top of page

Trump sluit grondtroepen uit en toch blijft het olierisico

1 dag geleden
5 minuten om te lezen

In het kort

Trumps uitspraken over Iran verminderen de ruimte voor enkele zeer zware escalatiescenario’s, maar vormen geen aankondiging van vrede. Nieuwe conventionele aanvallen blijven volgens zijn eigen woorden mogelijk. Voor beleggers zijn daarom vooral de feitelijke energiestromen, transportkosten en duur van de verstoringen van belang. Een lagere politieke risicopremie helpt pas duurzaam wanneer bedrijven hun grondstoffen ook daadwerkelijk kunnen krijgen tegen beheersbare prijzen.



Wat Trump wel en niet heeft gezegd

Volgens Reuters op 16 oktober zei Donald Trump in een interview met Newsmax op donderdagavond dat hij geen kernwapens tegen Iran zou inzetten en geen Amerikaanse grondtroepen overwoog. Tegelijk hield hij een mogelijke aanval op de locatie Pickaxe Mountain open. Dat onderscheid is belangrijk: het uitsluiten van twee vormen van escalatie betekent niet dat verdere conventionele aanvallen zijn uitgesloten.


Voor de beurs kan een geruststellende formulering voldoende zijn voor een eerste reactie. Mijn bezwaar tegen een al te snelle beleggingsconclusie is dat een uitspraak nog geen verandering in de fysieke levering van energie is. Een tanker vertrekt niet uitsluitend omdat een president een bepaalde militaire optie afwijst. Reders, verzekeraars en afnemers maken hun eigen afweging over veiligheid, kosten en beschikbaarheid.


Ik zie dit daarom als een verandering in mogelijke uitkomsten, niet als bewijs dat het economische risico verdwenen is. Hoe kleiner de kans op een uitzonderlijk zware escalatie, hoe minder extra vergoeding beleggers daarvoor kunnen vragen. Maar een langduriger conflict met beperktere middelen kan nog steeds duur zijn voor de wereldeconomie. Voor bedrijfswinsten telt de opgelopen rekening, niet alleen de ernst van een afzonderlijke kop.

Hormuz is een fysieke beperking

De betekenis van de Straat van Hormuz is groot. De Amerikaanse Energy Information Administration beschreef voor 2024 ongeveer twintig miljoen vaten olie per dag door deze doorgang, ruwweg een vijfde van het mondiale verbruik van vloeibare petroleumproducten. Dat is historische context en nadrukkelijk geen meting van de huidige doorvoer in oktober 2026. Het verklaart wel waarom beleggers veranderingen rond deze route zo scherp volgen.


Het probleem is niet alleen hoeveel olie een land kan produceren. Die olie moet ook bij de afnemer kunnen komen. Extra productiecapaciteit is minder bruikbaar wanneer de uitvoerroute zelf onveilig is. Volgens de IEA-uitleg over Hormuz is juist de ligging van beschikbare capaciteit rond deze doorgang een belangrijk onderdeel van de kwetsbaarheid. Een hoger productiegetal op papier lost een logistiek knelpunt niet direct op.


Daarom let ik liever op daadwerkelijk geladen en aangekomen volumes, verzekeringsvoorwaarden en voorraden dan alleen op de olieprijs van één handelsdag. Een prijs kan dalen omdat het gevaar kleiner wordt, maar ook omdat afnemers minder gaan gebruiken. Het eerste kan gunstig zijn voor economische groei. Het tweede kan wijzen op schade die al is ontstaan. Dezelfde koersbeweging kan dus een heel andere betekenis hebben.

Een hogere olieprijs maakt niet iedere energieproducent rijker

Bij oliebedrijven denken beleggers snel aan meer opbrengst per vat. Voor een producent die veilig kan blijven leveren is dat een logisch eerste effect. Een fictieve productie van één miljoen vaten per dag levert bij $10 hogere verkoopprijs rekenkundig $3,65 miljard extra jaarlijkse omzet op. Dat is vóór belastingen, royalty’s, kosten, prijsverschillen en eventuele hedges, en veronderstelt een volledig jaar zonder volumeverlies.



Wanneer een producent juist minder kan exporteren, kan de prijswinst worden ingehaald door het verlies aan volume. Ook geïntegreerde ondernemingen hebben verschillende belangen. Een hogere grondstofprijs kan gunstig zijn voor winning, terwijl raffinage, chemie en handel met andere marges, werkkapitaalbehoeften en risico’s te maken krijgen. Shell of TotalEnergies uitsluitend beoordelen op de richting van de olieprijs zou die onderlinge verschillen wegpoetsen.


Dat verklaart ook waarom ik een lage koers-winstverhouding bij een energiebedrijf voorzichtig interpreteer. Als de actuele winst tijdelijk hoog is door een uitzonderlijke prijs, ziet het aandeel er goedkoop uit op precies het moment dat de winst het kwetsbaarst is voor normalisatie. Een goede analyse vraagt om winst en vrije kasstroom bij meerdere olieprijzen, inclusief de investeringen die nodig zijn om de productie op peil te houden.


