Wat de inflatie jou kost hangt af van je energierekening
In het kort
De Nederlandse inflatie is in september volgens de snelle CBS-raming opgelopen tot 3,4 procent. Dat gemiddelde zegt weinig over de rekening van een afzonderlijk huishouden: energie inclusief motorbrandstoffen werd 13,9 procent duurder, terwijl voeding, drank en tabak samen 1,2 procent goedkoper waren dan een jaar eerder. Vooral wie veel aan energie uitgeeft, kan daardoor een heel andere prijsstijging ervaren. Ook voor spaarders telt niet alleen hoeveel euro er bijkomt, maar wat die euro daarna nog koopt.
In de raming die het CBS op 2 oktober publiceerde staat een bescheiden versnelling ten opzichte van de 3,3 procent in augustus. Het gaat om een vergelijking met dezelfde maand van vorig jaar, niet om een prijsstijging van 3,4 procent binnen één maand. Tussen augustus en september stegen consumentenprijzen volgens de voorlopige berekening met 0,1 procent. De volledige septembercijfers volgen op 13 oktober.
Die verschillen lijken klein tot je ze op een begroting legt. Een huishouden kan een meevaller bij dagelijkse aankopen zien en tegelijk meer kwijt zijn aan autorijden of verwarming. Een spaarder ziet ondertussen rente binnenkomen, maar kan toch koopkracht verliezen. Het inflatiecijfer helpt om die ontwikkelingen te begrijpen, mits het gemiddelde niet wordt verward met een persoonlijke afrekening.
Omslag: CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen, archiefbeeld uit 2014. Uitsnede uit een video van EBF Groningen, via Wikimedia Commons, CC BY 3.0.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
Energie en diensten vertellen een ander verhaal dan voeding
De uitsplitsing van het CBS laat zien hoe ongelijk prijzen bewegen. Diensten waren in september 3,9 procent duurder dan een jaar eerder en industriële goederen zonder energie en motorbrandstoffen 1,5 procent. De energiecategorie kwam uit op 13,9 procent, tegenover 11,6 procent in augustus. Consumptie in het buitenland werd 7,7 procent duurder. Dit zijn prijsveranderingen binnen groepen; ze mogen niet bij elkaar worden opgeteld.
Voor hun invloed op het totaal telt ook hoeveel huishoudens aan iedere groep besteden. Een flinke prijsstijging van een kleine uitgavenpost kan minder verschil maken dan een bescheiden stijging van een grote post. Wie uit het energietempo direct afleidt hoeveel procentpunt energie aan de totale inflatie toevoegt, mist dus een noodzakelijke stap: het gewicht van die categorie in de index. De snelle raming geeft hier nog geen volledige bijdrageberekening.
Bovendien is energie inclusief motorbrandstoffen breder dan benzine alleen. De cijfers rechtvaardigen wel de conclusie dat deze groep sterk duurder werd, maar nog geen precieze verdeling over tanken, gas en elektriciteit. Daarvoor zijn de gedetailleerde cijfers nodig. Hetzelfde geldt aan de andere kant: een daling bij voeding, drank en tabak samen betekent niet dat ieder product in de supermarkt goedkoper is geworden.
Een groter energieaandeel maakt dezelfde prijsstijging zwaarder
Neem een uitdrukkelijk vereenvoudigd rekenvoorbeeld. Twee huishoudens besteden allebei €3.000 per maand. Bij het eerste gaat €150 naar energie, bij het tweede €450. Veronderstel vervolgens voor beide precies dezelfde stijging van 13,9 procent op die energie-uitgaven, met gelijk verbruik. De extra rekening bedraagt dan €20,85 respectievelijk €62,55 per maand. Op jaarbasis is dat €250,20 tegenover €750,60.
Het verschil van €500,40 per jaar ontstaat volledig door het grotere energiebedrag. De berekening voor het tweede huishouden is navolgbaar: €450 × 0,139 = €62,55 per maand; maal twaalf is €750,60 per jaar. Dit zijn extra consumentenuitgaven, geen bruto loon en geen bedrag na verrekening met belastingvoordelen of compensatie. Het energietarief wordt in het voorbeeld direct doorgegeven. Contractduur, seizoensverbruik en gedragsverandering zijn weggelaten.
Daarmee beschrijft de som geen doorsnee Nederlands gezin. Zij laat zien waarom een gemiddelde prijsindex zo verschillend kan uitpakken. Iemand die weinig rijdt en weinig energie verbruikt, heeft een andere gevoeligheid dan een automobilist met veel noodzakelijke kilometers. Ook inkomen maakt uit: dezelfde extra €62,55 drukt zwaarder op een krappe begroting. En wie geen geld heeft voor isolatie of een andere auto kan minder makkelijk reageren.
De eerste rekening komt bij de afnemer terecht. Dat betekent niet automatisch dat de leverancier evenveel extra winst maakt: ook zijn inkoopkosten kunnen stijgen. Bedrijven die hogere kosten kunnen doorberekenen houden hun marge beter vast dan bedrijven met vaste verkoopprijzen. Voor huishoudens is het spiegelbeeld relevant. Een hoger inkomen kan de rekening opvangen, maar een gemiddeld cao-cijfer vertelt nog niet wat iemand netto overhoudt.
De omgekeerde vraag is hoeveel minder verbruik nodig is
In plaats van alleen te vragen hoeveel duurder energie wordt, kun je de vraag omdraaien. Hoeveel minder verbruik is nodig om bij een hogere prijs hetzelfde bedrag uit te geven? Bij een prijsstijging van 13,9 procent is het antwoord niet 13,9 procent minder verbruik. Het nieuwe, lagere verbruik wordt immers afgerekend tegen de hogere prijs.
