Een hoge uitkering maakt VanEcks dividendfonds nog niet veilig

In het kort
TDIV biedt een mandje van honderd dividendbetalende bedrijven en keert zelf ieder kwartaal uit. De portefeuillewaarde is lager in verhouding tot de winst dan bij veel brede groeigerichte indices. Dat kan aantrekkelijk zijn, maar alleen als de onderliggende winsten en kasstromen voldoende standhouden. Een hoge uitkering beschermt niet tegen een dalende koers.
Dividend maakt beleggen tastbaar. Er verschijnt geld op de rekening zonder dat een aandeel hoeft te worden verkocht. Juist daardoor is het verleidelijk om de uitkering als een soort vaste rente te behandelen. Bij de VanEck Morningstar Developed Markets Dividend Leaders UCITS ETF komt het geld echter uit ondernemingen die moeten blijven investeren, concurreren en hun schulden betalen. De uitkering is het eindpunt van die activiteiten, geen losstaande bron van rendement.
De interessante vraag bij TDIV is daarom niet alleen hoeveel het fonds uitkeert. Het gaat om de ruimte die de bedrijven na hun uitkering overhouden en om de prijs die een belegger voor hun toekomstige winst betaalt. Een lagere waardering kan te veel somberheid weerspiegelen. Zij kan ook een begrijpelijke vergoeding zijn voor geringe groei of een kwetsbaar bedrijfsmodel.
Wat krijgt de belegger in handen?
Het gaat hier om TDIV op Euronext Amsterdam, in euro’s, met ISIN NL0011683594. Het is de uitkerende Nederlandse shareclass. Volgens de factsheet per 30 september bevat het fonds honderd aandelen, volgt het de index via fysieke replicatie en keert het per kwartaal uit. De jaarlijkse kostenratio bedraagt 0,38%. De samenstelling wordt halfjaarlijks aangepast.
Het fonds is dus geen verzameling uitsluitend Nederlandse ondernemingen. Het dividend kan komen uit verschillende landen en valuta. De euro als handels- en basismunt neemt die buitenlandse blootstelling niet weg. Een uitkering van een Amerikaanse onderneming kan voor het fonds in euro’s minder waard worden wanneer de dollar verzwakt, zelfs als het dollarbedrag onveranderd blijft.
Het verschil tussen deze opzet en een accumulerende ETF is vooral waar het ontvangen dividend terechtkomt. Bij TDIV ontvangt de belegger cash en beslist vervolgens zelf wat ermee gebeurt. Rabi behandelt dat mechanisme in zijn uitleg over accumulerende en uitkerende ETF’s. Automatische herbelegging kan praktisch zijn, maar uitkeren kan passen bij iemand die daadwerkelijk geld uit de portefeuille wil gebruiken. Geen van beide vormen maakt de onderliggende bedrijven vanzelf beter.
Een gelijk dividend kan toch kwetsbaarder worden
Stel dat een onderneming 100 verdient en 40 als dividend betaalt. Dan blijft 60 beschikbaar voor investeringen, schuldafbouw of andere doeleinden. Daalt de winst met 30%, terwijl het dividend gelijk blijft, dan gaat niet langer 40% maar ongeveer 57% van de winst naar aandeelhouders. De uitkering ziet er op de bankrekening hetzelfde uit; de financiële ruimte binnen het bedrijf is gehalveerd naar 30.
Dit is een eigen rekenvoorbeeld, geen gemeten uitkeringsratio van TDIV. Het maakt duidelijk waarom dividendgroei en winstgroei samen moeten worden bekeken. Een bedrijf kan een moeilijke periode overbruggen met reserves. Wanneer de winst structureel lager ligt, kan het vasthouden aan een oude uitkering juist ten koste gaan van de concurrentiepositie. Een dividendverlaging kan dan financieel verstandig zijn, ook al valt zij voor een inkomensbelegger tegen.
Daarbij is boekwinst niet hetzelfde als beschikbaar geld. Een onderneming kan winst rapporteren terwijl klanten later betalen, voorraden oplopen of grote investeringen nodig zijn. Vooral bij kapitaalintensieve bedrijven kan de kasstroom na onderhoud aanzienlijk afwijken van de winst. Een fonds met honderd bedrijven spreidt zulke individuele tegenvallers, maar maakt het onderliggende probleem niet ongedaan.
Ook de berekening van dividendrendement vraagt aandacht. Wanneer een aandeel van €100 naar €80 daalt en de oude jaaruitkering €4 was, stijgt het berekende rendement van 4% naar 5%. Er is geen extra geld verdiend. De prijs is gedaald en het is nog onzeker of de oude uitkering standhoudt. Wie uitsluitend op het hogere percentage afgaat, kan een verslechtering aanzien voor een verbetering.
Verschillende bedrijven, soms dezelfde druk
De tien grootste posities van TDIV vertegenwoordigden eind september samen 34,88%. Daaronder stonden onder meer Verizon, HSBC, Pfizer, Nestlé en Shell. De portefeuille combineert daardoor verschillende verdienmodellen. Een telecombedrijf krijgt terugkerende abonnementsgelden, een bank verdient onder meer aan rente en vergoedingen, en een energiebedrijf is gevoelig voor grondstoffenprijzen. De risico’s zijn verschillend, maar kunnen in een zwakke economie toch tegelijk zichtbaar worden.
