Tien aandelen sturen ruim een kwart van de iShares wereld-ETF
In het kort
IWDA sloot op 16 oktober op €130,55. De accumulerende Ierse ETF volgt ontwikkelde markten via fysieke, geoptimaliseerde replicatie en bevat ongeveer 1.250 posities. Toch vormden de tien grootste aandelen eind september circa 27,8% van het fonds. De portefeuille noteerde op 15 oktober op 25,69 keer winst. Brede spreiding vermindert risico per onderneming, maar maakt de grootste megacaps niet onbelangrijk.
Het aantrekkelijke van IWDA is eenvoud. Met één participatie koopt een belegger grote en middelgrote ondernemingen uit ontwikkelde landen. Dividend wordt in het fonds herbelegd, de lopende kosten bedragen 0,20% en de Amsterdamse handelslijn noteert in euro onder ticker IWDA. De basisvaluta is dollar en de ISIN is IE00B4L5Y983.
Toch is 1.250 niet hetzelfde als 1.250 gelijke belangen. Volgens de actuele iShares-productpagina vormden de grootste posities eind september ruim een kwart van het fonds. Nvidia woog 5,79%, Apple 5,39%, Microsoft 3,99% en Amazon 2,66%. Alphabet, Meta, Broadcom, Micron en Tesla vulden de rest van de top tien aan.
Dat hoeft geen probleem te zijn. Deze ondernemingen zijn groot omdat hun beurswaarde en winst sterk zijn gegroeid. Een marktgewogen index laat winnaars automatisch zwaarder worden. De methode voorkomt dat een beheerder te vroeg winst neemt in een succesvol bedrijf. Zij creëert tegelijk een kwetsbaarheid: wanneer dezelfde groep tegenvallende groei en lagere waarderingen krijgt, beweegt een groot deel van het fonds mee.
Een eenvoudig voorbeeld laat dat zien. Als de top tien tien procent daalt en de overige posities drie procent stijgen, verliest IWDA in het model ongeveer 0,6%. Meer dan duizend stijgende of stabiele aandelen kunnen dan onvoldoende zijn om de grootste namen volledig te compenseren. Andersom werkt het gunstig wanneer de megacaps sterker presteren dan de rest.
Rabi beschreef in zijn vergelijking van IWDA, VWRL en VWCE waarom IWDA geen volledige wereld-ETF is. Opkomende markten ontbreken. Wat hier vooral telt, is dat de ontwikkelde-marktenindex sterk leunt op Amerikaanse technologie. Het fonds is breed over bedrijven, maar minder breed over winstbronnen dan het aantal posities suggereert.
De waardering vergroot dat verband. Bij 25,69 keer winst bedraagt het winstrendement ongeveer 3,9%. Dat is de omgekeerde P/E: iedere €100 marktwaarde vertegenwoordigt circa €3,90 onderliggende jaarwinst. Om vanaf die startprijs een aantrekkelijk rendement te halen, moet de winst groeien, dividend binnen het fonds worden herbelegd en de multiple redelijk hoog blijven.
De boekwaardemultiple van 4,13 is eveneens hoog. Dat past bij ondernemingen met veel immateriële activa, sterke merken, software en hoge rendementen op eigen vermogen. Het betekent niet automatisch overwaardering. Het betekent wel dat de markt rekent op winstkwaliteit die duidelijk boven het gemiddelde ligt. Een daling van het rendement op kapitaal raakt dan zowel winst als waardering.
Bij €130,55 en 25,69 keer winst komt de doorkijkwinst op ongeveer €5,08 per participatie uit. Stel dat die winst zeven procent per jaar groeit en de P/E geleidelijk naar 24,7 daalt. Dan kan de koers nog stijgen. Bij slechts drie procent winstgroei en een multiple van 18 ontstaat een veel zwakker pad. Het fonds kan operationeel precies doen wat het belooft en toch een matig beursrendement leveren.
De kosten zijn daarbij relatief klein. Een jaarlijkse 0,20% tikt over lange perioden aan, maar een verandering van vijf multiplepunten is in korte tijd veel groter. Daarom is het nuttig om de fondskosten niet los te zien van de prijs van de onderliggende portefeuille. Lage kosten maken een dure markt niet goedkoop.
Dat geldt ook voor dividend. IWDA keert het ontvangen dividend niet uit, maar herbelegt het. De structuur voorkomt handmatig kasbeheer. Zij neemt bronbelasting binnen het fonds niet automatisch weg. In Rabi's uitleg over accumulerende en distribuerende ETF's staat waarom herbeleggen en belasting twee verschillende onderwerpen zijn.
Het gunstige scenario veronderstelt dat de grootste technologiebedrijven hun hoge marges behouden, AI-investeringen in extra winst omzetten en de rest van de ontwikkelde wereld redelijk meegroeit. Dan kan tien procent winstgroei een blijvend hoge waardering dragen. Het middenpad rekent op normalere groei en een lichte multiplekrimp. In het bear-scenario blijkt de concentratie een nadeel en zakt de waardering richting historische, minder uitbundige niveaus.
De tegenwerping blijft sterk: juist de grootste ondernemingen beschikken over kas, data, distributie en talent om nieuwe markten te winnen. Een gelijkgewogen fonds zou hun succes kunstmatig afromen en kleinere, zwakkere ondernemingen groter maken. Marktweging is daarom niet fout. De vraag is vooral hoeveel onzekerheid de huidige prijs nog toelaat.
Concentratie kan bovendien veranderen zonder dat een belegger handelt. Wanneer een grote positie sneller stijgt dan de rest, wordt zij automatisch zwaarder. Wanneer de koers daalt, neemt het gewicht weer af. Dat zelfcorrigerende mechanisme is elegant, maar reageert op marktprijzen en niet op een onafhankelijke waardering. De index koopt een duurder geworden winnaar niet actief bij; zijn gewicht stijgt vanzelf. Daardoor volgt IWDA de markt zeer nauwkeurig, inclusief de momenten waarop enthousiasme een steeds groter deel van het fonds in dezelfde namen samenbrengt.
Ook valuta versterkt of verzwakt die beweging. De participatie noteert in euro, terwijl de grootste bedrijven in dollars worden gewaardeerd en wereldwijd omzet boeken. Een zwakkere dollar kan een stijging van Amerikaanse aandelen voor een eurobelegger deels uitwissen. Een sterkere dollar doet het omgekeerde. De top-tienanalyse gaat daarom over ondernemingsgewicht, niet over een volledige voorspelling van het euroresultaat.
Mijn conclusie is dat IWDA nog steeds een efficiënt kernfonds kan zijn, maar dat het getal van 1.250 posities te veel rust kan geven. De grootste tien bepalen ruim een kwart van het resultaat en de startwaardering is veeleisend. Ik zou positiever worden wanneer winstgroei breed zichtbaar wordt buiten de top tien of wanneer de portefeuille goedkoper wordt zonder dat de fundamentele kwaliteit verslechtert.




































































































































Opmerkingen