Er kruipt een addertje door de kapitaalratio van ING en het heet significant risk transfer
In het kort
ING noteerde op 24 september om 17.35 uur Amsterdamse tijd op €31,52 aan Euronext Amsterdam. Het gaat om het gewone aandeel INGA met ISIN NL0011821202, niet om een ADR of achtergesteld instrument. Sinds de vorige behandeling op 22 september verscheen geen nieuw materieel bedrijfsbericht. De laatste harde financiële basis blijft daarom het tweede kwartaal, gepubliceerd op 30 juli en gemeten per 30 juni.
In dat kwartaal verdiende ING €1,947 miljard netto en realiseerde het 17% rendement op tastbaar eigen vermogen. De CET1-ratio kwam uit op 13,1%. In dezelfde publicatie staat een minder opvallend maar belangrijk detail: ING voltooide een nieuwe significant risk transfer, of SRT, die ongeveer €1 miljard verlichting van risicogewogen activa opleverde. De kapitaalratio stijgt wanneer de noemer daalt, ook als de onderliggende leningen op de balans blijven.
Dat is legitiem risicobeheer, geen boekhoudtruc. ING koopt kredietbescherming of draagt een afgebakend deel van verliezen over, waarna de toezichthouder minder kapitaal kan verlangen. Maar het economische risico verdwijnt niet volledig. ING betaalt een premie, houdt vaak de eerste verliezen, blijft klant en kredietbeheerder en draagt tegenpartij-, model- en basisrisico. De belegger moet daarom onderscheid maken tussen regelgevingskapitaal, verwachte verliezen en werkelijk overgedragen risico.
Kernpunt: €1 miljard lagere RWA is niet €1 miljard extra cash en ook niet €1 miljard extra winst. Het is ruimte in de kapitaalnoemer, waarvoor ING doorgaans een prijs betaalt.
Foto: Ljiljana Cortan, voormalig chief risk officer en sinds februari 2026 hoofd Wholesale Banking bij ING. Officiële archieffoto van ING.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
Wat een significant risk transfer werkelijk doet
Een bank verstrekt leningen en houdt daarvoor kapitaal aan. De toezichthouder weegt niet iedere euro krediet even zwaar. Een hypotheek met goede dekking krijgt een ander risicogewicht dan een risicovolle bedrijfslening. De som heet risicogewogen activa, RWA. De CET1-ratio is het beschikbare kernkapitaal gedeeld door die RWA.
Bij een SRT draagt de bank een wezenlijk deel van het kredietrisico van een portefeuille over aan beleggers of een tegenpartij. Dat kan via garanties, kredietderivaten of effecten waarin andere partijen bepaalde verlieslagen dragen. Als de transactie aan voorwaarden voldoet, mag de bank voor die portefeuille minder RWA aanhouden. De leningen kunnen ondertussen gewoon op de balans blijven en ING onderhoudt de relatie met de klant.
Het voordeel is kapitaalefficiëntie. Met dezelfde CET1-teller kan ING meer krediet verstrekken, kapitaal teruggeven of een grotere buffer behouden. Het nadeel is de premie voor bescherming. Bovendien kan een constructie risico verkeerd afdekken als verliezen op een andere plek ontstaan dan de beschermde tranche.
De module begint met €44,692 miljard CET1-kapitaal en €342,946 miljard RWA vóór een gekozen verlichting. Eén miljard minder RWA verbetert de ratio slechts met enkele basispunten. Dat is nuttig, maar duidelijk iets anders dan één miljard extra kapitaal. Nieuwe kredietgroei kan die noemerwinst bovendien weer gebruiken.
De economische rekening achter de ratio
ING vermeldt dat premies en kosten voor kredietbescherming in de risicokosten terugkomen. Dat is analytisch belangrijk. Een lagere RWA maakt kapitaal vrij, maar de bescherming verlaagt de winst wanneer de premie hoger is dan het vermeden verwachte verlies en het rendement op de vrijgespeelde ruimte.
De juiste vergelijking heeft drie onderdelen. Ten eerste betaalt ING premie over een beschermde portefeuille of tranche. Ten tweede vergoedt de bescherming verliezen wanneer de afgesproken drempels worden geraakt. Ten derde kan ING de kapitaalruimte inzetten voor extra leningen, inkoop, dividend of buffer. Alleen de som bepaalt of de transactie waarde toevoegt.
De module is bewust geen reconstructie van het specifieke contract. ING publiceerde niet alle prijzen en tranchevoorwaarden in de kwartaalrelease. De schuiven zijn eigen aannames en tonen wanneer de premie meer kost dan het verwachte verlies plus het kapitaalvoordeel. Dat onderscheid voorkomt dat regelgevingsruimte als gratis winst wordt behandeld.
