top of page

Eerste Kamer eist helderheid over box 3 en dit staat op het spel

1 uur geleden
9 minuten om te lezen

De Eerste Kamer wil eerst duidelijkheid voordat zij de behandeling van het nieuwe box 3-stelsel verder laat wachten. Voor beleggers draait de keuze om wanneer koerswinst belast wordt, hoe verliezen meetellen en wie de overgang betaalt. Belasting bij verkoop kan het vermogen langer laten doorgroeien, maar brengt ook een latere afrekening en een prikkel om beleggingen vast te houden mee. De vier kabinetsvarianten zijn nog geen wet en hun miljardenbedragen zijn geen jaarlijkse rekening voor beleggers.


Op 22 september schuift de zekerheid over box 3 opnieuw verder weg. Volgens NU.nl, dat die avond over het overleg in de Eerste Kamer bericht, willen senatoren eerst met het kabinet spreken voordat zij het voorstel tijdelijk parkeren. Wie jarenlang een portefeuille opbouwt, weet daarmee nog steeds niet welke belastingregels vanaf 2028 zullen gelden.


Het verschil kan groot zijn. In een vereenvoudigd model groeit 100.000 euro bij jaarlijks 7 procent koerswinst na twintig jaar tot ongeveer 240.250 euro als over elke jaarlijkse winst meteen 36 procent belasting wordt betaald. Bij afrekening over de volledige winst na twintig jaar blijft ongeveer 283.660 euro over. Dezelfde belegging, hetzelfde rendement en hetzelfde tarief, maar ruim 43.000 euro verschil door het betaalmoment. Dat verklaart waarom dit debat verder gaat dan Haagse vertraging.



De Eerste Kamer heeft nog geen nieuw belastingstelsel goedgekeurd

De Wet werkelijk rendement box 3 is op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer behandelde het voorstel op 30 juni, maar rondde de besluitvorming niet af. Het kabinet vraagt in zijn brief van 14 september om de behandeling aan te houden. De gewenste veranderingen en hun financiering hebben nog onvoldoende politieke steun.


Een uitgestelde behandeling betekent geen afschaffing van box 3. Ook is 2028 nog geen garantie dat precies het nu voorliggende voorstel ingaat. Het verschil tussen een Kamerbrief, een aangenomen motie en een geldende belastingwet is hier doorslaggevend. Een politieke voorkeur voor belasting bij verkoop maakt die methode nog niet van toepassing op de aangifte.


Voor 2026 geldt het bestaande stelsel met forfaitaire rendementen en de mogelijkheid van tegenbewijs. De Belastingdienst legt uit dat een lager werkelijk rendement tot een lagere heffing kan leiden. Daarbij tellen ook ongerealiseerde waardeveranderingen mee. Een hoger werkelijk rendement leidt via die tegenbewijsroute niet tot een hogere heffing dan de forfaitaire berekening.


Dat huidige vangnet moet niet worden verward met de voorgestelde structurele belasting over werkelijk rendement. Bij tegenbewijs wordt naar het totale box 3-vermogen gekeken, zonder heffingsvrij vermogen in die berekening. Een negatief totaalrendement wordt op nul gesteld en mag niet met andere jaren worden verrekend. Het nieuwe wetsvoorstel introduceert juist een ander raamwerk voor onder meer kosten en verliezen. Het woord werkelijk betekent in beide systemen dus niet automatisch hetzelfde.


Ook de populaire formulering dat de rechter belasting bij verkoop zou eisen, gaat te ver. De rechtspraak heeft de heffing begrensd wanneer het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Daaruit volgt niet dat de politiek uitsluitend een vermogenswinstbelasting mag kiezen. De inrichting, uitvoerbaarheid en verdeling van de lasten blijven politieke keuzes.


Bij verkoop betalen geeft tijd maar wist de belastingclaim niet uit

Het huidige voorstel kiest als hoofdregel voor een vermogensaanwasbelasting. Daarbij worden inkomsten uit vermogen en de jaarlijkse waardeverandering belast, ook zonder verkoop. Voor vastgoed en bepaalde belangen in startende ondernemingen geldt een uitzondering: de waardeverandering wordt pas bij realisatie belast. Reguliere opbrengsten zoals huur en dividend blijven jaarlijks meetellen. Dat onderscheid staat in de officiële beschrijving van het wetsvoorstel.


Een eenvoudig voorbeeld maakt het verschil zichtbaar. Een belegging van 100.000 euro stijgt zonder dividend naar 110.000 euro. Bij een verondersteld tarief van 36 procent bedraagt de belasting over die stijging 3.600 euro. Onder jaarlijkse heffing moet daarvoor geld beschikbaar komen. Onder heffing bij verkoop blijft het bedrag voorlopig in de belegging zitten, zolang er geen belastbare realisatie plaatsvindt.


