Olie staat onder de piek van 2008 maar benzine kost bijna 2,50 euro en dit is waar het verschil vandaan komt
De vergelijking klinkt onweerstaanbaar. In 2008 kostte een vat Brent-olie bijna $144. Nu ligt de olieprijs daar nog steeds onder, terwijl automobilisten in Nederland bijna €2,50 voor een liter Euro95 betalen. De logische conclusie lijkt dat benzine drie keer zo duur is geworden en dat de overheid, oliemaatschappijen of tankstations het verschil opstrijken.
Alleen klopt die rekensom niet. Volgens het CBS kostte een liter Euro95 in juli 2008 gemiddeld €1,613. De meest recente officiële dagprijs, van 7 september 2026, bedraagt €2,466. Dat is 52,9% meer. Vergeleken met de gemiddelde pompprijs over heel 2008 is de stijging ongeveer 67%.
Dat is fors. Het is alleen geen verdrievoudiging. Een verdrievoudiging tegenover juli 2008 zou een pompprijs van €4,84 per liter betekenen.
Na correctie voor de algemene inflatie wordt het verhaal nog verrassender. De €1,613 uit juli 2008 staat in de koopkracht van augustus 2026 gelijk aan ongeveer €2,52. De huidige €2,466 is dan ongeveer 2% lager dan tijdens de piek van 2008.
De echte vraag is dus niet waarom benzine drie keer zo duur werd. De echte vraag is waarom de pompprijs nominaal 53% steeg terwijl Brent in dollars ongeveer 25% onder zijn piek van 2008 staat.
Het antwoord bestaat uit zes delen: de wisselkoers, accijns, btw, raffinage, transport en de plaats waar wordt getankt. Vooral de wisselkoers wordt in de snelle vergelijking bijna altijd vergeten.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
Eerst moeten we dezelfde momenten vergelijken
Het jaar 2008 bevatte bijna iedere mogelijke olieprijs. Brent bereikte begin juli een dagpiek van $143,95 per vat. Later dat jaar zakte de prijs tijdens de financiële crisis tot onder $40.
Wie de piek van de olieprijs uit juli vergelijkt met de laagste benzineprijs uit december, maakt dus een oneerlijke combinatie. Hetzelfde geldt voor een vergelijking tussen een actuele dagprijs en een jaargemiddelde.
Voor dit artikel gebruik ik daarom drie duidelijke vergelijkingen:
• Brent op 3 juli 2008 tegenover Brent op 10 september 2026;
• de gemiddelde Nederlandse pompprijs van juli 2008 tegenover de recentste beschikbare dagprijs van 7 september 2026;
• de nominale pompprijs én de pompprijs na correctie voor inflatie.
De peildata liggen enkele dagen uit elkaar omdat officiële brandstofdata van het CBS met vertraging verschijnen. Dat is juist nu belangrijk. De olieprijs steeg op 10 september sterk door nieuwe aanvallen op tankers en verstoringen rond belangrijke vaarroutes. Die laatste sprong zit nog niet volledig in de pompprijs van 7 september.
De stelling van drie keer zo duur klopt niet
De officiële cijfers van het CBS zijn helder. In juli 2008 bedroeg de gemiddelde prijs van Euro95:
• €1,613 per liter gemiddeld;
• €1,658 bij een bemand snelwegstation;
• €1,572 bij een onbemand station buiten de snelweg.
In augustus 2026 bedroeg de gemiddelde prijs:
• €2,333 per liter gemiddeld;
• €2,557 bij een bemand snelwegstation;
• €2,278 bij een onbemand station buiten de snelweg.
Op 7 september liep de landelijke gemiddelde dagprijs verder op naar €2,466. De gemiddelde prijs over heel 2008 was €1,476 per liter. De gemiddelde prijs over de eerste acht maanden van 2026 was ongeveer €2,235. Ook die vergelijking geeft een stijging van ongeveer 51%, niet 200%.
De precieze uitkomst hangt dus af van de gekozen maand. Geen redelijke Nederlandse vergelijking komt in de buurt van drie keer zo duur.
Een vat wordt in dollars betaald, maar wij tanken in euro's
Dit is de grootste denkfout in de populaire vergelijking. In juli 2008 was de euro uitzonderlijk sterk. Eén euro leverde op 3 juli ongeveer $1,5708 op. Nu is dat rond $1,1594. Voor een Europese koper is dezelfde dollarprijs daardoor veel duurder geworden.
De rekensom laat het effect zien. De Brent-piek van $143,95 in 2008 was bij de toenmalige wisselkoers ongeveer €91,64 per vat. De recente prijs van $107,63 is bij de huidige wisselkoers ongeveer €92,83 per vat.
