijna tegenovergestelde gevolgen. Minder verloop bespaart werkgevers wervingskosten, terwijl minder vrijwillige overstappen de onderhandelingsruimte van werknemers kan beperken.
De nieuwe CBS-publicatie van 24 september laat precies die spanning zien. Gemiddeld vertrokken in 2025 per kwartaal 618.000 werknemers van 15 tot 75 jaar, tegenover 677.000 in 2022. Binnen het vertrek steeg het aandeel bedrijfseconomische redenen of arbeidsconflicten van 4,9 naar 8,1 procent. Het aandeel vertrek voor een nieuwe baan of eigen bedrijf zakte van 42,3 naar 37,7 procent. Dit zijn aandelen binnen de vertrekkende groep, geen ontslagkansen voor alle werknemers.
Achter minder vertrek kan meer kwetsbaarheid schuilgaan
De vergelijking met 2022 vraagt om terughoudendheid. Dat was volgens het CBS een jaar met uitzonderlijk lage werkloosheid. Het is dus een stevige uitgangspositie om latere jaren tegen af te zetten. Een verslechtering ten opzichte van een uitzonderlijk gunstig jaar is nog geen bewijs dat de hele arbeidsmarkt vastloopt. Het bericht gaat bovendien over 2025. De publicatiedatum maakt het geen meting van september 2026.
Een afzonderlijk signaal komt van het UWV. In 2025 meldden 355 bedrijven een voorgenomen reorganisatie onder de Wet melding collectief ontslag, 42 procent meer dan in 2024. Daarbij waren bijna 25.000 werknemers betrokken. Tegelijk daalde het aantal werknemers dat werd geraakt door bedrijven die hun lonen niet meer konden betalen. Reorganiseren en failliet gaan zijn dus verschillende processen.
Een bedrijf kan personeel verminderen terwijl het winst maakt. Het kan activiteiten samenvoegen, een productielijn verplaatsen of een nieuwe werkwijze invoeren. Kostenreductie is dan een keuze over toekomstige rentabiliteit. Bij een faillissement staat het voortbestaan van de onderneming zelf ter discussie. Voor werknemers kan het resultaat vergelijkbaar zijn, maar de mogelijkheden voor herplaatsing, begeleiding en een ordelijke overgang hoeven dat niet te zijn.
De cijfers bewijzen niet welk deel door automatisering, buitenlandse concurrentie of zwakke vraag wordt veroorzaakt. Wie ieder verdwenen kantoorberoep aan AI toeschrijft, verwart een mogelijke verklaring met aangetoonde causaliteit. Daarvoor zijn gegevens nodig over functies, investeringen, productie en de gekozen reorganisatie. Het economische mechanisme is plausibel; de omvang ervan blijft met deze publicatie onbekend.
De arbeidsmarkt moet ook de juiste match opleveren
Een vacature is geen vervangend salaris. Eerst moeten beroep, ervaring, uren, locatie en beloning voldoende aansluiten. Een administratief medewerker kan niet onmiddellijk een technisch specialist vervangen. Zelfs wanneer omscholing mogelijk is, kost die overgang tijd. Dat is waarom vacatures en mensen zonder werk naast elkaar kunnen bestaan zonder dat één van beide statistieken onjuist is.
De CBS-verdeling maakt een tweede onderscheid noodzakelijk. In het kwartaal na bedrijfseconomisch ontslag werkte afgerond 53 procent niet. Daarbinnen viel ongeveer 32 procent onder de werkloze beroepsbevolking en 21 procent buiten de beroepsbevolking. Niet iedereen zonder werk is dus statistisch werkloos. Studie, gezondheid of het niet beschikbaar zijn voor werk kunnen de interpretatie veranderen; de cijfers leveren geen individuele verklaring.
Economisch telt vervolgens de kwaliteit van het nieuwe werk. Een baan met minder uren kan het aantal werkenden herstellen terwijl het huishoudinkomen achterblijft. Een vergelijkbaar salaris met aanzienlijk langere reistijd kan eveneens een verslechtering betekenen. Het omgekeerde bestaat ook: een overstap naar een productiever bedrijf kan op termijn meer opleveren dan de oude functie. Alleen tellen hoeveel mensen weer werken vangt beide uitkomsten onvoldoende.
Voor de werkgever aan de ontvangende kant biedt een reorganisatie elders kansen. Er komt ervaring beschikbaar die eerder moeilijk te werven was. Wanneer die mensen snel terechtkomen op plekken waar hun vaardigheden meer opleveren, verbetert de verdeling van arbeid. Wanneer kennis verloren gaat door langdurige inactiviteit, gaat dezelfde aanpassing gepaard met maatschappelijke schade. De snelheid en kwaliteit van de match bepalen het verschil.
Een inkomensgat van enkele maanden stapelt snel op
Neem een expliciet fictief huishouden dat vóór baanverlies netto €3.000 per maand ontvangt. Tijdens de overgang is het totale netto inkomen €2.100 en bedragen de noodzakelijke maanduitgaven €2.500. Die €2.100 is een gekozen rekenbedrag, geen berekening van WW of een andere wettelijke aanspraak. Belastingen, toeslagen, partnerinkomen en persoonlijke rechten moeten in een echte begroting afzonderlijk worden vastgesteld.
Het inkomensverlies is €3.000 min €2.100, dus €900 per maand. Over zes maanden ontbreekt €5.400 ten opzichte van doorwerken. Maar het bedrag dat uit spaargeld moet komen is kleiner: €2.500 aan uitgaven min €2.100 aan inkomen is €400 per maand, oftewel €2.400 in zes maanden. Inkomensverlies en bufferverbruik zijn verschillende bedragen.