De portefeuillewaarde is dan hoger dan het bedrag dat na verkoop vrij besteedbaar is. Wie naar de volledige 110.000 euro kijkt en de latente belasting van 3.600 euro vergeet, overschat zijn vermogen. Het voordeel ontstaat doordat het uitgestelde bedrag in de tussentijd kan blijven renderen. Dat voordeel groeit doorgaans met de looptijd en met de koerswinst.


Belasting bij verkoop betekent bovendien niet dat iemand jarenlang helemaal geen belasting betaalt. Ontvangen rente, dividend en huur hebben hun eigen jaarlijkse fiscale behandeling. Een vergelijking waarin álle opbrengsten onbelast worden herbelegd tot één einddatum, overschat daarom het uitstelvoordeel voor een portefeuille die veel inkomen uitkeert. Onze rekensommen gebruiken uitsluitend koersgroei, zonder uitkeringen, om het betaalmoment afzonderlijk te laten zien.


Daar staat een economisch bezwaar tegenover. Een belegger kan een minder aantrekkelijke positie vasthouden omdat verkoop een belastingrekening oproept. Die zogenoemde lock-in kan spreiding en vernieuwing van de portefeuille belemmeren. Jaarlijkse heffing vermijdt die verkoopdrempel voor reeds belaste waardestijgingen. De afweging gaat daarmee ook over hoe belasting beleggersgedrag stuurt.


De vier routes hebben verschillende rekeningen en verschillende risico’s

Het kabinet heeft vier routes uitgewerkt. De eerste verbetert het huidige voorstel; de tweede gebruikt het vanaf 2028 als tussenstap richting een volledige vermogenswinstbelasting in 2030; de derde slaat die tussenstap over. De vierde brengt financiële instrumenten al in 2028 onder heffing bij realisatie en volgt in 2030 met de overige vermogensbestanddelen. Volgens de Kamerbrief is 2030 bij een nieuw wetsvoorstel een ambitieuze planning.


De bijbehorende begrotingstabel van het ministerie van Financiën raamt cumulatief tot en met 2035 ongeveer 5,7 miljard euro voor de eerste route, 12,9 miljard voor de tweede, 19,7 miljard voor de derde en 15,6 miljard voor de vierde. Het referentiepunt is invoering van het huidige wetsvoorstel in 2028. Dit zijn geraamde lagere overheidsinkomsten ten opzichte van dat basispad, geen jaarlijkse kostenposten.


De 5,7 miljard bij route één betreft het maximale pakket van zeven opgenomen verbeteringen. Een lager tarief en een hoger heffingsvrij resultaat staan als afzonderlijke rekensleutels in de tabel. Ze zitten niet automatisch in dat bedrag. Ook kunnen verbeteringen uit route één worden gecombineerd met route twee, waardoor het bedrag van 12,9 miljard niet zonder meer de prijs van zo’n combinatie is.


Bij route vier gaat de vaak aangehaalde 90 procent over vermogen met waardeontwikkeling in box 3, niet over 90 procent van de mensen. Dat is relevant: een groot vermogensbedrag kan bij een relatief beperkte groep zitten. Bovendien kunnen banken volgens het kabinet bij die snelle route ten minste in het eerste jaar niet de benodigde gegevens voor de vooraf ingevulde aangifte leveren. Een aantrekkelijk betaalmoment kan dus samengaan met meer administratief werk.


In de module is per route zichtbaar hoe de geraamde budgettaire derving door de jaren loopt. Het gekozen jaar verandert het jaarbedrag en de opgebouwde derving; de totale raming tot 2035 blijft afzonderlijk herkenbaar.



De uitstelrekening verdient dezelfde precisie. Bij route drie bedraagt het totale verschil met het basispad in 2028 ongeveer 4,0 miljard euro en in 2029 circa 2,8 miljard. Daarbinnen kost het voortzetten van tegenbewijs respectievelijk ongeveer 3,0 en 2,7 miljard. Een vast bedrag van ruim 3 miljard voor ieder extra jaar doet geen recht aan die wisselende reeks.


Twintig jaar uitstel kan ruim 43.000 euro verschil maken

Het voorbeeld uit de opening is bewust een stelselvergelijking. Het neemt 100.000 euro startvermogen, jaarlijks 7 procent koersgroei en een constant tarief van 36 procent. Dat tarief geldt in box 3 in 2026; voor de toekomst gebruiken we het uitsluitend als rekenaanname. Vrijstellingen, kosten, inleg, dividend, inflatie en verliesjaren zijn in deze eerste vergelijking weggelaten.


