Dalende olie en rente geven Wall Street lucht voor de winstcijfers
In het kort
Wall Street krijgt op 6 oktober steun van dalende olieprijzen en lagere obligatierentes. Dat maakt de recordstemming begrijpelijk, maar de echte test volgt bij de bedrijfswinsten. Analisten rekenen voor het derde kwartaal op 29,5 procent winstgroei bij de S&P 500. Zo’n sterke verwachting kan hogere koersen dragen, maar laat bedrijven ook minder ruimte om teleur te stellen.
De aanloop was al sterk. Op maandag 5 oktober sloot de S&P 500 op 7.773,95 punten, ongeveer 0,66 procent hoger. De Nasdaq Composite won circa 1,05 procent tot 27.477,31 punten en de Dow Jones ongeveer 0,18 procent tot 51.267,90 punten. Dit zijn slotstanden van maandag, geen intradaykoersen van dinsdag.
Dinsdag kwam daar gunstige rugwind bij. Reuters meldde vóór de Amerikaanse opening stijgingen van 0,41 procent voor de S&P 500-future en 0,52 procent voor zowel de Dow- als de Nasdaq-future. Dalende olie en lagere staatsrentes ondersteunden de handel. Een future is een termijncontract en geen slotstand van de aandelenindex. De beursbelofte achter die beweging is interessanter dan het volgende ronde koersgetal: minder kostendruk terwijl de winsten blijven groeien.
Waarom olie en rente tegelijk helpen
Lagere olieprijzen kunnen de rekening van vervoerders, industrie en huishoudens verlichten. Dat helpt de winstmarges van energiegebruikers en laat consumenten meer bestedingsruimte. Tegelijk kan minder druk van energieprijzen de inflatievooruitzichten verbeteren. Dat betekent niet dat een lagere olieprijs automatisch een renteverlaging uitlokt. Ook lonen, dienstenprijzen, begrotingen en de economische vraag spelen mee.
De obligatierente raakt aandelen via een andere route. Beleggers vergelijken toekomstige bedrijfsopbrengsten met wat zij elders kunnen verdienen. Als het vereiste rendement daalt, stijgt de waarde die zij vandaag aan eenzelfde toekomstige kasstroom kunnen toekennen. De Amerikaanse minister van Financiën Scott Bessent staat met de financiering van de staat aan de andere kant van die markt: de rente is voor de overheid een kostenpost en voor beleggers een alternatief.
Een eenvoudig rekenvoorbeeld maakt het zichtbaar. Een eenmalige ontvangst van 100 dollar over vijf jaar is bij een vereist rendement van 8,5 procent vandaag ongeveer 66,50 dollar waard. Bij 8 procent wordt dat ongeveer 68,06 dollar. De formule is 100 gedeeld door de groeifactor van het vereiste rendement tot de vijfde macht. Een halve procentpunt lagere discontovoet levert zo ongeveer 2,3 procent meer huidige waarde op, zonder dat de toekomstige ontvangst groter wordt.
Dit zijn aannames voor één kasstroom, geen gemeten rente op een specifiek aandeel. Een onderneming levert doorgaans meerdere kasstromen en kan tegenvallers ondervinden. Toch verklaart het voorbeeld waarom vooral bedrijven met veel verwachte opbrengsten in de verre toekomst gevoelig zijn voor de rente. De koers kan bewegen terwijl er nog geen extra product is verkocht.
De winstverwachting is sterker dan een losse recordkop
In zijn vooruitblik van 2 oktober verhoogde FactSet de verwachte winstgroei voor het derde kwartaal tot 29,5 procent ten opzichte van een jaar eerder, tegenover 26,7 procent aan het begin van het kwartaal. Het gaat om ramingen. Bedrijven hebben die gezamenlijke uitkomst nog niet gerapporteerd. Dezelfde publicatie noemt een koers-winstverhouding van 19,0 op basis van de verwachte winst in de komende twaalf maanden en de slotkoers van 30 september.
Dat onderscheid tussen verwachte en al verdiende winst is cruciaal. Een index kan duur lijken wanneer je achteruitkijkt en aanzienlijk redelijker geprijsd wanneer de verwachte winst sterk groeit. De tweede berekening is alleen zo goed als die verwachting. Een lage verhouding op basis van winst die later niet wordt verdiend, biedt geen bescherming tegen koersverlies.
De fondsgegevens van iShares voor CSPX geven met peildatum 30 september een P/E van 30,28. Dat is een ander waarderingskengetal dan FactSets expliciet vooruitkijkende maatstaf; de twee kunnen niet zonder meer worden verwisseld. Wie verschillende winstdefinities naast elkaar zet alsof ze dezelfde noemer hebben, maakt de beurs naar wens goedkoop of duur. Voor een scenario moet daarom vooraf duidelijk zijn welke winst en welke verhouding worden gebruikt.
De sterkste tegenwerping tegen voorzichtigheid is dat succesvolle ondernemingen hun markt jarenlang kunnen uitbreiden. Als investeringen in technologie productiviteit verhogen, kunnen winst en kasstroom de huidige koersen inhalen. Dat is een serieuze mogelijkheid. De toets zit bij betalende klanten, bruikbare toepassingen en rendement op geïnvesteerd kapitaal. Een groot investeringsbudget is nog geen bewijs van een groot rendement.