De rekening bij luchtvaart en industrie

Voor een luchtvaartmaatschappij begint het risico bij de brandstofrekening, maar het eindigt daar niet. Een maatschappij kan een deel van haar kosten afdekken, hogere ticketprijzen vragen of capaciteit aanpassen. Hoe snel dat kan, hangt af van contracten en concurrentie. Wanneer reizigers terughoudender worden, kan duurder vliegen de vraag juist verder verzwakken.


Neem een fictieve jaarlijkse brandstofrekening van €5 miljard. Een prijsstijging van 20% zou zonder bescherming €1 miljard extra kosten betekenen. Is de helft voor die periode afgedekt en kan 40% van de resterende stijging worden doorberekend, dan resteert €300 miljoen druk op het operationele resultaat. Dit is een vereenvoudigde gevoeligheid, geen raming voor een luchtvaartmaatschappij. De werkelijke effectiviteit en prijs van afdekking kunnen afwijken.



In energie-intensieve industrie ontstaat een vergelijkbare spanning. Een bedrijf met een uniek product en lange contracten kan hogere kosten mogelijk beter doorgeven dan een producent die concurreert op een wereldmarkt met vaste marktprijzen. Het verschil zit in de onderhandelingsmacht en de timing. Een kostenstijging kan meteen binnenkomen, terwijl de verkoopprijs pas bij een latere contractverlenging verandert.


Voor consumenten betekent een hogere energierekening bovendien minder ruimte voor andere aankopen. Daardoor kan een onderneming zonder groot eigen energieverbruik toch worden geraakt. De tweede ronde van het effect loopt via de vraag van klanten. Dat is een reden om een geopolitieke schok niet uitsluitend als een sectorverhaal voor olie en luchtvaart te behandelen.

Inflatie, rente en de dollar werken mee

Wanneer energie langdurig duurder blijft, moeten centrale banken afwegen hoeveel daarvan doorwerkt in bredere prijzen. Een hogere inflatieverwachting kan de rente en de vereiste vergoeding op aandelen verhogen. Dan krijgt een onderneming mogelijk tegelijk te maken met hogere kosten en een lagere waardering van haar toekomstige winst. Dat dubbele effect maakt een portefeuille gevoeliger dan alleen de directe energieposities suggereren.


Voor een Nederlandse belegger komt daar de dollar bij. Een Amerikaanse belegging die in dollars gelijk blijft, kan in euro’s meer waard worden wanneer de euro verzwakt. Dat compenseert niet automatisch een koersverlies. Als een aandeel 8% daalt en de euro-dollarverhouding van 1,10 naar 1,05 beweegt, resteert rekenkundig ongeveer 3,6% verlies in euro’s, vóór kosten en zonder valuta-afdekking.



Ik zou die valutabeweging niet als een betrouwbare verzekering behandelen. In een ander scenario kunnen het aandeel en de dollar tegelijk tegenwerken. Het helpt wel om te begrijpen waarom de Amerikaanse koersgrafiek niet altijd overeenkomt met het resultaat in een Nederlandse portefeuille. Het werkelijke rendement bestaat uit beide bewegingen samen.

Drie scenario’s voor 2027 tot en met 2029

Voor een beoordeling over meerdere jaren gebruik ik drie eigen aannames. In een normalisatiescenario herstelt de doorvoer, dalen extra transportkosten en veronderstel ik een gemiddelde olieprijs van $70 in 2029. In een tussenscenario blijven verstoringen en veiligheidskosten bestaan en reken ik met $90. In een langdurig spanningsscenario wordt capaciteit herhaaldelijk beperkt en gebruik ik $120. Dit zijn gevoeligheidsniveaus, geen voorspellingen of actuele koersen.


De gevolgen verschillen per onderneming. Om dat concreet te maken gebruik ik een fictieve, volledig producerende olieonderneming met genormaliseerde winst per aandeel van respectievelijk $4, $6 en $9 in 2029. Bij waarderingen van twaalf, tien en acht keer de winst volgen indicatieve waarden van $48, $60 en $72. De lagere multiple bij hogere winst weerspiegelt hier mijn aanname dat beleggers uitzonderlijke olie-inkomsten minder duurzaam vinden. Verliezen aan productiecapaciteit zijn in dit voorbeeld niet meegenomen.



De omgekeerde vraag is wat een aankoopprijs van $60 veronderstelt. Bij tien keer de winst moet de onderneming $6 per aandeel verdienen. Kan zij dat alleen bij blijvend dure olie, dan is de belegging sterker afhankelijk van de geopolitiek dan de lage multiple doet vermoeden. Kan zij dat ook onder normale omstandigheden, dan is de basis steviger.


Mijn aandacht gaat daarom naar bedrijven die meerdere uitkomsten kunnen dragen. Trumps woorden kunnen een extreem scenario minder waarschijnlijk maken. Voor een duurzame verbetering van het beleggingsbeeld wil ik daarnaast zien dat transport normaliseert, kosten beheersbaar worden en winsten ook zonder uitzonderlijke marktomstandigheden standhouden. Dat geeft meer houvast dan proberen iedere nieuwe uitspraak over Iran onmiddellijk te verhandelen.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page