Bij jaarlijkse heffing blijft van 7 procent groei na belasting 4,48 procent over. Het eindvermogen wordt dus 100.000 × 1,0448 tot de macht 20, ongeveer 240.250 euro. In het andere model groeit eerst de volledige 100.000 euro twintig jaar tegen 7 procent. Daarna wordt 36 procent van de totale winst betaald. De formule is 100.000 + (100.000 × 1,07 tot de macht 20 − 100.000) × 0,64. Dat geeft ongeveer 283.660 euro.


De tweede uitkomst is dus al na betaling van de eindbelasting. Zonder die afrekening zouden twee onvergelijkbare bedragen naast elkaar staan. De extra 43.410 euro ontstaat doordat het bedrag dat anders eerder naar de fiscus gaat langer belegd blijft. Daar staat tegenover dat de belegger tot de einddatum ook risico loopt over dat grotere belegde bedrag.


De omgekeerde rekensom laat zien hoe belasting de rendementseis beïnvloedt. Om bij jaarlijkse heffing 5 procent netto per jaar over te houden, is in dit model ongeveer 7,81 procent bruto koersgroei nodig. Bij belasting over de totale winst na twintig jaar is ongeveer 6,59 procent nodig voor dezelfde netto eindwaarde. Een hoger vereist bruto rendement is geen rendement dat de markt vervolgens ook levert.


Met de volgende module zijn looptijd, rendement, tarief en het gewenste netto rendement aanpasbaar. De balken vergelijken bedragen na belasting en de omgekeerde som toont hoeveel bruto groei het gekozen einddoel vereist.




Verliesverrekening bepaalt of een beursval ook fiscaal wordt opgevangen

Een jaarlijkse belasting over koerswinst kan vooral ongemakkelijk worden als de markt daarna daalt. Neem een fictieve belegging die van 100.000 naar 125.000 euro stijgt en vervolgens 20 procent terugvalt naar 100.000 euro. Zonder dividend en kosten is de oorspronkelijke beurswinst volledig verdwenen. Een aanslag van 36 procent over de eerste winst vertegenwoordigt nog steeds 9.000 euro.


Of dat bedrag later wordt teruggegeven, verrekend of voorlopig een kasuitgave blijft, hangt af van de verliesregels. Verrekening met toekomstige winsten helpt pas wanneer die winsten er komen. Verrekening met het voorgaande jaar, carry-back, kan een eerdere heffing terugnemen. In het pakket verbeteringen staat een mogelijkheid voor één jaar achterwaartse verrekening. Die is niet gelijk aan de huidige tegenbewijsregeling en mag niet alvast als beschikbare teruggave worden ingeboekt.


Een aftrekbaar verlies is niet hetzelfde als direct geld op de rekening. Voor iemand die van het vermogen leeft, kan het tijdsverschil zwaar wegen. Voor een belegger met voldoende andere kasmiddelen is de financiering eenvoudiger, maar het economische verlies blijft bestaan. Andersom betekent jaarlijks kunnen verrekenen met andere winsten dat verlies niet altijd pas bij verkoop fiscaal betekenis krijgt.


De volgende module is een geïsoleerde liquiditeitsproef. De belegging blijft tot het betalingsmoment intact; belasting wordt niet al tijdens het eerste jaar uit de portefeuille gehaald. De tweede koersbeweging vindt vóór betaling plaats. Er zijn geen andere inkomsten, kosten, drempels of vrijstellingen. Een eventuele verliesverrekening wordt uitsluitend in de gekozen modelvariant direct beschikbaar verondersteld. Zo is zichtbaar welk bedrag uit een buffer of uit verkoop moet komen, zonder een echte aanslag na te bootsen.



Bij de standaardinstelling en zonder buffer vergt betaling van 9.000 euro na de terugval verkoop van 9 procent van de resterende belegging. Dat bewijst niet dat elke belegger gedwongen wordt te verkopen: dividend, inkomen buiten de portefeuille en reserves kunnen de rekening opvangen. Het toont wel waarom de combinatie van betaalmoment en verliesregels zwaarder weegt dan alleen het belastingpercentage.


Een belastingvoordeel beschermt niet tegen een slecht beursrendement

Op korte termijn is de invloed van het beleggingsrendement meestal veel groter dan het voordeel van uitstel. Daarom rekenen we ook drie paden door vanaf een fictieve 100.000 euro op 22 september 2026. Bear veronderstelt jaarlijks 10 procent koersverlies, basis 7 procent groei en gunstig 12 procent groei. Dit zijn bewust uiteenlopende stresstests, geen voorspellingen of kansen voor een specifiek fonds.


