top of page

Hogere marktrentes raken de economie pas echt bij herfinanciering

57 minuten geleden
6 minuten om te lezen

In het kort

De ECB verhoogde in september haar rente, terwijl de kapitaalmarkt een hogere vergoeding voor langlopende financiering verlangt. Die beweging raakt nieuwe leningen meteen, maar bestaande vaste contracten vaak pas later. Daardoor kan een economie nog redelijk draaien terwijl een zwaardere renterekening onderweg is. Voor huishoudens en bedrijven zijn de vervaldata van leningen minstens zo belangrijk als het rentepercentage op het scherm.


Een onderneming kan vandaag dezelfde rente betalen als vorig jaar en toch financieel kwetsbaarder zijn geworden. Dat gebeurt wanneer haar goedkope lening binnenkort afloopt. De huidige winst laat dan nog de oude financieringskosten zien, terwijl een nieuwe overeenkomst tegen een hoger tarief moet worden afgesloten. De rentestijging is economisch al relevant voordat zij volledig in de resultaten verschijnt.


Op 10 september besloot de Europese Centrale Bank haar drie beleidsrentes met 0,25 procentpunt te verhogen. De depositorente bedraagt sinds 16 september 2,50 procent. De centrale bank wees op aanhoudende inflatiedruk en op onzekerheid over groei en energieprijzen. Dit zijn beleidsrentes voor het banksysteem, geen tarieven waartegen een huishouden een hypotheek afsluit.


Een langlopende marktlening bevat ook verwachtingen over toekomstige korte rentes en een vergoeding voor looptijd- en kredietrisico. Daardoor kan de hypotheekrente stijgen voordat de ECB daadwerkelijk beslist. Zij kan ook minder hard bewegen dan de beleidsrente. Het is de combinatie van markttarief, bankmarge, onderpand en contractvorm die uiteindelijk op de maandrekening verschijnt.



Dezelfde rentebeweging raakt drie balansen verschillend

Voor een nieuwe lener werkt een hoger tarief direct door in de offerte. Voor een bestaande lener met lange rentevastperiode verandert de betaling voorlopig niet. Een spaarder kan juist meer rente ontvangen, maar alleen als de bank haar vergoeding aanpast. Er bestaat geen economische regel die deze drie effecten gelijktijdig of in dezelfde omvang laat optreden.


Dat verklaart waarom een rentestijging aanvankelijk minder schade kan veroorzaken dan verwacht. Veel huishoudens en bedrijven beschikken nog over oude contracten. Ook kunnen hogere nominale inkomsten de eerste tegenwind opvangen. De vraag is vervolgens of die inkomsten blijven groeien wanneer meer leningen tegen nieuwe voorwaarden moeten worden verlengd.


Neem een onderneming met €5 miljoen schuld tegen 2 procent rente. Haar jaarlijkse rentelast is €100.000. Wanneer 20 procent van de schuld tegen 5 procent wordt geherfinancierd, wordt de nieuwe rekening €4 miljoen maal 2 procent plus €1 miljoen maal 5 procent: €130.000. De marktrente ligt drie procentpunten hoger, maar de gemiddelde rente op de hele schuld stijgt voorlopig slechts naar 2,6 procent.



Als uiteindelijk alle schuld tegen 5 procent wordt gefinancierd, bedraagt de jaarlijkse rente €250.000. Het verschil tussen €130.000 en €250.000 is geen detail. Het beschrijft de vertraging waarmee een rentebeweging door de resultaten kan lopen. De module houdt de schuld constant en rekent zonder aflossing; een onderneming die haar lening verkleint, kan de schok dempen.


Voor banken kan herprijzing de rentemarge beïnvloeden, maar hogere rente is ook voor hen niet uitsluitend gunstig. Financieringskosten kunnen stijgen en klanten kunnen meer betalingsproblemen krijgen. Een beoordeling van de sector vraagt daarom zowel de opbrengstkant als kredietverliezen en de concurrentie om spaargeld.


Een procentpunt extra kost bij een hypotheek meer dan het lijkt

Voor huishoudens is het onderscheid tussen rente en maandlast belangrijk. Bij een annuïteitenhypotheek bestaat de betaling uit rente en aflossing. Het renteaandeel verandert gedurende de looptijd, terwijl de maandbetaling bij gelijkblijvende rente constant blijft. Daarom is een procentpunt extra rente niet simpelweg één procent van het oorspronkelijke leenbedrag bovenop iedere maandbetaling.


Neem een nieuw af te sluiten annuïteitenlening van €300.000 met een looptijd van dertig jaar. Bij 3 procent rente bedraagt de bruto maandbetaling ongeveer €1.265. Bij 4 procent wordt dat ongeveer €1.432. Het verschil is circa €167 per maand, of ongeveer €2.008 per jaar. Aflossing is in beide bedragen inbegrepen; belastingen, verzekeringen en andere woonkosten niet.


De formule luidt: maandbedrag is hoofdsom maal maandrente, gedeeld door één min één plus maandrente tot de macht min het aantal maanden. De maandrente is hier de jaarrente gedeeld door twaalf. Bij nul rente wordt de hoofdsom eenvoudig verdeeld over alle maanden. Zo blijft ook de grenssituatie begrijpelijk.



