Waarom Nederland met een overheid van 45% zijn eigen groei afremt
- J. van den Poll
- 2 uur geleden
- 5 minuten om te lezen
In het kort:
Volgens de Rahn-curve ligt de optimale overheidsgrootte rond 15 tot 25 procent van het bbp, terwijl Nederland inmiddels op ongeveer 45 procent zit.
Boven dat niveau levert extra overheid volgens deze theorie geen extra groei meer op, maar remt zij de economie juist af via hogere lasten en verdringing van private investeringen.
De politieke discussie zou daarom niet alleen moeten gaan over waar de overheid geld aan uitgeeft, maar ook over hoe groot de overheid in totaal nog zou moeten zijn.
In het Nederlandse politieke debat draait het meestal om dezelfde kwestie. Waar moet de overheid meer geld aan uitgeven en waarop kan juist worden bespaard? Gaat er meer naar defensie en minder naar subsidies? Meer naar zorg en minder naar klimaat? Meer naar onderwijs en minder naar bureaucratie? Dat zijn begrijpelijke vragen, maar ze raken niet aan de kern. Niet alleen de manier waarop de overheid haar geld uitgeeft is van belang. Ook de totale omvang van de overheid speelt een grote rol.
Wat de Rahn-curve duidelijk maakt
In de economische literatuur wordt dat inzicht vaak uitgelegd aan de hand van de zogeheten Rahn-curve. Die theorie vertrekt vanuit een eenvoudige gedachte. Een overheid is nodig voor economische groei, maar slechts tot op zekere hoogte. Zonder overheid zijn er geen duidelijke eigendomsrechten, geen rechtszekerheid, geen basisinfrastructuur en geen publieke orde. Juist die voorwaarden maken het mogelijk dat ondernemerschap, investeringen en productiviteit zich kunnen ontwikkelen.
Toch slaat dat positieve effect om zodra de overheid te groot wordt. Wat eerst een steunpilaar voor groei was, kan dan een rem worden op economische dynamiek.
Waar staat Nederland op de Rahn Curve:

Waarom een grote overheid groei kan afremmen
De verklaring daarvoor is niet ingewikkeld. Een grotere overheid moet worden betaald via belastingen, premies en schulden. Dat legt meer druk op gezinnen en bedrijven. Hogere lasten maken werken, sparen, ondernemen en investeren minder aantrekkelijk. Tegelijk neemt de publieke sector steeds meer middelen in beslag. Kapitaal, arbeid en andere productieve middelen die anders in de private sector zouden worden ingezet, komen dan terecht bij de overheid.
Daardoor ontstaat verdringing. De ruimte voor bedrijven en investeerders wordt kleiner, terwijl juist daar vaak innovatie, winstgroei en kapitaalvorming ontstaan. Wat in eerste instantie de economie ondersteunt, begint op een gegeven moment dus juist groeikracht weg te nemen.
Het theoretische optimum en de Nederlandse situatie
Volgens de Rahn-curve ligt de optimale overheidsgrootte ergens rond 15 tot 25 procent van het bbp. Boven dat niveau neemt het positieve effect van overheidsuitgaven op de groei af.
Op een bepaald moment wordt dat effect zelfs negatief. Nederland zit inmiddels op ongeveer 45 procent van het bbp. Vanuit deze theoretische benadering zitten we dus ruim boven het punt waarop extra overheid nog economische meerwaarde oplevert.
Daaruit volgt een ongemakkelijke conclusie. De discussie zou niet alleen moeten gaan over hoe de overheid geld uitgeeft, maar ook over hoeveel geld zij in totaal naar zich toetrekt.
Niet alleen efficiëntie, maar ook schaal telt
Dat onderscheid is belangrijk. Natuurlijk maakt het uit of belastinggeld naar productieve investeringen gaat of naar consumptieve uitgaven. Goed onderwijs, infrastructuur en veiligheid kunnen op lange termijn wel degelijk bijdragen aan de welvaart. Toch kent ook efficiënte overheidsbesteding haar grenzen. Vanaf een bepaald niveau wordt de totale overheidslast eenvoudigweg te zwaar.
In zo’n situatie helpt het maar beperkt om alleen te schuiven met budgetten. Dan ligt het probleem dieper. De overheid neemt dan structureel een te groot deel van de economie voor haar rekening. Het gaat dan niet alleen om een allocatieprobleem, maar ook om een schaalprobleem.