Dat onderscheid voorkomt overschatting én onderschatting. Een huishouden dat eerder veel spaarde, kan tijdelijk vooral zijn vermogensopbouw zien wegvallen. Een huishouden waarvan vrijwel het hele salaris al opging aan noodzakelijke uitgaven, moet sneller op reserves terugvallen. Dezelfde salarisdaling heeft daardoor niet dezelfde gevolgen voor wonen, mobiliteit en dagelijkse aankopen.
De interactieve rekening vergelijkt drie voorbeeldbudgetten. Bij hetzelfde tijdelijke inkomen van €2.100 leidt een uitgavenniveau van €2.000 niet tot bufferverbruik. Bij €2.500 verdwijnt €400 per maand en bij €3.200 is dat €1.100. Deze profielen beschrijven geen inkomensgroepen uit een enquête. Ze laten zien waarom vaste verplichtingen minstens zo belangrijk zijn als het oude salaris.
Reken terug vanuit de tijd die je wilt overbruggen
Met €6.000 beschikbaar spaargeld en een tekort van €400 per maand bedraagt de eenvoudige overbruggingsduur vijftien maanden. Dat volgt uit €6.000 gedeeld door €400. Het is geen garantie: een onverwachte reparatie, eindigende inkomensondersteuning of veranderende woonlasten kan die periode verkorten. Een buffer is bovendien alleen bruikbaar wanneer het geld daadwerkelijk beschikbaar is.
De omgekeerde vraag is vaak nuttiger. Welk netto maandinkomen is minimaal nodig om twaalf maanden te overbruggen zonder meer dan €6.000 te gebruiken? De toegestane onttrekking is €500 per maand. Bij €2.500 aan noodzakelijke uitgaven komt de benodigde inkomensvloer uit op €2.000. Dat is een budgetgrens, geen uitspraak over welk salaris iemand moet accepteren.
Bij die keuze horen ook toekomstige gevolgen. Een nieuwe baan kan direct de buffer beschermen maar weinig ontwikkelmogelijkheden bieden. Langer zoeken kan een betere match opleveren, maar verbruikt zekerheid. Zonder informatie over arbeidskansen is er geen universeel optimaal antwoord. Wel kan een concrete inkomensvloer voorkomen dat iemand een besluit neemt op basis van alleen het oude salaris.
De duur van de overgang bepaalt het eerste jaar
Voor deze analyse vergelijken we oktober 2026 tot en met september 2027. Een driejarige arbeidsmarktprognose zou hier schijnzekerheid geven: de CBS-meting bevat geen basis om persoonlijke werkhervatting zo ver vooruit te voorspellen. De scenario’s zijn daarom begrotingsvoorbeelden voor twaalf maanden, met een constant prijsniveau en dezelfde €2.500 maanduitgaven.
Bij snelle aansluiting duurt het tijdelijke inkomen van €2.100 drie maanden, gevolgd door negen maanden €3.000. Het jaarinkomen wordt €33.300, een achterstand van €2.700 op twaalf maanden doorwerken. In het basisscenario duurt de overgang zes maanden en wordt het nieuwe netto maandinkomen €2.850. Dan resteert €29.700 en bedraagt de achterstand €6.300. Bij trage aansluiting duurt de overgang negen maanden en volgt drie maanden €2.700: €27.000 inkomen en €9.000 achterstand.
De combinatie van langere zoektijd en lager nieuw inkomen is een bewuste scenarioaanname, geen gemeten wetmatigheid. De buffer laat nog iets anders zien. Met €6.000 aan het begin bedraagt het laagste saldo respectievelijk €4.800, €3.600 en €2.400. De eindsaldi worden €9.300, €5.700 en €3.000. Wie alleen naar het eindsaldo kijkt, mist dus hoeveel liquiditeit onderweg nodig is.
Het sterkste tegenargument tegen een sombere lezing is dat reorganisaties juist ruimte kunnen maken voor productiviteitsgroei en nieuwe banen. Dat is economisch overtuigend wanneer werknemers snel naar productievere activiteiten gaan. De UWV-publicatie wijst ook op herplaatsing en de ondersteunende rol van arbeidsmarktkrapte. Een baan die verdwijnt is niet automatisch permanent verloren productiecapaciteit.
Ons oordeel blijft daarom gericht. De cijfers wijzen op een minder gunstige samenstelling van vertrek, niet op een bewezen algehele arbeidsmarktcrisis. Voor huishoudens zit het grootste risico in een langere periode met onvoldoende inkomen, gevolgd door een zwakker betaald herstel. Een duidelijke verbetering van werkhervatting, uren en loon na gedwongen vertrek zou dat oordeel verzachten. Alleen een lager totaal aantal vertrekkers is daarvoor onvoldoende.
Omslag: arbeidsmarkteconoom Christopher Pissarides, Stockholm, 7 december 2010. Archiefbeeld. Foto: Holger Motzkau, Wikipedia/Wikimedia Commons. Bestaande uitsnede; CC BY-SA 3.0. Bronfoto.








































































































































Opmerkingen