top of page

Hoeveel tegenwind van de Fed kan jouw aandeel verdragen?

59 minuten geleden
7 minuten om te lezen

In het kort

De Federal Reserve houdt een nieuwe renteverhoging in beeld, blijkt uit de op 7 oktober gepubliceerde notulen van de septembervergadering. Voor aandelen verhoogt dat de druk op de winst: bedrijven moeten meer verdienen wanneer beleggers minder voor die winst willen betalen. Tegelijk zijn de inflatiecijfers inmiddels gunstiger dan de Fed tijdens die vergadering inschatte. Een hogere rente is daarom een risico om door te rekenen, geen aankondiging van een onvermijdelijke beursdaling.


Wie alleen naar het volgende rentebesluit kijkt, mist de belangrijkste vraag voor zijn aandelen. Een onderneming met veel schuld, weinig vrije kasstroom en een hoge waardering reageert anders dan een bedrijf dat zijn investeringen zelf kan betalen. De rente werkt zowel door in de rekening van het bedrijf als in de prijs die beleggers voor toekomstige opbrengsten overhebben.


Daar komt een ongemakkelijke dubbelrol van AI bij. De investeringsgolf kan omzet en winst verhogen, maar vraagt tegelijkertijd om kapitaal, elektriciteit en schaarse apparatuur. Dezelfde ontwikkeling die het groeiverhaal voedt, kan financiering duurder maken. Voor beleggers wordt het daardoor belangrijker om te kijken wat er na alle investeringen voor de aandeelhouder overblijft.



Een renteverhoging blijft mogelijk maar staat niet vast

De Fed verhoogde op 16 september de beleidsrente met 0,25 procentpunt naar een bandbreedte van 3,75 tot 4 procent. Alle twaalf stemgerechtigde leden stemden voor. Het besluit past bij het beeld dat de centrale bank toen schetste: een stevig groeiende economie met hardnekkige inflatie. Een renteverhoging moet de vraag afremmen en de prijsstijging richting de doelstelling van 2 procent brengen.


In de septemberprognoses voorzagen zestien van de achttien deelnemers een beleidsrente aan het einde van 2026 boven het toen net vastgestelde niveau. Twaalf rekenden op nog één stap van 0,25 procentpunt en vier op twee van zulke stappen. Dat zijn individuele inschattingen van passend beleid, geen afgesproken draaiboek. De notulen laten bovendien ruimte om van koers te veranderen als nieuwe gegevens daar aanleiding toe geven.


De volgende besluiten staan volgens de Fed-kalender gepland voor 28 oktober en 9 december. Opvallend is de volgorde: de officiële PCE-inflatie over september verschijnt volgens het BEA-publicatieschema pas op 29 oktober. De Fed moet het oktoberbesluit dus nemen zonder die officiële septemberuitkomst, al beschikt zij over andere prijsgegevens en eigen ramingen. Dat maakt een stellige voorspelling over de eerstvolgende vergadering weinig overtuigend.


De inflatie is lager dan de notulen op het eerste gezicht suggereren

Tijdens de septembervergadering rekende de Fed-staf voor augustus op 3,8 procent totale PCE-inflatie en 3,4 procent kerninflatie. Met de aangekondigde nieuwe meetmethode schatte zij die cijfers op 3,6 en 3,2 procent. De op 30 september gepubliceerde BEA-cijfers kwamen uit op respectievelijk 3,4 en 3,0 procent. Kerninflatie laat voedsel en energie buiten beschouwing; PCE volgt de prijzen van Amerikaanse consumptieve bestedingen.


Die meevaller vraagt wel om de juiste vergelijking. In de herziene BEA-reeks staat zowel juli als augustus op 3,4 procent totale inflatie ten opzichte van een jaar eerder. Het verschil tussen de oude Fed-raming en de nieuwe augustusuitkomst is dus geen gemeten maandelijkse daling van de jaarinflatie met 0,4 procentpunt. Nieuwe informatie en herziene statistiek maken het beeld anders, zonder dat daarmee alle prijsdruk is verdwenen.


Voor aandelen is dit een serieus tegenargument tegen een te sombere lezing van de notulen. Als de prijsdruk verder afneemt terwijl bedrijfswinsten groeien, wordt de noodzaak van extra verkrapping kleiner. Maar één gunstiger meting bewijst nog geen duurzame terugkeer naar 2 procent. Een centrale bank kan zich minder soepel opstellen dan beleggers hopen wanneer zij vreest dat inflatie opnieuw oploopt.