De eindpunten zijn 22 september 2027, 2028 en 2029. Voor elk eindpunt vergelijken we jaarlijkse heffing met afrekening bij verkoop op die datum. Beide methoden worden hypothetisch over de volledige looptijd toegepast. Dat is dus geen uitspraak dat een nieuw stelsel al in 2027 geldt. De vergelijking bevat uitsluitend koersontwikkeling, een constant verondersteld belastingtarief, geen uitkeringen en geen vrijstellingen. Bij verlies boeken we geen contante belastingteruggave of waarde van toekomstige verliesverrekening in.


In het basisscenario staat na drie jaar ongeveer 114.051 euro bij jaarlijkse heffing tegenover 114.403 euro na afrekening bij verkoop. In het gunstige scenario is dat 124.855 tegenover 125.915 euro. In het negatieve pad resteert bij beide methoden 72.900 euro. Daar doet het koersverlies veel meer pijn dan belastinguitstel kan goedmaken.


De module toont alle drie de jaarwaarden per scenario, inclusief de totale en gemiddelde jaarlijkse netto verandering. Startbedrag en verondersteld tarief zijn aanpasbaar; iedere verkoopuitkomst is berekend alsof op dat afzonderlijke eindpunt volledig wordt afgerekend.



De praktische conclusie is dat fiscale voorbereiding bij de beleggingsstrategie hoort, zonder haar te vervangen. Een liquiditeitsbuffer kan een ongewenst verkoopmoment voorkomen. Een zwakke belegging jarenlang vasthouden voor belastinguitstel kan juist meer kosten dan het uitstel oplevert. De kwaliteit en spreiding van het vermogen blijven het vertrekpunt.


Het kabinet moet ook vertellen wie het uitstel financiert

De discussie over de dekking is economisch begrijpelijk. De overheid ontvangt bij realisatieheffing een deel van de belasting later, terwijl uitgaven doorlopen. De belegger kan het uitgestelde bedrag laten renderen; de overheid moet de lagere inkomsten in de tussentijd opvangen. Daarom is een verschuiving in timing een echte begrotingskwestie, ook als niet alle gemiste inkomsten permanent verloren gaan.


Dat betekent nog niet dat iedere voorgestelde dekking verstandig is. Een structurele belastingverhoging beoordelen op alleen de kasderving in de eerste jaren kan een scheef beeld geven. Omgekeerd kan worden onderschat hoeveel verkoopuitstel en gedragsverandering de toekomstige opbrengsten beïnvloeden. Een deugdelijk voorstel moet overgangsjaren en structurele effecten daarom afzonderlijk tonen.


De officiële tabel noemt uiteenlopende financieringsopties, waaronder wijzigingen in box 3, de vennootschapsbelasting en het aangrijpingspunt van het hoogste inkomstenbelastingtarief. Dat zijn opties, geen vastgesteld pakket. Wie profiteert van een later betaalmoment hoeft bovendien niet dezelfde persoon te zijn die een gekozen financieringsmaatregel betaalt. Alleen naar het box 3-tarief kijken laat dat verdelingseffect buiten beeld.


Voorlopig helpt het meer om aankoopgegevens, jaaroverzichten, stortingen, onttrekkingen en ontvangen opbrengsten zorgvuldig te bewaren dan om op een onbevestigde ingangsdatum vooruit te handelen. De bestaande tegenbewijsregeling kent haar eigen voorwaarden. Grote keuzes zoals overhevelen naar een bv, verhuizen of vastgoed verkopen vragen een toets van de volledige persoonlijke situatie en alle betrokken belastingen, niet alleen van één box 3-variant.


Een beter box 3-stelsel maakt de belastingclaim berekenbaar, het betaalmoment draaglijk en verliesverrekening bruikbaar. Heffing bij verkoop verdient serieuze uitwerking vanwege het effect op liquiditeit en vermogensopbouw. Zonder heldere verliesregels, uitvoerbare administratie en een geloofwaardige financiering is alleen die belofte nog onvoldoende om beleggers zekerheid te geven.


 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

Copyright © 2026 •

Alle rechten voorbehouden - Amsterdam - 0619930051

Disclaimer
Let op: Beleggen brengt risico's met zich mee. Je kan (een deel van) je inleg verliezen. Niets hier mag worden beschouwd als financieel advies.. Voor advies over je persoonlijke situatie kun je het beste een adviseur inschakelen.

  • Instagram
  • Twitter
  • LinkedIn
  • YouTube
bottom of page