Waar komt de beurswinst vandaan na vier jaar bullmarkt?
Archieffoto S&P-hoofdkantoor, mei 2008. Foto: B64 via Wikimedia Commons, CC BY 3.0.
In het kort
De Amerikaanse bullmarkt is op 12 oktober vier jaar oud geworden. Sinds de slotbodem van oktober 2022 is de S&P 500 ruim verdubbeld, terwijl veel afzonderlijke aandelen een heel andere ontwikkeling laten zien. Voor de komende jaren worden winstgroei, rente en de prijs die beleggers voor die winst betalen steeds belangrijker. Een portefeuille die de afgelopen jaren goed heeft gepresteerd, verdient daarom een frisse blik op de verdeling van het risico.
Vier jaar geleden was blijven beleggen voor veel mensen behoorlijk lastig. Inflatie beheerste het nieuws, de rente steeg en aandelen verloren terrein. Wie nu naar de beurs kijkt, ziet een heel ander beeld. De S&P 500, de bekende graadmeter voor grote Amerikaanse bedrijven, staat meer dan twee keer zo hoog als op de slotbodem van 12 oktober 2022. Dat is een mooie mijlpaal, met een nuttige les: een beursherstel begint vaak terwijl de zorgen nog volop aanwezig zijn.
De verjaardag nodigt ook uit om vooruit te kijken. Waar kan het volgende deel van het rendement vandaan komen? Om dat te begrijpen helpt het om de beurs even terug te brengen tot iets eenvoudigs: bedrijven verdienen geld, en beleggers betalen vandaag voor een aandeel in hun toekomstige resultaten.
De verjaardag begint bij een achteraf herkenbare bodem
Een bullmarkt is een langdurige periode van overwegend stijgende aandelenkoersen. Marktcommentatoren gebruiken vaak een stijging van minstens 20% vanaf een eerdere bodem om zo'n periode te herkennen. Het startpunt wordt achteraf vastgesteld. Op de bodem zelf hangt er geen bordje dat het vanaf morgen beter gaat.
In zijn terugblik op de vierde verjaardag rekent MarketWatch vanaf de S&P-slotbodem van 12 oktober 2022, rond 3.577 punten. Voor de vergelijking gebruiken we het afgeronde slot van vrijdag 9 oktober 2026: 7.811 punten, zoals ook het marktverslag van broker eOption vermeldt. Dat geeft ongeveer 118% koerswinst. Het slot van maandag is daarin nog niet meegenomen.
De rekensom is 7.811 gedeeld door 3.577, min één. Omgerekend naar vier jaar is dat ongeveer 21,6% per jaar. Het gaat hier om de prijsindex in dollars. Herbelegde dividenden, fondskosten, belastingen en de euro-dollarverhouding zitten daar niet in. Een Nederlandse belegger met een S&P-fonds hoeft dus geen rendement van precies 118% op zijn rekening te zien.
Een stijgende index kan veel achterblijvers meenemen
De S&P 500 is geen stemming waarin ieder bedrijf één even zware stem krijgt. Volgens de methodologie van S&P Dow Jones Indices wordt de index gewogen naar de beurswaarde van vrij verhandelbare aandelen. Grote ondernemingen bewegen de meter daardoor sterker dan kleine ondernemingen.
Dat wordt zichtbaar in een analyse van Reuters van 12 oktober. Ondanks een indexwinst van ongeveer 14% dit jaar stonden meer dan vier op de tien aandelen in de index lager. De koerswinsten concentreerden zich onder meer bij grote chip- en AI-bedrijven.
Een eenvoudig rekenvoorbeeld maakt het mechanisme duidelijk. Stel dat vijf grote aandelen samen 40% van een portefeuille uitmaken en 25% stijgen. De overige posities wegen samen 60% en dalen 5%. Het resultaat is dan 40% maal 25%, plus 60% maal min 5%: per saldo 7% winst. De portefeuille stijgt, terwijl het grootste deel van het belegde bedrag buiten de winnaars juist terrein verliest. Dit is een illustratie, geen reconstructie van de werkelijke S&P-gewichten.
Voor beleggers biedt die concentratie aanknopingspunten. De grote winnaars kunnen hun succes voortzetten wanneer hun resultaten de verwachtingen blijven waarmaken. Een breder herstel bij andere sectoren zou daarnaast een tweede motor onder de markt zetten. Dan wordt de index minder afhankelijk van een kleine groep ondernemingen.
Winstgroei en waardering werken samen
Een aandeel kan stijgen doordat het bedrijf meer verdient. Het kan ook stijgen doordat beleggers bereid zijn meer te betalen voor iedere euro winst. Dat laatste heet een hogere waardering. In een sterke markt werken beide krachten vaak samen.
Neem een denkbeeldig bedrijf met €5 winst per aandeel. Bij een koers-winstverhouding van 20 kost het aandeel €100. Groeit de winst naar €6 en blijft die verhouding 20, dan volgt een koers van €120. Als beleggers tegelijk 25 keer de winst willen betalen, wordt het €150. Van de koerswinst komt dan een deel uit betere bedrijfsresultaten en een deel uit hogere verwachtingen.