Bij een bank kunnen kredietverliezen oplopen terwijl de rentemarge onder druk staat. Een telecombedrijf kan stabiele inkomsten hebben, maar veel geld kwijt zijn aan netwerkinvesteringen en schuld. Een producent van medicijnen moet toekomstige inkomsten vervangen wanneer producten concurrentie krijgen. Dat zijn geen argumenten om deze sectoren te vermijden. Ze verklaren wel waarom een dividendhistorie nooit de volledige analyse kan vervangen.
De sterkste kans is dat de markt zulke risico’s soms te somber inschat. Wanneer een bedrijf weinig groei nodig heeft om zijn uitkering te dragen en de prijs laag is, kan een bescheiden operationele verbetering al voldoende zijn voor een redelijk rendement. TDIV biedt toegang tot die afweging zonder dat één verkeerde bedrijfskeuze alles bepaalt. Daar staat tegenover dat de selectiemethode een voorkeur houdt voor bepaalde soorten ondernemingen. Het is een andere portefeuille dan een brede marktindex.
Voor die vergelijking helpt Rabi’s uitleg over de dekking van een brede wereld-ETF. Het verschil zit niet alleen in uitkeren of herbeleggen. Ook de ondernemingen en hun gewichten veranderen. Wie TDIV toevoegt aan een bestaande wereldportefeuille kiest dus mede voor een andere verdeling van economische risico’s.
Hoeveel groei vraagt de huidige prijs?
TDIV sloot op 21 oktober op €55,41 in Amsterdam. De septemberfactsheet vermeldt een portefeuillewaardering van 13,38 keer winst en een historisch uitkeringsrendement over twaalf maanden van 3,13%. Die uitkering is geen toezegging voor het komende jaar. De winstmultiple is evenmin een exact herberekende waardering op de oktoberkoers. De fondsmaatstaf dient hier als gedateerd anker.
Een lagere multiple biedt meer ruimte dan een hoge startwaardering, maar lost een dalende winst niet op. Om dat zichtbaar te maken rekenen we terug vanaf 8% jaarlijks totaalrendement gedurende drie jaar. Neem als eigen dividendaanname ieder jaar 3% van de startkoers in cash, zonder herbelegging. Dat levert in drie jaar ongeveer €4,99 op. Bij een eindwaardering van twaalf keer winst moet de koers dan ongeveer €64,81 bedragen.
Met 0,38% jaarlijkse fondskosten en neutrale valuta vraagt dat model ongeveer 9,7% jaarlijkse winstgroei. Dat is een duidelijke opgave voor een dividendportefeuille. Het dividend helpt het rendement, maar een lagere eindwaardering vraagt tegelijk meer winst. Als de multiple op het beginniveau blijft, hoeft die groei minder hoog te zijn. Bij lagere uitkeringen of ongunstige valuta wordt de vereiste prestatie juist zwaarder.
Het model deelt de historische uitkering niet door de winstmaatstaf om een vermeende uitkeringsratio van het fonds te berekenen. Die cijfers hebben verschillende grondslagen en meetperioden. Voor de houdbaarheid van dividend blijft de kasgeneratie van de afzonderlijke bedrijven de relevante economische basis. De fondswaardering helpt vervolgens om te beoordelen hoeveel de belegger daarvoor betaalt.
Koers en ontvangen dividend naast elkaar
De driejaarsscenario’s hieronder laten voor oktober 2027, 2028 en 2029 afzonderlijke ETF-koersen zien. De formule combineert de startkoers, winstgroei, fondskosten, de veranderende winstmultiple en valuta. Cashdividend wordt daarna apart bij de eindwaarde opgeteld. Het zit niet nogmaals in de koersformule en wordt in deze voorbeelden niet herbelegd.
Het bear-scenario gebruikt jaarlijks 3% winstdaling, lagere waarderingen en tegenwind van valuta. Ook de uitkering krimpt. Het middenscenario veronderstelt 5% winstgroei, een geleidelijk lagere multiple en bescheiden dividendgroei. In het gunstige scenario groeit de winst 8%, blijft een wat hogere waardering overeind en helpt valuta. Alle aannames zijn eigen scenario’s; het historische uitkeringspercentage wordt niet als vaste toekomstige opbrengst behandeld.
Bij de afweging hoort ook de functie van het geld. Een dividend-ETF blijft een aandelenbelegging. Wie een vaste uitgave moet betalen, kan met een lagere koers en een lagere uitkering tegelijk worden geconfronteerd. Rabi beschrijft in zijn artikel over sparen en beschikbaarheid waarom een buffer een andere taak heeft dan een langetermijnbelegging. Een zichtbare kwartaaluitkering maakt die taken niet uitwisselbaar.
TDIV is vooral interessant wanneer de winst en kasstroom van de portefeuille beter standhouden dan de bescheiden waardering suggereert. Het dividend is dan een onderdeel van de opbrengst, naast mogelijke winstgroei en koersherstel. De doorslaggevende onzekerheid is hoeveel financiële ruimte de bedrijven na hun uitkeringen behouden. Aanhoudende kasstroomgroei en voldoende investeringen zouden het positieve oordeel versterken. Stabiele dividenden die steeds meer op reserves of schuld leunen, zouden juist aanleiding zijn om de aantrekkelijkheid opnieuw te beoordelen.
Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting.



















































































Opmerkingen