Een hogere rente raakt verre winsten het hardst

De eenvoudigste uitleg begint bij een bedrag dat pas later binnenkomt. Een ontvangst van 100 dollar over tien jaar is vandaag minder waard dan 100 dollar in de hand. Beleggers willen immers vergoeding voor het wachten en voor het risico. Hoe hoger het vereiste rendement, hoe minder zij nu voor die toekomstige ontvangst betalen. Dat vereiste rendement heet in een waarderingsmodel de discontovoet.


Rekenvoorbeeld: bij 8 procent bedraagt de huidige waarde 100 gedeeld door 1,08 tot de tiende macht, oftewel 46,32 dollar. Bij 9 procent is dat 100 gedeeld door 1,09 tot de tiende macht, oftewel 42,24 dollar. De waarde daalt met ongeveer 8,8 procent terwijl de ontvangst over tien jaar onveranderd blijft. Bij een ontvangst over slechts één jaar is de waardedaling ongeveer 0,9 procent.



Dit is een vereenvoudigde berekening voor één bruto ontvangst, zonder belastingen, kosten of tussentijdse betalingen. Het is geen jaarrendement en levert geen maandelijks inkomen op. Een bedrijf heeft doorgaans meerdere kasstromen, die bovendien onzeker zijn. Ook stijgt de discontovoet van een aandeel niet automatisch één op één met de Fed-rente: de lange marktrente, groeiverwachtingen en vergoeding voor ondernemingsrisico tellen mee.


Juist daarom lopen de gevolgen uiteen. Bedrijven die vandaag al veel geld verdienen, hebben meer mogelijkheden om groei zelf te financieren. Bij ondernemingen waarvan vrijwel alle waarde rust op verre winstbeloften, kan een hogere rendementseis harder aankomen. Een aantrekkelijke technologie blijft aantrekkelijk, maar dat maakt elke prijs voor het aandeel nog niet redelijk.


De rekening komt eerst bij bedrijven die opnieuw moeten lenen

Naast het waarderingseffect bestaat een veel directere rekening. Variabele leningen kunnen duurder worden en aflopende schulden moeten mogelijk tegen een hogere rente worden vernieuwd. Een bedrijf met lang vastgelegde financiering krijgt die tegenwind later dan een onderneming die volgend jaar een groot bedrag moet herfinancieren. De totale schuld vertelt daarom maar de helft van het verhaal; looptijden en voorwaarden horen erbij.


Neem een fictief Amerikaans bedrijf met 10 miljoen dollar schuld. Veronderstel dat 40 procent daarvan direct een renteaanpassing krijgt en dat de leenrente over dat deel volledig 0,25 procentpunt stijgt. De extra bruto rentelast is dan 10 miljoen maal 40 procent maal 0,0025: 10.000 dollar per jaar. Gelijkmatig verdeeld is dat ongeveer 833 dollar per maand. Bij volledige herfinanciering tegen die hogere rente zou de extra jaarlast 25.000 dollar bedragen.



Deze bedragen zijn vóór een eventueel belastingvoordeel. We veronderstellen een gelijkblijvende schuld, een heel jaar doorwerking en geen afdekking of transactiekosten. De feitelijke invloed op de nettowinst hangt af van fiscale regels en de rest van de onderneming. Bij lage marges kan een relatief kleine rentelast veel van de winst opslokken; bij een sterke kaspositie kunnen hogere rente-inkomsten een deel compenseren.


Ook obligatiebeleggers hebben twee kanten van dezelfde beweging. Wie een nieuwe obligatie koopt na een rentestijging kan een hoger rendement vastleggen. Een bestaande obligatie met een lage vaste coupon wordt bij verder gelijke omstandigheden minder aantrekkelijk en kan in koers dalen. Spaarders profiteren alleen voor zover hun bank de hogere rente doorgeeft. Hogere beleidsrente is dus geen gelijk verdeelde meevaller of tegenvaller.


Hoeveel winstgroei is nodig als de beurs minder wil betalen

Draai de koersvraag om. Stel dat een aandeel vandaag 25 keer zijn jaarwinst kost en over één jaar nog maar 22 keer. Hoeveel moet de winst per aandeel groeien om alleen al dezelfde koers te behouden? Het antwoord is 25 gedeeld door 22, min één: ongeveer 13,6 procent. Zelfs 10 procent winstgroei is in dat voorbeeld onvoldoende. De koers komt dan uit op 1,10 maal 22 gedeeld door 25, oftewel 96,8 procent van de beginstand.



