top of page

Een compromis over box 3 verschuift de rekening naar iemand anders

1 uur geleden
6 minuten om te lezen

In het kort

Het kabinet zoekt steun voor de begroting via afspraken over werk, inkomen en box 3. Een verlichting voor beleggers kan daarbij een politieke doorbraak opleveren, maar vraagt ook een keuze over de financiering. Uitstel van belasting verandert bovendien zowel de kaspositie van de belegger als die van de overheid. Een goed akkoord moet daarom niet alleen laten zien wie minder betaalt, maar ook wie de tegenrekening krijgt en of de uitvoering haalbaar is.


Een belastingverlaging kan tegelijk aantrekkelijk zijn voor een belegger en duur voor de schatkist. Dat is de spanning achter de begrotingsonderhandelingen. Wanneer de overheid later belasting ontvangt, houdt een belegger langer geld beschikbaar. De overheid moet dat tijdelijke gat echter opvangen met andere inkomsten, lagere uitgaven of extra schuld.


Premier Rob Jetten benoemde op 18 september drie terreinen waarop hij steun voor de begroting zoekt: lonend werk, box 3 en het investeringsklimaat, en ruimte voor afspraken tussen werkgevers en werknemers. Dat blijkt uit de uitgeschreven persconferentie. Daarmee staat de richting van de onderhandelingen vast, maar nog niet de inhoud van een akkoord. Een verwachte handreiking op vrijdag is op de peildatum van deze analyse, 24 september 2026, geen vastgestelde belastingregel.


Voor de lezer is vooral van belang welk probleem een compromis oplost. Het kan de belasting eerlijker laten aansluiten bij inkomsten, de uitvoering eenvoudiger maken of uitsluitend een meerderheid organiseren. Dat zijn verschillende doelen. Een voorstel dat op één punt vooruitgang boekt, kan op een ander punt nieuwe kosten veroorzaken.



Een onderhandelingsbod verandert de aanslag nog niet

In de kabinetsbrief van 13 september staat dat zowel de aanpassingen als hun dekking nog onvoldoende breed draagvlak hebben. Het kabinet verzocht de Eerste Kamer daarom de behandeling aan te houden. De Eerste Kamercommissie voor Financiën besloot op 22 september de bewindspersonen uit te nodigen voor mondeling overleg na de Algemene Financiële Beschouwingen in de Tweede Kamer. Het wetsdossier is daarom een betere graadmeter voor de juridische stand dan een politieke belofte. Instemming met een richting is nog geen definitieve wet, uitvoerbare regeling of gegarandeerde ingangsdatum.


Voor 2026 geldt de overbruggingssystematiek. De Belastingdienst rekent voor beleggingen en andere bezittingen met 6 procent forfaitair rendement. Het tarief is 36 procent en het heffingsvrije vermogen €59.357 per persoon. De voorlopige aanslag gebruikt voor banktegoeden 1,28 procent; dat percentage wordt later definitief vastgesteld. Een lager werkelijk rendement kan aanleiding zijn voor aanpassing via de aangifte.


Neem een alleenstaande met €250.000 uitsluitend aan beleggingen, zonder schulden of bijzondere vrijstellingen. De vereenvoudigde forfaitaire berekening wordt dan €250.000 min €59.357, maal 6 procent, maal 36 procent. De uitkomst is ongeveer €4.118 per jaar. Dat is geen percentage over iedere euro werkelijk gemaakte winst. Het is een berekening met een voorgeschreven rendement over het belaste vermogen.


Een hypothetische tariefverlaging van 36 naar 34 procent zou in dit voorbeeld ongeveer €229 schelen. Bij €100.000 aan beleggingen is de vermindering ongeveer €49; bij €500.000 ongeveer €529. Dit is nadrukkelijk een gevoeligheidsberekening, geen aangekondigde maatregel. De verschillen laten wel zien waarom de keuze tussen tarief, vrijstelling en grondslag bepalend is voor de verdeling.



Later betalen levert ruimte op maar geen gratis geld

Een heffing op jaarlijkse waardestijging vraagt eerder geld dan een heffing bij verkoop. Wie hetzelfde bedrag langer kan beleggen, profiteert mogelijk van rendement op het uitgestelde belastingbedrag. Daar staat een latere belastingclaim tegenover. Het voordeel is daarom kleiner dan het verschil tussen een belaste en een volledig onbelaste portefeuille.


In een bewust vereenvoudigd voorbeeld groeit €100.000 drie jaar achtereen met 7 procent, uitsluitend door koerswinst. Bij jaarlijkse belasting van 36 procent over die winst resteert effectief 4,48 procent groei per jaar. Na drie jaar is dat circa €114.051. Wordt uitsluitend bij verkoop aan het einde afgerekend, dan groeit het vermogen eerst naar €122.504. Na 36 procent belasting over €22.504 winst resteert ongeveer €114.403. Het verschil is circa €352.


Dit voorbeeld laat vrijstellingen, dividend, verliezen en uitvoeringsdetails weg. Het is dus geen berekening van de huidige aanslag en evenmin een volledige simulatie van het wetsvoorstel. Het is een zuivere vergelijking van betalingstijdstippen. Bij een langere looptijd of hoger positief rendement groeit het uitstelvoordeel. Bij tegenvallende rendementen wordt het kleiner. De uiteindelijke verliesregels kunnen de vergelijking ingrijpend veranderen.