Een Nederlandse belegger heeft ook een dollarpositie
Zelfs wanneer de Amerikaanse beurs het goed doet, kan de opbrengst in euro’s tegenvallen. Neem een belegging van 10.000 euro die in dollars 10 procent stijgt. Als de dollar over dezelfde periode 5 procent minder euro’s waard wordt, resteert 10.000 maal 1,10 maal 0,95: 10.450 euro. Het bruto koersrendement is dan 4,5 procent, oftewel 450 euro. Zonder de valutabeweging zou dat 1.000 euro zijn geweest.
Het voorbeeld geldt voor één periode van een jaar en laat dividend, kosten, belasting en valuta-afdekking buiten beschouwing. Het is dus geen netto opbrengst en ook geen maandelijks inkomen. De dollardaling wordt hier gemeten als de verandering van de eurowaarde van één dollar. Dat is een andere formulering dan een identieke procentuele stijging van de gebruikelijke euro-dollarquote; procenten omkeren vraagt de juiste noemer.
Dat verschil raakt groepen beleggers anders. Iemand die later dollars nodig heeft, heeft een andere valutabehoefte dan iemand die zijn uitgaven volledig in euro’s doet. Een fonds kopen op een Europese beurs in euro’s haalt de onderliggende dollarblootstelling niet automatisch weg. Afdekking kan die blootstelling verminderen, maar heeft eigen kosten en volgt zelden precies de hele positie.
Hoe hard moet de winst groeien als beleggers minder willen betalen
Draai de gebruikelijke koersvoorspelling om. Stel dat een aandelenmandje begint op 19 keer zijn relevante jaarwinst en na drie jaar op 16 keer die winst wordt gewaardeerd. Hoe snel moet de winst per aandeel groeien om toch jaarlijks 7 procent koersrendement te behalen? De benodigde jaarlijkse winstgroei is ongeveer 13,3 procent. Een positief bedrijfsresultaat alleen is dus niet genoeg; de winst moet ook een lagere waardering compenseren.
De formule is de derdemachtswortel van 19 gedeeld door 16, maal 1,07, min één. Zij volgt uit koers = winst per aandeel maal koers-winstverhouding. De beginverhouding van 19 sluit aan op de genoemde vooruitkijkende waarderingsmaatstaf, maar de eindverhouding van 16 en het gewenste rendement zijn eigen aannames. Dividend, belastingen en kosten ontbreken. Het model is geen koersdoel voor de huidige S&P 500.
Ook het aantal aandelen telt mee. Een bedrijf kan meer totale winst maken terwijl de winst per aandeel minder hard groeit doordat het nieuwe aandelen uitgeeft. Inkopen kunnen het omgekeerde doen, maar gebruiken geld dat ook voor investeringen of schuldaflossing beschikbaar had kunnen zijn. Voor aandeelhouders blijft de combinatie van winst per aandeel en betaalde prijs doorslaggevend.
Drie mogelijke paden voor 2027 tot en met 2029
We zetten voor deze scenario’s de koers op eind 2026 gelijk aan 100 en gebruiken 19 als startverhouding. Dat is een rekenbasis, geen voorspelling van de werkelijke decemberkoers. De koers in een toekomstig jaar is 100 maal de opgebouwde winstgroei maal de verhouding tussen de nieuwe en de oorspronkelijke waarderingsfactor. Zo blijven groei van het bedrijf en verandering van de prijs die beleggers daarvoor betalen afzonderlijk zichtbaar.
In de basis groeit de winst per aandeel elk jaar 10 procent en daalt de verhouding geleidelijk van 19 naar 18, verdeeld in drie gelijke stappen. De modelkoers komt dan ongeveer uit op 108 in 2027, 117 in 2028 en 126 in 2029. De winst stijgt over drie jaar harder dan de koers, omdat beleggers voor elke euro winst iets minder betalen.
In het tegenvallende scenario groeit de winst jaarlijks slechts 3 procent en daalt de verhouding in gelijke stappen naar 15. Dan volgen modelstanden van ongeveer 96, 91 en 86. In het gunstige scenario groeit de winst jaarlijks 15 procent en loopt de verhouding naar 21. De standen worden dan ongeveer 119, 142 en 168. Er zijn geen kansen aan deze uitkomsten verbonden; het zijn samenhangende aannames over groei en waardering, zonder dividend of valuta-effect.
De rally verdeelt de voordelen bovendien ongelijk. Goedkopere energie kan consumentenbedrijven en vervoerders helpen, terwijl producenten minder voor een vat ontvangen. Lagere marktrentes kunnen de toekomstige financieringskosten van schuldenaars verlichten, maar een bestaand vast rentetarief verandert niet onmiddellijk mee. Een brede index kan stijgen doordat enkele grote winnaars zwaarder wegen dan veel kleine verliezers.
Ons oordeel is dat de recordstemming economisch beter te verdedigen is wanneer zij wordt gedragen door hogere winst per aandeel dan door alleen hogere waarderingsverhoudingen. De komende resultaten moeten daarom vooral laten zien of de groei zich vertaalt in kasstroom en breder wordt dan een beperkt aantal bedrijven. Lagere olie en rente zijn welkome rugwind. Dalende winstverwachtingen, oplopende financieringskosten of investeringen die nauwelijks opbrengst opleveren zouden dit positieve maar voorwaardelijke beeld veranderen.






































































































































Opmerkingen