Vanguards S&P 500-ETF leunt op een kleine kopgroep
In het kort
VUSA geeft toegang tot een brede Amerikaanse aandelenportefeuille, maar tien beurslijnen vormden op 31 augustus samen ongeveer 37,8% van het fonds. Dat maakt de winstontwikkeling van een kleine kopgroep belangrijker dan het aantal aandelen doet vermoeden. Bij de slotkoers van €132,523 op 12 oktober vraagt een behoorlijk rendement zowel verdere winstgroei als een waardering die niet te veel terugloopt. De lage fondskosten lossen concentratie en valutarisico niet op.
Wie een S&P 500-ETF koopt, hoeft niet te kiezen welke Amerikaanse onderneming volgend jaar de winnaar wordt. Dat is een groot praktisch voordeel. Alleen betekent honderden aandelen bezitten niet dat al die bedrijven ongeveer evenveel invloed hebben. Een tegenvaller bij een van de grootste posities kan meer bewegen dan uitstekend nieuws bij tientallen kleinere ondernemingen samen.
De vraag voor VUSA is daarom niet uitsluitend of Amerikaanse bedrijven blijven groeien. Het gaat ook om welke bedrijven die groei leveren, hoeveel de belegger daarvoor betaalt en wat er gebeurt als de rest van de index het stokje moet overnemen. Juist nu de kopgroep zwaar weegt, verdient die verdeling meer aandacht dan het etiket breed gespreid.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De omvang van een positie telt zwaarder dan het aantal namen
We kijken hier naar VUSA Dist op Euronext Amsterdam, ISIN IE00B3XXRP09. Dit is de Ierse, fysiek replicerende UCITS-ETF met kwartaaluitkeringen, niet een accumulerende variant. De handelsvaluta is euro; de basisvaluta is dollar. Volgens de fondsgegevens van Vanguard bedroegen de lopende kosten 0,07% en bevatte de portefeuille op 31 augustus 504 effecten.
In diezelfde momentopname waren NVIDIA, Apple en Microsoft samen ongeveer 20,8% van de portefeuille. De tien grootste beurslijnen kwamen op 37,8%. Beurslijnen is hier een bewuste omschrijving: Alphabet komt met twee aandelenklassen in die top tien voor. Dat zijn geen twee onafhankelijke verdienmodellen. Voor het economische risico moeten die posities gezamenlijk worden bekeken.
Een simpele schok maakt de consequentie zichtbaar. Daalt die kopgroep 20%, terwijl alle andere posities gelijk blijven, dan verliest de totale portefeuille ongeveer 7,56%. Dat is geen voorspelling, maar een rekenkundige blootstelling op basis van vaste gewichten. In werkelijkheid veranderen koersen gelijktijdig en bewegen daardoor ook de wegingen.
Concentratie hoeft niet slecht te zijn. Ondernemingen met sterke winsten en grote markten kunnen een zwaar gewicht verdienen. De keerzijde is dat verschillende bedrijfsnamen toch vergelijkbare economische gevoeligheden hebben. Hogere investeringen in AI kunnen bijvoorbeeld tegelijk goed zijn voor chipmakers en druk zetten op de kasstromen van de bedrijven die deze chips kopen. Dat is meer samenhang dan een lijst met losse tickers laat zien.
In Rabi’s analyse van NVIDIA komt juist het verband tussen winstgroei en de prijs van die groei naar voren. Voor een indexbelegger verdwijnt die afweging niet. Hij wordt verdeeld over de posities, met de grootste invloed bij de zwaarste aandelen.
Goedkope uitvoering is iets anders dan een goedkope portefeuille
Een kostenpercentage van 0,07% betekent ongeveer zeven euro jaarlijkse fondskosten op tienduizend euro belegd vermogen, bij een gelijkblijvende waarde. Dat is aantrekkelijk. Maar een portefeuille kan goedkoop worden uitgevoerd en tegelijkertijd duur gewaardeerde ondernemingen bevatten. Fondskosten en koers/winstverhouding beantwoorden twee verschillende vragen: wat kost het beheer, en hoeveel betaal je voor de winst van de bedrijven?
Vanguard rapporteerde voor 31 augustus een portefeuille-K/W van 25,2. Dat is een gedateerde meting, geen actuele K/W voor 13 oktober. De koershistorie van de Amsterdamse beurslijn laat sindsdien een hogere ETF-prijs zien. Daaruit kan niet zonder meer een nieuwe K/W worden berekend: winstschattingen, portefeuillegewichten, dividend en valuta kunnen eveneens veranderen.
Daarom gebruikt het waarderingsmodel 25,2 als expliciet rekenanker en laat de interactieve module ook andere startwaarderingen toe. De huidige koopprijs blijft wel concreet: €132,523, de door Vanguard gemelde beurskoers van 12 oktober. Zo wordt zichtbaar hoe gevoelig de uitkomst is voor een waarderingsaanname die geen live meting pretendeert te zijn.
Stel dat de K/W over drie jaar 23 is, de dollar gelijk blijft en de belegger 7% jaarlijks koersrendement verlangt. Dan is ongeveer 10,4% jaarlijkse winstgroei nodig na rekening te houden met de fondskosten. Dat is meer dan 7%, omdat een lagere waardering een deel van de winstgroei opslokt. Bij een hogere werkelijke start-K/W wordt de benodigde groei nog groter.