In dollars is olie dus ongeveer 25% goedkoper dan op de piek van 2008. In euro's is dezelfde olie juist ongeveer 1% duurder.
Per liter ruwe olie komt dat neer op ongeveer €0,576 in 2008 en €0,584 nu. Een vat bevat bijna 159 liter.
Dit betekent niet dat uit iedere liter ruwe olie precies één liter Euro95 ontstaat. Een raffinaderij maakt ook diesel, kerosine, nafta, lpg en andere producten. De berekening laat wel zien waarom de zin “olie is veel goedkoper” voor een Nederlandse automobilist misleidend kan zijn.
Alleen al de zwakkere euro heeft het volledige verschil in de dollarprijs vrijwel uitgewist.
De pompprijs bestaat niet alleen uit olie
Een liter Euro95 aan de pomp is een afgewerkt product. Tussen de oliebron en de tank van een auto zitten veel stappen.
Ruwe olie moet worden verscheept, opgeslagen, geraffineerd en gemengd. Daarna volgen vervoer naar depots, bevoorrading van tankstations, personeel, grond, apparatuur, betalingskosten en de marge van meerdere bedrijven. Ook worden hernieuwbare bestanddelen en wettelijke verplichtingen in de uiteindelijke productkosten verwerkt.
Boven op die keten komen accijns en btw. In juli 2008 bedroeg de accijns op ongelode benzine €0,68897 per liter. Het btw-tarief was 19%. Bij een pompprijs van €1,613 bestond ongeveer €0,947 uit accijns en btw. Het resterende deel bedroeg ongeveer €0,666.
In 2026 bedraagt de accijns €0,84469 per liter. De btw is 21%. Bij een pompprijs van €2,466 bestaat ongeveer €1,273 uit belastingen. Het resterende deel is ongeveer €1,193.
Dat resterende deel is nadrukkelijk niet hetzelfde als winst. Het bevat de ruwe olie, raffinage, handel, verplichte bijmenging, opslag, distributie, exploitatiekosten en marges.
De overheid ontvangt meer per liter, maar verklaart niet de hele stijging
In nominale euro's steeg de belastingcomponent van ongeveer €0,947 naar €1,273 per liter. Dat is een toename van ruim €0,326.
De totale pompprijs steeg met €0,853. Ongeveer 38% van die stijging komt in deze eenvoudige vergelijking door hogere accijns en btw. Ongeveer 62% zit in het deel vóór belasting.
Dat maakt twee populaire conclusies tegelijk onjuist. De eerste onjuiste conclusie is dat belastingen niets met de hoge prijs te maken hebben. Ruim €1,27 van een liter van €2,466 bestaat uit accijns en btw. Zonder die belastingen zou de literprijs in deze rekensom rond €1,19 liggen.
De tweede onjuiste conclusie is dat de hele stijging door Den Haag komt. Het belastingaandeel daalde zelfs van ongeveer 58,7% van de pompprijs in juli 2008 naar 51,6% nu. Het deel vóór belasting steeg sneller.
Daarbij is inflatie opnieuw belangrijk. De belasting van €0,947 uit juli 2008 vertegenwoordigt in huidige koopkracht ongeveer €1,48. De actuele nominale belasting van €1,273 ligt daaronder.
De overheid ontvangt dus meer euro's per liter dan in 2008, maar die euro's zijn minder waard geworden. Wie alleen nominale bedragen vergelijkt, verwart geldontwaarding met een volledige belastingverhoging.
Waarom btw extra hard doorwerkt
Accijns is een vast bedrag per liter. Btw is een percentage over de volledige verkoopprijs, inclusief de accijns.
Wanneer olie, raffinage of vervoer duurder wordt, stijgt daardoor automatisch ook het bedrag aan btw. De overheid ontvangt dan meer zonder dat het btw-tarief hoeft te veranderen.
Bij €2,466 per liter bedraagt de btw ongeveer €0,428. In juli 2008 was dat ongeveer €0,258. Een deel van dit verschil komt door de verhoging van het btw-tarief van 19% naar 21%. Een ander deel ontstaat simpelweg doordat 21% wordt berekend over een veel hogere prijs vóór btw.
Dit is ook waarom een tijdelijke verlaging van de accijns de pompprijs vrij direct kan verlagen, terwijl een lagere olieprijs niet altijd meteen volledig zichtbaar is.
Raffinage kan een eigen crisis hebben
Ruwe olie en benzine zijn twee verschillende markten. De prijs van ruwe olie wordt vooral bepaald door wereldwijde productie, voorraden, geopolitiek en de verwachte vraag. De prijs van benzine hangt daarnaast af van beschikbare raffinagecapaciteit en de vraag naar specifieke brandstoffen.
