top of page

Loongroei geeft werknemers minder ruimte dan het lijkt

1 uur geleden
6 minuten om te lezen

In het kort

De cao-lonen stegen in het derde kwartaal van 2026 met vier procent, terwijl de reële groei voorlopig op 0,8 procent uitkwam. Dat is koopkrachtherstel, maar geen algemene loonsprong: de uitkomst geldt voor cao-lonen en verschilt sterk per sector en huishouden. Voor een werknemer met €3.500 bruto per maand kan de extra ruimte in een vereenvoudigd voorbeeld slinken tot ongeveer €5 per maand. Voor bedrijven is de doorslaggevende vraag of productiviteit en omzet sneller genoeg meegroeien om de hogere loonkosten op te vangen.


Op 1 oktober meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek dat de cao-lonen per uur, inclusief bijzondere beloningen, in het derde kwartaal vier procent hoger lagen dan een jaar eerder. De prijzen stegen minder hard. Na correctie voor inflatie bleef volgens de voorlopige berekening 0,8 procent over.


Dat klinkt als een eenvoudige verbetering van de koopkracht, maar het cijfer beantwoordt maar één deel van de vraag. Het zegt niets over werknemers zonder cao, individuele loonschalen, gewerkte uren, belastingen, pensioenpremies of de eigen boodschappen- en energierekening. Ook ontbreekt in de kwartaalberekening nog de inflatie van september; die volgt op 2 oktober.



Vier procent is niet hetzelfde als vier procent meer te besteden

De nominale loonstijging is wat op de loonstrook zichtbaar wordt vóór correctie voor prijzen. Reële loongroei meet hoeveel goederen en diensten met dat loon kunnen worden gekocht. Bij vier procent nominale groei en 0,8 procent reële groei volgt de onderliggende prijsstijging uit de formule (1,04 / 1,008) − 1. Dat is ongeveer 3,17 procent.


Die verhouding is belangrijker dan het losse verschil van 0,8 procentpunt doet vermoeden. Loon en prijzen werken allebei samengesteld. Bovendien gaat het om gemiddelden. Wie relatief veel uitgeeft aan een categorie die sterker stijgt dan de consumentenprijsindex, kan persoonlijk koopkracht verliezen terwijl het landelijke gemiddelde positief is.



Het herstel is echt maar niet compleet

De richting is gunstig. De reële cao-loongroei is inmiddels twaalf kwartalen op rij positief. In het vierde kwartaal van 2022 was de uitkomst nog min 6,1 procent; een jaar later was dat plus 3,5 procent. Daarna bleef het loon boven de prijsstijging, maar het hersteltempo nam af tot 0,8 procent in het derde kwartaal van 2026.


Dat betekent niet dat iedere eerdere achterstand is ingehaald. Een daling van 6,1 procent gevolgd door een stijging van 6,1 procent brengt de koopkracht niet volledig terug: 0,939 × 1,061 is ongeveer 0,996. Verder kan een werknemer tussentijds van baan, uren of cao zijn veranderd. De reeks laat een landelijke omslag zien, geen persoonlijk kasboek.


Een volledig navolgbaar rekenvoorbeeld maakt het verschil concreet. Neem een bruto cao-loon van €3.500 per maand. Vier procent verhoging is €140 bruto per maand en €1.680 bruto per jaar. Neem vervolgens uitsluitend voor het voorbeeld aan dat 40 procent van de extra bruto euro verdwijnt via loonheffing, pensioenpremie en andere inhoudingen. Dan resteert €84 netto per maand, of €1.008 netto per jaar.


Bij maandelijkse uitgaven van €2.500 maakt 3,17 procent prijsstijging dezelfde mand ongeveer €79,37 per maand duurder, of €952,44 per jaar. De extra bestedingsruimte wordt dan €84 min €79,37, dus €4,63 per maand en €55,56 per jaar. Dit is geen loonstrookberekening: heffingskortingen, toeslagen, pensioenregeling en de persoonlijke uitgavenmix kunnen het nettoresultaat tientallen euro’s in beide richtingen verschuiven.



De sector bepaalt wie het meeste merkt

De landelijke vier procent maskeert een behoorlijke spreiding. In specialistische zakelijke diensten en de bouw stegen de cao-lonen met vijf procent. Financiële dienstverlening volgde met 4,9 procent. Het onderwijs zat op 4,4 procent en de industrie op 4,2 procent. Horeca bleef met 2,9 procent onder het gemiddelde, net als informatie en communicatie met 3,1 procent.