De sterkste tegenwerping is dat grote Amerikaanse ondernemingen hun winst jarenlang sneller kunnen laten groeien dan de economie. Internationale omzet, software, schaalvoordelen en hogere productiviteit maken dat mogelijk. Een economie die gematigd groeit, sluit dus sterke bedrijfswinsten niet uit. Maar hogere verwachtingen maken een teleurstelling ook kostbaarder. Een onderneming hoeft niet te krimpen om haar aandeel te laten dalen; minder groei dan verwacht kan voldoende zijn.
De index selecteert niet op de aantrekkelijkste prijs
Een marktgewogen fonds beloont eerdere koerswinnaars met een groter gewicht. Het verkoopt niet automatisch een onderneming omdat de waardering hoog wordt en koopt niet automatisch een achterblijver omdat die goedkoop lijkt. Dat is geen fout in het product. Het is de gekozen methode, met als voordeel dat er weinig actieve beslissingen nodig zijn.
Rabi liet in zijn artikel over de opname van Bloom Energy in de S&P 500 zien waarom indexvraag en fundamentele waarde niet hetzelfde zijn. Voor VUSA is dat onderscheid nuttig: opname in een bekende index is geen verklaring dat de prijs aantrekkelijk is.
Kan een gelijkgewogen portefeuille het concentratieprobleem oplossen? Zij kan de invloed van de grootste aandelen verkleinen, maar voegt andere keuzes toe. Kleinere indexbedrijven krijgen relatief meer gewicht, herbalancering wordt belangrijker en de sectorverdeling verandert. Dat is een andere portefeuille, geen gratis verbetering van dezelfde belegging. Hetzelfde geldt voor een wereldfonds: de Amerikaanse invloed neemt mogelijk af, terwijl andere landen- en valutarisico’s toenemen.
De euro op het koersscherm neemt de dollar niet weg
VUSA wordt in Amsterdam in euro verhandeld, maar die notering beschermt niet tegen veranderingen in de dollar. Als de dollar minder euro’s waard wordt, drukt dat op de europrijs van de dollarportefeuille, bij verder gelijke omstandigheden. Andersom kan een sterkere dollar een deel van een beursdaling opvangen.
Bij 10% jaarlijkse winstgroei, een gelijke K/W en onveranderde valuta komt het rekenvoorbeeld na drie jaar op circa €176,02, exclusief dividend. Laat de dollar jaarlijks in waarde dalen en dezelfde bedrijfsresultaten leveren een lagere eurokoers op. Valuta is daarmee geen voetnoot, maar een tweede bron van rendement en risico.
De bedrijven zelf verdienen bovendien niet uitsluitend dollars. Zij verkopen internationaal en kunnen wisselkoersbewegingen deels verwerken in prijzen en kosten. Het model houdt die bedrijfseffecten binnen de winstgroeiaanname en toont de vertaling naar euro apart. Beide effecten nogmaals als losse toeslag toevoegen zou dezelfde beweging dubbel kunnen tellen.
VUSA keert dividend uit. Dat geld verdwijnt niet uit het beleggersresultaat, maar staat na uitkering niet meer in de ETF-koers. Totaalrendement bestaat daarom uit koersverandering plus ontvangen uitkeringen, eventueel met herbelegging. De onderstaande koersscenario’s tellen dividend niet bij de koers op. Een afzonderlijke voorbeeldvergoeding van 0,9% van de koers aan elk jaarbegin zou extra contante inkomsten opleveren; dat percentage is een aanname, geen toegezegde uitkering.
Drie jaar met verschillende antwoorden van de beurs
De scenario’s rekenen vanaf €132,523 en hebben oktober 2027, 2028 en 2029 als meetmoment. Het bear-scenario combineert 3% jaarlijkse winstgroei met dalende waarderingen en een jaarlijks 4% zwakkere dollar. De mogelijke koersen worden dan €114,32, €102,69 en €96,40. Bedrijfswinsten groeien in dit scenario dus nog steeds, terwijl de belegger koersverlies lijdt.
Het middenscenario gebruikt 10% winstgroei, een stabiele dollar en K/W’s van 25, 24 en 23. Dat geeft €144,52, €152,50 en €160,65. Het gunstige scenario veronderstelt 15% winstgroei, oplopende K/W’s van 27 naar 29 en jaarlijks 2% dollargroei tegenover de euro. De uitkomsten zijn €166,44, €202,32 en €245,62. Alle aannames en de formule staan in de module.
VUSA blijft een eenvoudige manier om in grote Amerikaanse ondernemingen te beleggen. De relevante keuze is niet of 504 effecten voldoende namen zijn. Het is of de belegger de gezamenlijke blootstelling aan de kopgroep, de betaalde winstwaardering en de dollar wil dragen. Wie die drie zaken accepteert, begrijpt beter wat hij koopt. Wie alleen op de lage kosten let, mist waar het grootste deel van de onzekerheid zit.
Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code GRAAG.


































































































































Opmerkingen