Stel de oude prijs en het oude verbruik allebei gelijk aan één. De nieuwe prijs is 1,139. Om dezelfde rekening te houden, mag het nieuwe verbruik dan 1 / 1,139 = 0,878 van het oorspronkelijke verbruik zijn. De benodigde vermindering is dus ongeveer 12,2 procent. In het voorbeeld van €450 per maand voorkomt dat de berekende stijging van €62,55, zolang de hele rekening evenredig met het verbruik meebeweegt.
Die laatste aanname beperkt de toepassing. Vaste kosten verdwijnen niet als iemand minder verbruikt. Bovendien is een gemiddelde energieprijsverandering geen persoonlijk tariefvoorstel. De som is daarom een gevoeligheidsberekening, geen besparingsbelofte. Zij maakt vooral duidelijk hoe groot de aanpassing moet zijn voordat de rekening daadwerkelijk gelijk blijft. Een kleine gedragsverandering kan helpen, maar hoeft een forse prijsstijging niet volledig op te vangen.
Een positieve spaarrente kan toch koopkracht kosten
Voor spaargeld werkt hetzelfde onderscheid tussen euro’s en koopkracht. Neem €25.000 spaargeld en een aangenomen rente van 2 procent per jaar. Na een jaar staat er bruto €25.500 op de rekening. Bij een eveneens veronderstelde inflatie van 3,4 procent vertegenwoordigt dat €25.500 / 1,034 = ongeveer €24.662 in koopkracht van het begin van dat jaar. Het saldo stijgt met €500, maar de reële waarde daalt met ongeveer €338.
De precieze reële opbrengst is 1,02 / 1,034 − 1, oftewel ongeveer min 1,35 procent. Simpelweg de percentages aftrekken levert een bruikbare benadering op, maar niet exact dezelfde uitkomst. Belastingen en rekeningkosten zijn in deze berekening niet meegenomen. Het is dus een bruto rentevergelijking; een eventuele belastingdruk kan de uitkomst verder verlagen. De rente van 2 procent is een rekenaanname, geen actuele aanbieding.
De sterkste tegenwerping is terecht: een spaarbuffer heeft ook waarde als het rendement achterblijft. Geld dat binnenkort nodig is, moet beschikbaar zijn. Wie voor een paar procent meer verwacht rendement koersrisico neemt, kan juist op het verkeerde moment moeten verkopen. Koopkrachtverlies maakt sparen niet zinloos. Het maakt wel zichtbaar hoeveel het kost om een bepaald bedrag beschikbaar te houden als de rente de prijsstijging niet bijhoudt.
Drie inflatiepaden laten zien wat er na drie jaar overblijft
Voor de komende drie volledige kalenderjaren, 2027 tot en met 2029, rekenen we met drie mogelijke paden. De peildatum is 2 oktober 2026. In ieder pad begint het spaarsaldo op 1 januari 2027 op €25.000, bedraagt de bruto rente jaarlijks 2 procent en zijn er geen stortingen of opnames. Die rente blijft bewust gelijk om het verschil door inflatie zichtbaar te maken. In werkelijkheid kunnen banken hun rente aanpassen.
In het basisscenario blijft de jaarlijkse inflatie drie jaar op 3,4 procent. Dat is geen CBS-prognose: een maandelijkse jaar-op-jaarwaarneming wordt hier alleen als vaste rekenaanname gebruikt. De koopkracht aan het einde van ieder kalenderjaar is €25.000 × 1,02 tot de macht n, gedeeld door 1,034 tot de macht n. Afgerond resteert €24.662 in 2027, €24.328 in 2028 en €23.998 in 2029, uitgedrukt in euro’s van begin 2027.
In het gunstiger pad loopt de inflatie terug naar 2 procent in alle drie de jaren. Rente en inflatie zijn dan gelijk, zodat de koopkracht telkens €25.000 blijft. In het ongunstiger pad blijft inflatie op 5 procent staan. Met dezelfde formule, maar met 1,05 als inflatiefactor, resteert ongeveer €24.286, €23.592 en €22.918. Geen van deze paden krijgt een verzonnen kanspercentage. Het zijn vergelijkingen van aannames.
De nominale eindstand is in alle drie de paden gelijk: €25.000 × 1,02³ = €26.530,20. Juist daardoor zie je wat de prijsontwikkeling doet. De koopkracht verschilt eind 2029 ruim €2.000 tussen het gunstige en het ongunstige pad. Wie naar alleen het banksaldo kijkt, mist dat verschil. Voor een huishouden dat relatief veel aan energie uitgeeft, kan ook de officiële gemiddelde inflatie nog onvoldoende aansluiten op de eigen uitgaven.
Het oordeel is daarom dat deze raming vooral vraagt om aandacht voor de samenstelling van de rekening. De stijging van 3,3 naar 3,4 procent is klein, maar achter dat gemiddelde zit een veel grotere energieschok. Tegelijk geeft de daling van de brede voedingsgroep enig tegenwicht. De volledige cijfers van 13 oktober kunnen laten zien hoeveel afzonderlijke categorieën werkelijk bijdragen en of de voorlopige uitkomst wordt bijgesteld. Breder afnemende prijsdruk bij energie én diensten zou het beeld verbeteren; aanhoudende stijgingen in meerdere grote uitgavenposten zouden juist zwaarder wegen dan deze kleine beweging van het totaalcijfer.






































































































































Opmerkingen