De bank blijft de eerste kredietbeslissing nemen
Een SRT kan goed ontworpen zijn en toch verkeerde prikkels geven. Wanneer een bank te veel risico overdraagt, kan zij minder scherp selecteren. Toezichthouders eisen daarom dat voldoende risico werkelijk wordt overgedragen en dat de bank belangen behoudt. ING blijft kredietkwaliteit beoordelen, betalingen volgen en problemen beheren.
De gemeten risicokosten waren in het tweede kwartaal €279 miljoen, gelijk aan 15 basispunten van gemiddelde klantleningen. Dat niveau is laag. Een lage actuele kredietlast maakt bescherming niet overbodig, maar verhoogt wel de kans dat de premie in rustige jaren hoger is dan de ontvangen verliesvergoeding. Dat is vergelijkbaar met verzekering: de waarde zit ook in bescherming tegen een slechte uitkomst, niet alleen in de gemiddelde uitbetaling.
Het sterke tegenargument is dat SRT’s risico juist verspreiden naar partijen die het willen dragen. Dat kan het Europese bankstelsel sterker maken en kredietverlening ondersteunen. Voor ING kan een voorspelbare premie aantrekkelijker zijn dan het volledig aanhouden van kapitaal tegen een zeldzame zware schok. Dit argument is overtuigend wanneer de prijs van bescherming lager is dan de kapitaalkosten en de tegenpartij sterk genoeg blijft in stress.
Hoe groot is de kapitaalbuffer werkelijk?
ING rapporteerde €44,692 miljard beschikbaar CET1-kapitaal en €341,946 miljard RWA na de transacties. De gerapporteerde ratio van 13,1% lag boven een toenmalige CET1-eis van ongeveer 11,06%. Dat geeft circa twee procentpunt buffer, maar het bedrag is niet volledig vrij uitkeerbaar. RWA, toezichteisen, valutabewegingen, pensioeneffecten en verliezen kunnen tegelijk veranderen.
Een kredietschok van €3 miljard na bescherming verlaagt in het eenvoudige model de kapitaalteller direct. In werkelijkheid lopen voorzieningen via de winst en kunnen risicogewichten tegelijk stijgen. Een bedrijf dat van investment grade naar zwakker krediet verhuist, kan dus zowel de teller als de noemer verslechteren. Dat dubbel effect ontbreekt in een statische ratio.
Daarom is een buffer geen kaspot. ING moet vertrouwen van depositohouders, schuldeisers, toezichthouders en klanten behouden. Een bank die precies op de minimumeis opereert, heeft weinig ruimte om in een recessie te blijven uitlenen of kapitaal terug te geven.
Wat betaalt de belegger bij €31,52?
ING rapporteerde per 30 juni €50,246 miljard gewoon eigen vermogen en ongeveer 2,860 miljard aandelen. Dat is €17,57 boekwaarde per aandeel. De koers van €31,52 staat daarmee op ongeveer 1,79 keer boekwaarde.
Een bank kan boven boekwaarde noteren wanneer zij duurzaam meer verdient dan haar kosten van eigen vermogen. De reverse Gordon-relatie maakt dat expliciet. Bij 3% duurzame boekwaardegroei en 10% kosten van eigen vermogen vereist 1,79 keer boekwaarde een duurzame ROE van ongeveer 15,6%. Dat ligt onder de 17% uit het tweede kwartaal, maar één geannualiseerd kwartaal is geen eeuwigheid.
ING begeleidt voor 2026 naar meer dan €24,5 miljard inkomsten, €12,6 tot €12,8 miljard operationele kosten, meer dan 15% ROTE en ongeveer 13% CET1. Voor 2027 noemt de bank meer dan €26 miljard inkomsten en meer dan 16% ROTE. Dit zijn bedrijfsverwachtingen, geen gemeten feiten. De huidige koers impliceert dat ING dicht bij die winstgevendheid blijft terwijl kredietkosten en beschermingspremies beheersbaar zijn.
Dividend en inkoop niet dubbel tellen
ING keerde €0,40 interim-dividend per aandeel uit. Kapitaalretour is waardevol, maar verlaagt na betaling het eigen vermogen. Een koersscenario op basis van toekomstige boekwaarde mag hetzelfde dividend niet nogmaals aan de koers toevoegen. Daarom tonen onze scenario’s alleen mogelijke koersen. Ontvangen dividend hoort apart bij totaalrendement.
