top of page

Wachten op een beurscorrectie kan ook rendement kosten

2 uur geleden
7 minuten om te lezen

In het kort

Een nieuwe sterke beursrally en een tussentijdse correctie kunnen prima samengaan. I/O Fund ziet dat scenario voor Amerikaanse aandelen, maar de volgorde is minder zeker dan de kop van de analyse suggereert. Wachten op een daling kan een betere instap opleveren, maar ook betekenen dat een belegger uiteindelijk meer betaalt. Winstverwachtingen, waardering en een vooraf bepaalde aanpak bieden daarom meer houvast dan één voorspeld koerspad.


Wie positief is over AI, hoeft de beurs niet op iedere prijs aantrekkelijk te vinden. Wachten op een rustiger moment voelt dan verstandig. Het geld staat klaar, de technologie ontwikkelt zich verder en na een correctie kan de belegger alsnog instappen. De lastige kant is dat een daling vanaf een toekomstige top niet hetzelfde is als een lagere koers dan vandaag.


Dat maakt de analyse die Knox Ridley op 11 oktober bij I/O Fund publiceerde interessant. Hij ziet ruimte voor een S&P 500 van 9.000 tot 10.000 punten, met AI als belangrijke aanjager. Zijn technische analyse werkt met Elliott-golven, waarbij koersbewegingen in terugkerende patronen worden ingedeeld. De titel kondigt eerst een correctie aan. In het primaire scenario staat echter dat voorafgaande zwakte niet noodzakelijk is. Het is dus een verzameling mogelijke routes, geen eenduidige voorspelling van de volgorde. Lees de oorspronkelijke analyse van I/O Fund.


Voor een belegger zit juist in die volgorde een groot deel van de beslissing. Een aantrekkelijk eindpunt vertelt nog niet wanneer je moet kopen, hoeveel tussentijds verlies je kunt verdragen en wat je doet wanneer de verwachte terugval uitblijft.



Een correctie kan boven de koers van vandaag eindigen

Neem een fictieve index op 100. Hij stijgt eerst 20% naar 120 en daalt daarna 15%. De nieuwe stand is 102. De voorspelling dat er een forse correctie zou komen, is uitgekomen. Toch koopt iemand die tot na die daling wacht iets duurder dan bij de oorspronkelijke stand.


Dat voorbeeld bewijst niet dat direct kopen altijd verstandig is. Als de index meteen van 100 naar 85 zakt, biedt wachten juist een duidelijk voordeel. Het laat wel zien wat een voorspelling over een correctie mist wanneer zij niets zegt over de stijging die eraan voorafgaat. Om vanaf 120 onder het oorspronkelijke niveau van 100 te komen, is een verlies van meer dan 16,7% nodig.



Het geld dat langs de zijlijn staat, kan ondertussen rente opleveren. Dat maakt wachten minder kostbaar. Daar staan gemiste dividenden en mogelijke koersstijging tegenover. Welke kant wint, hangt af van het rendement op de kaspositie, de duur van het wachten en het werkelijke koersverloop. Alleen het woord correctie is onvoldoende om die afweging te maken.


Een historische vergelijking van Schwab helpt om dat onderscheid concreet te maken. In een onderzoek van 18 juli 2025 volgde de broker fictieve beleggers die van 2005 tot en met 2024 jaarlijks $2.000 inlegden. Steeds direct beleggen eindigde op $170.555; ieder jaar perfect op de bodem kopen op $186.077. Permanent in kortlopende Amerikaanse staatsleningen blijven leverde $47.357 op. Dividend en rente werden herbelegd, kosten en belastingen waren niet meegenomen. Schwab beschrijft de methode en uitkomsten.


Dat is geen proef met de specifieke handelsregels van I/O Fund. Het vergelijkt onder meer consequent beleggen met jarenlang niet instappen. De bruikbare les is daarom niet dat een kaspositie zinloos is, maar dat tijdelijk wachten ongemerkt een blijvende keuze kan worden. Een belegger moet ook een besluit hebben voor de situatie waarin de gewenste korting niet verschijnt.