Een raffinaderij kan niet onbeperkt één product maken. Uit een vat komen verschillende producten. Wanneer vooral benzine, diesel of kerosine schaars is, kan de groothandelsprijs van dat product sneller stijgen dan de ruwe olieprijs.
Ook onderhoud, storingen, strengere productspecificaties, lage voorraden en problemen in de scheepvaart kunnen de marge tussen ruwe olie en brandstof vergroten. Die marge wordt vaak de raffinagemarge genoemd.
In 2008 draaide de discussie vooral om de extreme prijs van ruwe olie. In 2026 spelen ook verstoringen in de aanvoer en de markt voor afgewerkte brandstoffen een grote rol. Dat maakt een vergelijking met alleen het Brent-koersje te smal.
De plek waar je tankt is veel belangrijker geworden
Het opvallendste Nederlandse cijfer zit misschien niet tussen 2008 en 2026, maar tussen twee tankstations.
In juli 2008 was een bemand snelwegstation gemiddeld 8,6 cent per liter duurder dan een onbemand station buiten de snelweg. In augustus 2026 was het verschil 27,9 cent.
Het locatieverschil is daarmee ruim verdrievoudigd. Bij een tankbeurt van 50 liter scheelt de keuze van het station nu gemiddeld bijna €14. In 2008 was dat ongeveer €4,30.
Dit verschil mag niet volledig als pure winst van een tankstation worden gezien. Snelweglocaties hebben andere grondkosten, huurafspraken, openingstijden, personeel en bezoekersstromen. De cijfers laten wel zien dat gemak, locatie en lokale concurrentie veel zwaarder op de rekening zijn gaan drukken.
Wie langs de snelweg de grote prijsborden ziet, kan daardoor het gevoel krijgen dat alle benzine veel harder is gestegen dan uit het landelijke gemiddelde blijkt.
Waarom een lagere olieprijs niet direct aan de pomp staat
De prijsbeweging loopt door een keten. Tankstations kopen niet iedere ochtend een vat Brent om het diezelfde middag als benzine te verkopen. Voorraden zijn eerder ingekocht. Leveringscontracten hebben verschillende looptijden. Raffinaderijen bepalen productprijzen op hun eigen markt. Transport en distributie kosten tijd.
Daardoor ontstaat vertraging. Een plotselinge stijging kan snel in groothandelsprijzen en adviesprijzen verschijnen wanneer bedrijven nieuwe inkoop verwachten. Een daling kan langer duren wanneer eerst duurdere voorraden worden verkocht.
Dat verschijnsel wordt soms omschreven als prijzen die omhoogschieten en langzaam terugzakken. Het kan door voorraden en contracten ontstaan, maar ook door beperkte lokale concurrentie. Alleen uit een verschil tussen Brent en de pompprijs kan niet worden bewezen dat bedrijven te veel winst maken.
Daarvoor zijn gegevens nodig over groothandelsprijzen, raffinagemarges, inkoopcontracten, stationskosten en gerealiseerde marges.
Een volle tank laat het inflatie-effect goed zien
Vijftig liter Euro95 kostte in juli 2008 gemiddeld €80,65. Tegen de recente gemiddelde dagprijs kost dezelfde hoeveelheid €123,30. De automobilist betaalt dus €42,65 meer.
Na inflatiecorrectie is die tankbeurt uit 2008 ongeveer €126,23 waard in geld van 2026. De actuele tankbeurt is dan bijna €3 goedkoper.
Dat voelt voor veel mensen niet zo. Brandstof wordt afzonderlijk afgerekend en de prijs staat metershoog langs de weg. Lonen, huren, boodschappen en andere prijzen zijn over achttien jaar ook gestegen, maar die totale geldontwaarding is minder zichtbaar op één moment.
Bovendien verschilt inflatie per huishouden. Iemand die veel rijdt, geen elektrische auto kan betalen en langs een dure snelweg moet tanken, merkt veel meer van de brandstofprijs dan het gemiddelde huishouden in de CPI.
Een statistisch eerlijke vergelijking maakt de persoonlijke pijn dus niet ongedaan. Zij voorkomt wel dat die pijn met een verkeerde factor wordt uitgelegd.
Wie verdient eraan?
Er is geen enkele partij die automatisch het volledige verschil ontvangt.
De olieproducent
Een hogere Brent-prijs helpt de omzet van olieproducenten. Hun winst hangt ook af van productiekosten, belastingen, volumes en afdekkingscontracten. De Nederlandse pompprijs zegt weinig over hun winst per vat.