Het voorbeeld is geen gemiddelde hypotheek en geen offerte. Wie nog maar twintig jaar hoeft af te lossen, krijgt een andere maandlast. Wie deels aflossingsvrij leent, heeft weer een andere kasstroom. Een Nederlands huishouden kan bovendien fiscale gevolgen hebben, terwijl in België andere regels gelden. Daarom toont de module bruto bedragen en geen schijnbaar universeel nettoresultaat.


De grootste verdelingslijn loopt tussen mensen die nu moeten financieren en mensen die hun tarief lang hebben vastgezet. Een woningbezitter met een goedkoop vast contract kan beschermd zijn, terwijl een starter met hetzelfde inkomen minder kan lenen. Voor een spaarder zonder schuld kan een hogere vergoeding juist helpen. Zelfs dan telt na inflatie en belasting hoeveel koopkracht overblijft.


Een vast woonbudget rekent terug naar een lagere lening

De omgekeerde vraag begint niet bij de woningprijs, maar bij het maandbedrag. Hoeveel kan iemand lenen als maximaal €1.400 bruto per maand beschikbaar is voor rente en aflossing? Bij een dertigjarige annuïteit en 4 procent rente komt dat neer op ongeveer €293.000. Bij 3 procent is het ongeveer €332.000. Alleen de rente verandert; het budget en de looptijd blijven gelijk.


Dat verschil is een technische betaalbaarheidsberekening, geen voorspelling van huizenprijzen. De marktprijs hangt ook af van inkomens, beschikbare woningen, eigen geld, regels en concurrerende kopers. Een lagere leencapaciteit kan druk geven op prijzen, maar een groot aanbodtekort kan die doorwerking beperken. Een vaste omzetting van één procentpunt rente naar een bepaald percentage prijsdaling zou te veel suggereren.



Bij ondernemingen werkt dezelfde redenering via kasstromen. Een investering moet genoeg opleveren om rente, onderhoud, belasting en het risico voor aandeelhouders te dragen. Als het vereiste rendement stijgt, vallen sommige projecten af. Dat kan economisch nuttig zijn bij zwakke projecten, maar ook productiviteitsgroei vertragen wanneer financiering van kansrijke investeringen te duur wordt.


De prijs van een aandeel bevat toekomstige opbrengsten. Een hogere disconteringsvoet, de rente waarmee die opbrengsten naar vandaag worden teruggerekend, verlaagt hun huidige waarde wanneer de opbrengsten verder gelijk blijven. Maar dat laatste is een voorwaarde. Als een sterke economie tegelijkertijd de winstverwachtingen verhoogt, kunnen die twee krachten elkaar deels compenseren. Uit stijgende rente volgt dus niet automatisch een dalende beurs.


De vervalkalender bepaalt de rekening voor 2027 tot 2029

Voor de voorbeeldonderneming vergelijken we drie financieringspaden. De schuld blijft €5 miljoen. Aan het begin van 2027 wordt een derde verlengd, aan het begin van 2028 nog een derde en aan het begin van 2029 het laatste derde. Iedere tranche houdt daarna de rente die bij verlenging is afgesproken. De oorspronkelijke rente bedraagt 2 procent.


In het basisscenario van aanhoudend hogere financieringskosten wordt elke tranche tegen 5 procent verlengd. De jaarlijkse rentelast stijgt dan naar €150.000 in 2027, €200.000 in 2028 en €250.000 in 2029. In een pad van afnemende prijsdruk gebruiken we achtereenvolgens 4,5, 4 en 3,5 procent voor nieuwe tranches. De rekening wordt dan ongeveer €141.667, €175.000 en €200.000.


Bij hardnekkige prijsdruk bedragen de nieuwe tarieven 5,5, 6 en 6 procent. De jaarlijkse rente komt uit op circa €158.333, €225.000 en €291.667. Dit zijn samenhangende gevoeligheden voor de prijs van financiering, geen marktverwachtingen. Wij modelleren geen omzetgroei en leiden dus ook geen winstprognose af uit deze paden.



De sterkste tegenwerping is dat hogere rente kan samengaan met een sterke economie. Ondernemingen verkopen dan meer of verhogen hun prijzen, waardoor zij de rentelast kunnen dragen. Ook aflossing en hedging kunnen beschermen. Dat argument maakt een algemene crisisclaim onhoudbaar zonder aanvullende gegevens over schuld, kasstromen en contracten.


Het neemt de herfinancieringsvraag niet weg. Een bedrijf met stijgende omzet kan alsnog klem komen wanneer marges dalen en veel schuld tegelijk vervalt. Het belangrijkste vervolggegeven is daarom niet uitsluitend de volgende ECB-beslissing, maar de verhouding tussen kasstroom, komende aflossingen en daadwerkelijk aangeboden nieuwe tarieven. Daar wordt zichtbaar wie de rentestijging kan verwerken en wie kosten moet doorgeven, minder investeren of extra kapitaal ophalen.



Omslag: Christine Lagarde, 20 maart 2025. © Europese Unie 2025, Philippe Buissin / Europees Parlement. Bron Europees Parlement, via Wikimedia Commons. Hergebruik volgens de voorwaarden van het Europees Parlement. Archiefbeeld.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 168:04:25

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

Copyright © 2026 •

Alle rechten voorbehouden - Amsterdam - 0619930051

​Disclaimer
Let op: Beleggen brengt risico's met zich mee. Je kan (een deel van) je inleg verliezen. Niets hier mag worden beschouwd als financieel advies.. Voor advies over je persoonlijke situatie kun je het beste een adviseur inschakelen.

  • Instagram
  • Twitter
  • LinkedIn
  • YouTube
bottom of page