Waarom dit voor beleggers relevant is
Voor beleggers is dit geen theoretische zijlijn, maar een economische realiteit. Wanneer de overheid een groot deel van het nationaal inkomen opslokt, blijft er minder ruimte over voor de private sector. Juist die sector is belangrijk voor innovatie, winstgroei en waardecreatie. Hoge lasten drukken op de marges van bedrijven, verlagen rendementen en maken investeringsbeslissingen minder aantrekkelijk.
Op langere termijn kan dat leiden tot tragere economische groei, een zwakkere productiviteitsontwikkeling en minder gunstige omstandigheden voor ondernemingen en aandeelhouders. De omvang van de overheid is dus ook voor het beleggingsklimaat van groot belang.
Een grote overheid krimpt zelden vanzelf
Daar komt nog iets bij. Een grote overheid heeft de neiging zichzelf in stand te houden. Elke nieuwe regeling creëert groepen die daar belang bij hebben. Elke subsidie roept een lobby op. Tijdelijke maatregelen krijgen vaak een permanent karakter. Daardoor groeit de collectieve sector meestal gemakkelijker dan dat zij weer kleiner wordt.
Dat verklaart ook waarom het politieke debat vaak blijft steken in beperkte aanpassingen aan de randen. De fundamentele vraag wordt zelden gesteld. Hoe groot moet de overheid in een welvarende en volwassen economie eigenlijk nog zijn?
Een debat dat Nederland nauwelijks voert
Juist in Nederland verdient die vraag meer aandacht. De collectieve lastendruk is al hoog en tegelijk klinkt op bijna elk beleidsterrein de roep om extra overheidsuitgaven. Er moet meer geld naar klimaat, defensie, zorg, stikstof en woningbouw. De reflex is telkens opnieuw dat de staat meer moet doen en dus ook meer moet uitgeven.
Veel minder vaak wordt de vervolgvraag gesteld of de economie dat nog zonder schade kan dragen. Wie de Rahn-curve serieus neemt, moet in elk geval openstaan voor de mogelijkheid dat Nederland niet alleen worstelt met de vraag waar het geld heen gaat, maar ook met de vraag hoeveel de overheid in totaal uitgeeft.
Nederlandse economie groeit, maar het fundamentele debat ontbreekt.

De kernvraag voor groei en welvaart
Dat betekent niet dat de oplossing ligt in willekeurige bezuinigingen of in het afbreken van kerntaken van de staat. Het betekent wel dat het debat eerlijker en fundamenteler moet worden. Niet elke maatschappelijke uitdaging vraagt automatisch om een grotere overheid. Niet elke nieuwe prioriteit rechtvaardigt hogere collectieve uitgaven. En niet elk probleem wordt beter opgelost door meer middelen naar Den Haag te verplaatsen.
De echte vraag is daarom niet alleen waaraan de overheid geld uitgeeft. De belangrijkste vraag is ook hoeveel ruimte er nog overblijft voor burgers, ondernemers en investeerders om zelf waarde te creëren. Precies daar ligt de basis van economische groei, brede welvaart en uiteindelijk ook van een gezond beleggingsklimaat.
Misschien is dat wel de discussie die Nederland nu het hardst nodig heeft.
Advertorial
In een economie waarin de rol van de overheid steeds groter wordt en de ruimte voor private vermogensvorming onder druk kan komen te staan, groeit ook de aandacht voor de manier waarop particulieren hun geld tijdelijk parkeren. Juist in tijden van economische onzekerheid en oplopende collectieve lasten kijken spaarders vaker naar flexibiliteit, zekerheid en rente als factoren bij het beheren van hun vrije vermogen.
Raisin RenteBoost is een tijdelijke actie waarbij je op een vrij opneembare Duitse spaarrekening de eerste 3 maanden lang een gegarandeerde rente van 2,85% p.j. krijgt, beschermd onder het Europese garantiestelsel. Je spaargeld blijft dagelijks opvraagbaar en je kunt vrij storten en opnemen. Na deze periode kun je via één Raisin-account verder sparen bij meer dan 50 Europese banken, met actuele variabele rentes tot 1,92% p.j., of kiezen voor spaardeposito’s met looptijden van één maand tot tien jaar en rentes tot 3,25% p.j.






































































































