De module vergelijkt daarnaast drie vermogensprofielen. Dat helpt voorkomen dat de belangen van een kleine belegger en een groot vermogen onder hetzelfde etiket verdwijnen. Voor iemand met weinig belast vermogen kan een administratieve vereenvoudiging meer betekenen dan een kleine tariefwijziging. Voor een groot vermogen kan juist het moment van afrekenen doorslaggevend zijn.



De dekking bepaalt wie het akkoord uiteindelijk financiert

Stel dat een pakket in het eerste jaar €1 miljard minder inkomsten oplevert. Dat bedrag is hier een redactionele aanname om het begrotingsmechanisme zichtbaar te maken, geen raming van een concreet onderhandelingsbod. Met €600 miljoen aan structurele dekking blijft €400 miljoen over. Wordt dat geleend tegen 3 procent, dan is de extra jaarlijkse rente op die eerste tranche €12 miljoen.


Die rente is nog niet de volledige rekening. De schuld blijft bestaan, en nieuwe tekorten kunnen erbij komen. Omgekeerd is een tijdelijke verschuiving van belastinginkomsten niet gelijk aan een permanente derving. Als de belasting later alsnog binnenkomt, kan die ontvangst de schuld verminderen. Juist daarom moeten eenmalige kasverschillen en structurele lastenverlichting apart worden beoordeeld.


De omgekeerde vraag is concreter dan de belofte dat een pakket zichzelf terugverdient. Hoeveel betrouwbare dekking is nodig om binnen een gekozen renteplafond te blijven? Wie maximaal €10 miljoen extra rente op een nieuwe tranche wil betalen bij 3 procent, kan hooguit ongeveer €333 miljoen extra lenen. Bij €1 miljard kosten is dan minstens €667 miljoen dekking nodig.



Een kabinet kan verwachten dat aantrekkelijkere regels extra investeringen opleveren. Dat mechanisme bestaat: minder onzekerheid en een lager effectief beslag op opbrengsten kunnen investeringen interessanter maken. Maar daaruit volgt niet dat elke euro belastingverlaging automatisch als belastinginkomst terugkomt. Geld kan ook naar bestaande effecten, buitenlandse beleggingen, consumptie of schuldaflossing gaan. De opbrengst hangt af van gedrag en economische omstandigheden.


Ook lagere uitgaven hebben verdelingseffecten. Een minder zichtbare versobering van een publieke voorziening kan voor een huishouden zwaarder wegen dan de zichtbare vermindering van een aanslag. Een onderhandeling wordt economisch pas transparant wanneer beide kanten tegelijk worden getoond.


Drie begrotingspaden maken uitstel zichtbaar

Voor 2027, 2028 en 2029 vergelijken we drie eigen scenario’s met telkens €1 miljard jaarlijkse pakketkosten. In de gedekte variant wordt dat bedrag volledig opgevangen. Het basisscenario vindt jaarlijks €600 miljoen dekking en leent €400 miljoen. De ongedekte variant leent de volledige miljard. De rente is in alle varianten 3 procent; rentelasten worden uit lopende middelen betaald en niet opnieuw geleend.


Bij het basisscenario loopt de extra schuld eind 2027, 2028 en 2029 op tot €400 miljoen, €800 miljoen en €1,2 miljard. De jaarlijkse rente op die schuldstand bedraagt respectievelijk €12 miljoen, €24 miljoen en €36 miljoen. Bij volledig lenen worden die bedragen €30 miljoen, €60 miljoen en €90 miljoen. We rekenen alsof iedere jaartranche vanaf het begin van het jaar uitstaat; uitgifte gedurende het jaar geeft aanvankelijk minder rente.



Deze paden zijn geen voorspellingen voor de Nederlandse staatsschuld. Ze isoleren één begrotingskeuze. Groei, inflatie, latere belastingontvangsten, andere maatregelen en veranderende rentes zijn bewust buiten het model gehouden. Dat maakt het geschikt om een voorstel te controleren, maar ongeschikt om zonder meer de gehele schuldquote mee te ramen.


De sterkste tegenwerping is dat zekerheid over de regels zélf waarde heeft. Een werkbaar compromis kan jaren van uitstel, procedures en beleidswisselingen beëindigen. Daar kan een economische opbrengst tegenover staan die een eenvoudige kasberekening mist. Dat argument verdient gewicht, vooral wanneer ondernemingen en huishoudens beslissingen uitstellen door onduidelijkheid.


Het ontslaat de politiek alleen niet van de plicht de prijs te tonen. Een compromis is overtuigend als de regels uitvoerbaar zijn, de verliesbehandeling klopt en de financiering niet wordt verstopt in optimistische gedragseffecten. Het doorslaggevende nieuwe gegeven wordt daarom een uitgewerkt akkoord met concrete dekking en een uitvoeringstoets. Tot dat moment is een handreiking aan de oppositie vooral een opening van de onderhandeling, geen opbrengst op de rekening van de belegger.



Omslag: Rob Jetten, 3 maart 2026. © Europese Unie 2026, Daina Le Lardic / Europees Parlement. Bron Europees Parlement, via Wikimedia Commons. Hergebruik volgens de voorwaarden van het Europees Parlement. Archiefbeeld, bestaande uitsnede.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 175:31:47

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

Copyright © 2026 •

Alle rechten voorbehouden - Amsterdam - 0619930051

​Disclaimer
Let op: Beleggen brengt risico's met zich mee. Je kan (een deel van) je inleg verliezen. Niets hier mag worden beschouwd als financieel advies.. Voor advies over je persoonlijke situatie kun je het beste een adviseur inschakelen.

  • Instagram
  • Twitter
  • LinkedIn
  • YouTube
bottom of page