Diezelfde rekensom helpt bij het beoordelen van tegenvallers. Verdient het bedrijf €6, maar betalen beleggers nog 18 keer de winst, dan volgt €108. De onderneming is gegroeid, en toch blijft het koersrendement bescheiden. Wie de verwachtingen in de aankoopprijs begrijpt, kan een kwartaalbericht daardoor beter plaatsen.
Voor de hele markt werkt dit vergelijkbaar, al veranderen de samenstelling en winstbijdragen voortdurend. Productiviteitswinst door AI kan bedrijven helpen meer omzet met dezelfde organisatie te verwerken. Of die verbetering uiteindelijk bij aandeelhouders terechtkomt, hangt ook af van concurrentie, personeelskosten en de investeringen die ervoor nodig zijn.
De rente bepaalt welke prijs aantrekkelijk voelt
Beleggers vergelijken aandelen met alternatieven. Wanneer obligaties een hoger rendement bieden, stijgt vaak ook het rendement dat zij van aandelen verlangen. Daardoor kan de prijs die zij voor dezelfde toekomstige winst willen betalen dalen.
Voor een bedrijf met veel winst in de verre toekomst telt dat extra zwaar. Het verwachte geld moet immers over meer jaren worden teruggerekend naar vandaag. Bij een volwassen onderneming spelen bestaande kasstromen een grotere rol. De gevoeligheid verschilt dus per bedrijf, ook binnen technologie.
Daarnaast raakt rente de bedrijfsvoering. Een onderneming die volgend jaar een lening moet vernieuwen, merkt hogere financieringskosten sneller dan een bedrijf dat zijn schuld nog tien jaar heeft vastgezet. Een gezonde balans geeft ruimte om te investeren wanneer concurrenten moeten besparen. Juist in een gevorderde beursrally wordt die ruimte waardevol.
Daarmee krijgt de verjaardag een praktisch vervolg. Kijk bij de komende cijfers hoe omzetgroei doorwerkt in vrije kasstroom, het geld dat na operationele uitgaven en investeringen overblijft. En kijk hoeveel van die kasstroom beschikbaar is per aandeel. Nieuwe aandelen en aandelenbeloningen verdelen toekomstige resultaten over meer eigenaren.
Wat drie verschillende jaren met een portefeuille doen
Om de orde van grootte zichtbaar te maken gebruiken we een theoretische belegging van €10.000 op 12 oktober 2026. We rekenen met jaarlijkse totaalrendementen van min 5%, plus 6% en plus 12%. Dat zijn redactionele stressscenario's, geen voorspellingen voor de S&P 500. Het rendement is hier inclusief herbelegging, vóór kosten en belasting, met een gelijkblijvende wisselkoers als vereenvoudiging.
In het lage scenario groeit onzekerheid over winsten en betalen beleggers minder voor aandelen. Het middenscenario past bij gematigde groei zonder veel extra enthousiasme. Het hoge scenario veronderstelt dat sterke bedrijfsresultaten de markt blijven dragen. Werkelijke koersen bewegen grilliger dan deze gelijkmatige rekenpaden.
De omgekeerde som is minstens zo bruikbaar. Wie van €10.000 in drie jaar €13.000 wil maken, heeft ongeveer 9,1% per jaar nodig: de derdemachtswortel van 1,3, min één. Bij een hypothetische inflatie van 2,5% bedraagt het bijbehorende reële jaarrendement ongeveer 6,5%. Dat maakt zichtbaar hoeveel groei een persoonlijk doel verlangt, zonder de uitzonderlijke afgelopen vier jaar als vanzelfsprekend uitgangspunt te nemen.
Een geslaagde rally is een goed moment om opnieuw te wegen
Na sterke koersstijgingen verandert een portefeuille vanzelf. Een positie die ooit 10% woog, kan veel groter zijn geworden. Ook verschillende fondsen kunnen dezelfde grote Amerikaanse aandelen bezitten. Meer fondsnamen betekent dan niet automatisch meer spreiding.
Een praktische beoordeling begint bij het doel van het geld. Een buffer voor een verbouwing volgend jaar heeft een andere functie dan vermogen voor over twintig jaar. Daarna volgt de vraag hoeveel verlies tijdelijk te dragen is. Een daling van 20% vraagt vervolgens 25% herstel om op hetzelfde bedrag terug te komen. Die asymmetrie helpt om risico in euro's te bekijken.
De vierde verjaardag verdient dus best een glimlach. Ze laat zien hoeveel herstelkracht ondernemingen en financiële markten kunnen hebben. Voor de volgende fase is de interessantste vraag welke bedrijven hun groei kunnen omzetten in duurzame winst per aandeel, tegen een prijs die ook ruimte laat voor een gewone tegenvaller.
































































































































Opmerkingen