De winstontwikkeling verdient een eigen beoordeling

Het positieve beursverhaal rust bovendien op meer dan technische patronen. FactSet meldde op 16 oktober een verwachte winstgroei van 29,0% voor de S&P 500 in het derde kwartaal. Dat cijfer combineert gepubliceerde resultaten met ramingen: pas 9% van de ondernemingen had daadwerkelijk gerapporteerd. De genoemde koers-winstverhouding op basis van de komende twaalf maanden was 19,0, tegenover een vijfjaarsgemiddelde van 19,8. De kwartaalupdate van FactSet geeft daarmee een serieus argument voor optimisme, maar nog geen afgerond bewijs voor alle verwachte winst.


Die toekomstige winstbasis is belangrijk. Een waardering op verwachte winst kan relatief gematigd lijken wanneer analisten een sterke verbetering voorzien. Een maatstaf op historische winst kan tegelijkertijd hoog staan. Beide uitkomsten kunnen kloppen, omdat de noemer anders is. De vraag is dan hoe aannemelijk de winstverbetering is en hoeveel daarvan al is verwerkt in de prijs.


Nvidia laat zien dat de AI-investeringen inmiddels ook omvangrijke gerealiseerde inkomsten opleveren. Het bedrijf van Jensen Huang rapporteerde op 26 augustus $89 miljard omzet bij Data Center over het kwartaal tot 26 juli, 117% meer dan een jaar eerder. Dit is bedrijfsomzet, geen schatting van een toekomstige markt. Nvidia publiceerde de cijfers in zijn kwartaalbericht.


Voor de bredere economie moet die investering vervolgens doorwerken. De afnemer van rekenkracht moet er bijvoorbeeld klanten mee bedienen, software mee verkopen of werkzaamheden goedkoper uitvoeren. Dan kan winstgroei zich verspreiden van leveranciers naar gebruikers. Blijft het economische voordeel achter, dan kunnen klanten later hun investeringen bijstellen. Sterke leveranciersomzet en een houdbare opbrengst voor de eindgebruiker zijn twee verschillende schakels in dezelfde keten.


Daar ligt de sterkste kans van het optimistische scenario. Wanneer AI het werk daadwerkelijk goedkoper of waardevoller maakt, hoeft een beursrally niet uitsluitend te worden gedragen door hogere waarderingen. De winst kan zelf toenemen. Een correctie kan dan aantrekkelijk zijn, mits die winstvooruitzichten overeind blijven.


Goedkoper op het scherm is niet altijd goedkoper op winst

De S&P 500 sloot op 16 oktober op 7.659,44 punten, volgens de door FRED gepubliceerde reeks van S&P Dow Jones Indices. Het betreft de prijsindex, zonder herbelegde dividenden. Dat is het koersvertrekpunt voor deze analyse.


Gebruik nu een uitdrukkelijk gekozen rekenbasis van 400 aan jaarlijkse indexwinst. Daarmee bedoelen we de samengevoegde winst per indexeenheid, niet de winst van één onderneming. De verhouding tussen koers en winst is dan 19,15. Die 400 is een afgeronde modelaanname die qua orde aansluit bij de genoemde toekomstige waardering; het is geen exact door FactSet gepubliceerd winstcijfer en evenmin de gerealiseerde jaarwinst.


Stel dat de index 15% daalt, terwijl de winstbasis gelijk blijft. Dan zakt de koers-winstverhouding naar ongeveer 16,28. Er wordt minder betaald voor dezelfde winst. Daalt de veronderstelde winst echter tegelijkertijd met 20%, van 400 naar 320, dan loopt de verhouding juist op naar 20,35. De koers staat lager, maar de prijs per eenheid verwachte winst is hoger geworden.



Dit is de controle die bij iedere voorgenomen aankoop na een daling hoort. Is vooral het enthousiasme afgenomen, of is het verdienvermogen daadwerkelijk verslechterd? In het eerste geval kan een lagere prijs de verhouding tussen kansen en risico's verbeteren. In het tweede geval moet eerst opnieuw worden bepaald wat de onderneming of index waard kan zijn.


De eerdere De Belegger-analyse over de verschuiving van AI naar andere sectoren behandelt hoe zo'n verandering binnen de markt werkt. Voor de instapbeslissing is de vervolgvraag of de verwachte winst dezelfde richting op beweegt als de koers. Een rood scherm geeft daar op zichzelf geen antwoord op.