De raffinaderij
Een raffinaderij verdient aan het verschil tussen de waarde van afgewerkte producten en de kosten van ruwe olie plus verwerking. Een hoge pompprijs kan samengaan met een sterke raffinagemarge, maar dat hoeft niet altijd.
Het tankstation
Het station ontvangt de verkoopprijs, maar betaalt brandstof, logistiek, personeel, locatie, onderhoud, energie en betaalverkeer. Vooral het grote verschil tussen snelweg en onbemande locaties toont dat het verdienmodel per station sterk verschilt.
De overheid
De overheid ontvangt een vast accijnsbedrag en 21% btw over de prijs inclusief accijns. Daardoor stijgen de belastinginkomsten in euro's wanneer de marktprijs stijgt. Tegelijk is het belastingaandeel van de totale literprijs in deze vergelijking lager dan in juli 2008.
Wat betekent dit voor beleggers?
Voor beleggers is de pompprijs geen zuivere koopindicator voor Shell, BP of ExxonMobil. Geïntegreerde oliebedrijven hebben meerdere activiteiten. Hogere olieprijzen helpen meestal de productieactiviteiten. Raffinagemarges bepalen een ander deel van de winst. Handel, lng, chemicaliën en tankstations reageren weer anders.
Gespecialiseerde raffinaderijen kunnen juist profiteren wanneer benzine en diesel veel duurder worden dan ruwe olie. Luchtvaartmaatschappijen, transportbedrijven en chemiebedrijven krijgen hogere kosten. Winkeliers kunnen merken dat huishoudens na een dure tankbeurt minder geld overhouden.
De macro-economische invloed is minstens zo belangrijk. Duurdere brandstof verhoogt de inflatie direct en via transportkosten. Centrale banken kunnen daardoor de rente langer hoog houden of verhogen. Dat raakt vooral hoog gewaardeerde groeiaandelen en bedrijven met veel schuld.
De recente stijging boven $100 per vat is daarom breder dan een energieverhaal. Zij kan doorlopen naar obligaties, valuta, consumentenbestedingen en waarderingen op de beurs.
Waar de pompprijs vanaf nu naartoe kan
De actuele pompprijs van het CBS loopt enkele dagen achter op de nieuwste oliebeweging. Brent sloot op 10 september op $107,63 na een sterke stijging. Als die prijs en de huidige raffinagemarges standhouden, kan een deel daarvan nog in de Nederlandse pompprijs verschijnen.
Een terugval van Brent garandeert omgekeerd geen even grote daling per liter. De euro kan verzwakken, productmarges kunnen hoog blijven en accijns verandert niet mee met de olieprijs.
De belangrijkste variabelen zijn daarom:
• Brent in euro's, niet alleen in dollars;
• de groothandelsprijs van benzine;
• raffinagecapaciteit en productvoorraden;
• de vaste accijns en het btw-bedrag;
• de afstand tussen snelwegprijzen en goedkope onbemande stations;
• nieuwe verstoringen in olieproductie en scheepvaart.
Mijn conclusie
De virale vergelijking bevat een kern van waarheid en een grote rekenfout. De kern van waarheid is dat Brent in dollars ongeveer een kwart onder de piek van 2008 staat, terwijl de Nederlandse pompprijs nominaal ruim de helft hoger is. Een vat ruwe olie en een liter benzine bewegen dus duidelijk niet één op één.
De rekenfout is de stelling dat benzine drie keer zo duur werd. Officiële CBS-cijfers komen uit op ongeveer 53% tegenover de piekmaand van 2008. Na correctie voor inflatie is de huidige literprijs zelfs iets lager dan toen.
De zwakkere euro wist vrijwel de volledige daling van Brent in dollars uit. Accijns en btw voegen samen ruim €1,27 per liter toe. Toch verklaren belastingen minder dan de helft van de nominale stijging sinds juli 2008. De rest zit in de duurdere europrijs van olie, raffinage, bijmenging, transport, distributie, exploitatie en marges.
De meest opvallende verdrievoudiging bestaat wel degelijk, maar ergens anders. Het gemiddelde prijsverschil tussen een bemand snelwegstation en een onbemand station buiten de snelweg groeide van 8,6 naar 27,9 cent per liter.
Wie wil weten waarom tanken zo duur voelt, moet dus verder kijken dan één oliekoers. De pompprijs is tegelijk een grondstoffenprijs, een valutaprijs, een productprijs, een belastingprijs en een prijs voor gemak.





































































































































Opmerkingen