Hetzelfde geldt voor aandeleninkoop. Minder aandelen kunnen de winst per aandeel verhogen, maar inkoop boven boekwaarde verlaagt de boekwaarde per overblijvend aandeel als de betaalde prijs hoger is dan het ingetrokken boekkapitaal. Een belegger mag dus niet tegelijk een lagere aandelenteller, ongewijzigde boekwaarde per aandeel en volledige cashretour aannemen.
Drie mogelijke koerspaden
In het bearscenario groeit de boekwaarde per aandeel beperkt van €18 naar €18,40 en €18,80, terwijl de koers/boekwaarde-multiple daalt van 1,35 naar 1,25 en 1,20. De mogelijke koersen zijn €24,30, €23,00 en €22,56. Dit past bij hogere kredietkosten, duurdere bescherming en een lagere duurzame ROE.
Het middenscenario gebruikt boekwaardes van €18,50, €19,50 en €20,50 met multiples van 1,65, 1,60 en 1,55. De mogelijke koersen zijn €30,53, €31,20 en €31,78. De koers blijft vrijwel vlak, maar dividend kan totaalrendement toevoegen. Die uitkering staat bewust niet in de tabel.
Het gunstige scenario veronderstelt €19, €20,50 en €22 boekwaarde per aandeel en multiples van 1,90, 1,90 en 1,85. De mogelijke koersen zijn €36,10, €38,95 en €40,70. Dit vereist dat ING de ROTE-doelen haalt, kapitaal efficiënt inzet en kredietverliezen laag houdt.
Concurrentie en risico’s buiten het SRT-model
ING concurreert om deposito’s, hypotheken, zakelijke kredieten en betaalrelaties. Digitale schaal helpt de kosten per klant te verlagen, maar prijsvergelijking maakt spaarders mobieler. De rentemarge kan versmallen wanneer depositokosten sneller stijgen dan de opbrengst op leningen. Dat was de kern van de vorige behandeling en wordt hier niet opnieuw als nieuw nieuws gebracht.
Daarnaast telt concentratie. Een SRT kan een portefeuille afdekken, maar niet automatisch alle sectoren, landen of operationele risico’s. Cyberincidenten, witwasboetes en modelrisico staan los van kredietbescherming. Wholesale Banking kan hoge inkomsten leveren, maar kent grotere tickets en complexere tegenpartijen.
Tegenpartijrisico verdient extra aandacht. Bescherming is alleen waardevol als de verstrekker betaalt wanneer de kredietcyclus verslechtert. Onderpand en margeafspraken beperken dat risico, maar elimineren het niet. Een correlatieschok kan kredietnemers en beschermingsverkopers tegelijk raken.
Wat we de komende kwartalen volgen
Vier maatstaven vertellen of de SRT-strategie waarde creëert. De eerste is de CET1-ratio na uitkeringen en groei. De tweede zijn de totale risicokosten, inclusief premies voor bescherming. De derde is RWA-groei tegenover klantleningen: een opvallend groot verschil vraagt uitleg. De vierde is duurzame ROTE na alle kosten, niet alleen vóór beschermingspremies of incidentele posten.
Lees ook: Koop je na de koersval van Goldman Sachs kwaliteit of betaal je voor een uitzonderlijk beursjaar?
Conclusie
ING heeft een sterke winstbasis, een CET1-buffer boven de eis en een managementdoel van meer dan 15% ROTE. Significant risk transfer kan die balans efficiënter maken. De €1 miljard RWA-verlichting uit het tweede kwartaal is daarom positief, maar niet gelijk aan verdwenen kredietrisico of gratis aandeelhouderskapitaal.
Bij €31,52 betaalt de belegger ongeveer 1,79 keer de boekwaarde van 30 juni. Die prijs is verdedigbaar wanneer ING duurzaam rond 16% rendement op eigen vermogen verdient, beschermingskosten beheerst en de boekwaarde per aandeel na dividend en inkoop laat groeien. De ratio alleen bewijst dat niet. De winst na alle risico- en kapitaalkosten moet het doen.
Bronnen en peildata: ING resultaten over het tweede kwartaal gepubliceerd op 30 juli 2026, het volledige Q2-rapport, de Euronext-instrumentpagina voor INGA en koers €31,52 op 24 september 2026 om 17.35 uur Amsterdamse tijd. De onbekende referentiegetallen uit lijst B zijn niet gebruikt.






































































































































Opmerkingen