Wat er nodig is voor 10.000 punten

Vanaf 7.659,44 betekent een stand van 10.000 ongeveer 30,6% koersstijging. Dat is een betekenisvolle kans, maar het percentage zegt nog niets over de economische voorwaarden. Daarvoor is de eenvoudige relatie tussen koers, winst en waardering bruikbaar: indexstand is indexwinst maal de koers-winstverhouding.


Bij een waardering van twintig keer de winst vraagt 10.000 punten om 500 indexwinst. Tegenover onze rekenbasis van 400 is dat 25% meer. Bij vierentwintig keer de winst is ongeveer 417 voldoende. Maar als beleggers nog slechts zestien keer de winst willen betalen, is 625 nodig, ruim 56% boven de gekozen startbasis.



Hetzelfde koersdoel kan dus voortkomen uit heel andere omstandigheden. Een stijging die vooral door hogere winst wordt gedragen, vraagt iets anders van bedrijven dan een stijging waarvoor beleggers een hogere prijs per dollar winst accepteren. In dat laatste geval blijft het resultaat sterker afhankelijk van rente, vertrouwen en de bereidheid risico te dragen.


Ook de omgekeerde berekening is nuttig. Voor 10% koersrendement per jaar moet de index vanaf het slot van 16 oktober na precies drie jaar op ongeveer 10.195 staan. Bij een eindwaardering van twintig keer de winst is daarvoor circa 510 indexwinst nodig. De formule is 7.659,44 maal 1,10 tot de derde macht, gedeeld door twintig. Vanaf de aangenomen 400 vraagt dat ongeveer 8,4% jaarlijkse winstgroei.


Die uitkomst is een vereiste binnen dit model, geen voorspelling. Dividend kan het totaalrendement verhogen. Fondskosten, belastingen en voor een Nederlandse belegger de dollarontwikkeling veranderen het uiteindelijke resultaat. Ze zijn niet in deze koersberekening opgenomen.


Drie jaarpaden zonder een voorspelde bodem

Om de gevoeligheid zichtbaar te maken, nemen de scenario's hieronder 400 als veronderstelde winstbasis eind 2026. In het lage scenario groeit die jaarlijks 3% en betaalt de markt zestien keer de winst. In het midden groeit de winst 8% per jaar bij twintig keer de winst. Het hoge scenario gebruikt 13% winstgroei en een waardering van drieëntwintig keer. De uitkomsten gelden telkens voor het einde van 2027, 2028 en 2029, en zijn eigen aannames.



Zelfs het lage scenario bevat winstgroei. Toch blijft de index daarin eind 2029 rond 6.993 punten, onder het huidige niveau. Het midden eindigt rond 10.078 en het hoge rond 13.275. Daarmee wordt zichtbaar waarom een gunstige economische ontwikkeling niet automatisch een gunstig beursresultaat oplevert: de prijs die beleggers voor die winst overhebben kan de groei versterken of compenseren.


Deze eindstanden vertellen bewust niets over de tussentijdse bodem. Een sterk eindjaar kan voorafgegaan worden door een zwaar verlies. Omgekeerd kan een zwak eindresultaat maandenlang worden voorafgegaan door stijgende koersen. Zonder die tussenliggende onzekerheid is een scenario te gemakkelijk te verwarren met een uitvoerbaar handelsplan.


Daarom begint een bruikbare aanpak bij de hoeveelheid risico die een belegger wil dragen en het geld dat beschikbaar moet blijven. Wie nieuwe middelen gespreid inzet, vermindert de afhankelijkheid van één instapmoment, maar kan bij een onafgebroken stijging ook minder verdienen dan bij direct beleggen. Wie wacht, heeft naast een aankoopvoorwaarde een herbeoordelingsmoment nodig. Anders verandert voorzichtigheid in uitstel zonder einde.


Het optimistische langetermijnbeeld verdient aandacht zolang de winstontwikkeling het ondersteunt. De zekerheid dat er eerst een bruikbare koopkans komt, verdient meer terughoudendheid. Voor een overtuigender instap telt vooral dat een lagere waardering samengaat met houdbare winst en financierbare investeringen. Een nieuwe grafieklijn of een rond indexgetal is daarvoor onvoldoende. Het bewijs dat de afweging kan verbeteren, zit in gerealiseerde resultaten en kasstromen die de verwachtingen waarmaken, ook nadat de beurs minder enthousiast is geworden.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page