De start- en eindverhouding zijn hier aannames, geen actuele waardering of koersdoel voor de S&P 500. De berekening gaat over winst per aandeel, zodat verwatering door nieuwe aandelen eveneens meetelt. Dividend, kosten en belasting ontbreken. Het punt is dat een onderneming operationeel kan verbeteren terwijl de aandeelhouder toch een lager geprijsd aandeel overhoudt.


Daar staat een belangrijk positief signaal tegenover. Volgens het marktoverzicht in de notulen werd de aandelenstijging dit jaar gedragen door gerealiseerde en verwachte winsten, terwijl waarderingsverhoudingen daalden. In hetzelfde overzicht wordt de grote kapitaalvraag voor AI genoemd als mogelijke bijdrage aan hogere obligatierentes. Dat is de analyse tijdens de septembervergadering, geen meting van de beursreactie op 7 oktober.


Sterke winstgroei kan rentetegenwind dus opvangen. De toets is of extra omzet ook voldoende winst en kasstroom oplevert na personeel, infrastructuur en financiering. Een investeringsgolf die vooral nieuwe financieringsrondes nodig heeft, biedt aandeelhouders minder houvast dan groei die zichzelf betaalt. Daarbij kunnen hogere opbrengsten bij een kleine groep leveranciers samengaan met stijgende kosten bij hun klanten.


Drie paden voor aandelen tot en met 2029

Voor de volgende scenario’s zetten we een fictief aandelenmandje eind 2026 op 100, bij 25 keer de jaarwinst. Dat is een gekozen startpunt en geen voorspelling van de werkelijke decemberkoers. De modelkoers is 100 maal de opgebouwde winstgroei maal de nieuwe koers-winstverhouding gedeeld door 25. Alle aannames hebben als peildatum 7 oktober 2026; de uitkomsten zijn nominale bruto koerswaarden zonder dividend.


In het basisscenario groeit de winst per aandeel jaarlijks 8 procent. De waardering daalt achtereenvolgens naar 24, 23 en 22 keer de winst. Het model bereikt daardoor ongeveer 104 in 2027, 107 in 2028 en 111 in 2029. Dit verbeeldt een economie waarin bedrijven blijven groeien, maar beleggers door de rente kritischer worden op de prijs. Over drie jaar groeit de winst sterker dan de koers.


In het gunstige alternatief groeit de winst jaarlijks 12 procent en blijft de waardering op 25 staan. De modelstanden worden dan ongeveer 112, 125 en 140. Dat past bij afnemende prijsdruk en investeringen die productiviteit en winst voldoende verhogen. In het tegenvallende alternatief groeit de winst slechts 3 procent en zakt de waardering naar 22, 20 en 18. De standen worden ongeveer 91, 85 en 79: winstgroei voorkomt dan geen koersverlies.



Deze scenario’s krijgen geen verzonnen kansen. Ze laten zien welke combinatie het rendement bepaalt; ze voorspellen geen Fed-besluiten of exacte indexstanden. Voor Nederlandse beleggers komt bovendien de dollar erbij. Een hogere Amerikaanse rente garandeert geen sterkere dollar, omdat ook buitenlandse rentes en verwachtingen veranderen. Een aandeel dat in dollars gelijk blijft, kan in euro’s dus alsnog winst of verlies opleveren.


Ons oordeel is dat deze notulen vooral de lat hoger leggen voor de kwaliteit van de winst. De beleggingscase wordt sterker wanneer een bedrijf echte kasstromen laat groeien, zijn schulden beheersbaar houdt en geen steeds hogere waardering nodig heeft. Een nieuwe renteverhoging zou dat onderscheid aanscherpen, maar maakt gezonde ondernemingen niet ineens oninteressant.


Dat oordeel zou positiever worden bij meerdere maanden afnemende onderliggende inflatie én bedrijfsresultaten waarin investeringen aantoonbaar meer vrije kasstroom per aandeel opleveren. Het zou verslechteren wanneer financieringskosten blijven oplopen terwijl winstverwachtingen dalen. De relevante vraag is daarom niet alleen wat de Fed doet, maar hoeveel tegenwind er al in de betaalde prijs zit.



 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page