Ook het type werkgever maakt verschil. Bij particuliere bedrijven stegen de cao-lonen met 4,1 procent, bij gesubsidieerde instellingen met vier procent en bij de overheid met 3,9 procent. De meting dekt 91 procent van de cao’s in de steekproef. Ongeveer driekwart van de werknemers valt onder een cao. Een kwart van de arbeidsmarkt valt dus buiten deze directe vergelijking.


Voor huishoudens lopen de gevolgen verder uiteen door woonlasten, energiecontracten, gezinssamenstelling en vermogen. Een koopwoning met lang vastgezette rente dempt een deel van de prijsdruk. Een huurder of huishouden met veel variabele energiekosten kan juist meer voelen dan de gemiddelde index.


De maandcijfers in CBS StatLine geven nog een nuttige controle. In september stond de loonindex op 131,1 en lag de jaar-op-jaarstijging op 4,1 procent. Juli en augustus kwamen beide op vier procent uit. Dat bevestigt de richting van het kwartaalcijfer, maar verandert niets aan de ontbrekende septemberinflatie in de voorlopige reële berekening.


Hogere lonen helpen omzet en kunnen marges raken

Voor bedrijven zijn hogere lonen eerst een kostenpost en daarna mogelijk een omzetbron. Werknemers met meer reële ruimte kunnen meer besteden. Dat ondersteunt winkels, horeca en dienstverleners. Tegelijk stijgen de personeelskosten meteen, terwijl prijsverhogingen, extra productie of procesverbeteringen later kunnen komen.


De relevante beleggersvraag is daarom niet of lonen stijgen, maar of de opbrengst per gewerkt uur minstens zo snel groeit. Als een bedrijf vier procent meer loon betaalt en de productiviteit eveneens vier procent stijgt, blijven loonkosten per eenheid grofweg gelijk. Bij nul productiviteitsgroei moet dezelfde onderneming de prijs of de afzet verhogen, andere kosten verlagen of marge inleveren.


De rekening verschuift bovendien tussen groepen. Werknemers profiteren van hogere nominale en reële inkomsten. Consumenten betalen mee wanneer bedrijven de kosten doorberekenen. Aandeelhouders dragen de last wanneer prijzen niet omhoog kunnen en marges dalen. De overheid ontvangt meer loonbelasting, maar ziet ook geïndexeerde salarissen en uitkeringen oplopen. Welke partij uiteindelijk het meeste betaalt, hangt dus af van concurrentie, belastingregels en onderhandelingsmacht.


De sterkste redelijke tegenwerping is dat loongroei juist goed kan zijn voor bedrijfswinsten. Dat klopt wanneer de consumptie aantrekt en ondernemingen voldoende prijszettingsmacht hebben. Het effect is het gunstigst bij bedrijven met terugkerende vraag, schaalvoordelen en ruimte voor automatisering. Arbeidsintensieve bedrijven met dunne marges en weinig prijsruimte betalen het grootste deel van de rekening.


De omgekeerde rekensom maakt de drempel zichtbaar

De omgekeerde vraag is nuttiger dan alleen terugkijken: hoeveel nominale loonstijging is nodig om een gewenste reële vooruitgang te bereiken? Bij 3,2 procent inflatie is precies 3,2 procent nominale loongroei nodig om de koopkracht vóór belasting en persoonlijke verschillen gelijk te houden. Voor één procent reële groei is de uitkomst niet 4,2 maar 4,23 procent, via (1,032 × 1,01) − 1.


Deze drempel helpt bij nieuwe cao-afspraken. Een akkoord van drie procent klinkt positief, maar levert bij 3,5 procent inflatie een reële daling op. Omgekeerd kan een gematigde loonstijging genoeg zijn wanneer prijsdruk snel afneemt. De onbekende variabele is dus niet alleen de loonafspraak, maar ook de inflatie die tijdens de looptijd werkelijk wordt gemeten.



Drie paden voor 2027 tot en met 2029

Voor 2027 biedt de Macro Economische Verkenning 2027 van het CPB een bruikbaar anker. Het CPB raamt 3,8 procent cao-loongroei bij bedrijven en 2,7 procent consumentenprijsinflatie. Dat zou op zichzelf ongeveer 1,1 procent reële loonruimte geven. De mediaan van de statische koopkracht voor alle huishoudens komt in de raming echter uit op min 0,1 procent. Dat verschil onderstreept dat belastingen, uitkeringen, uren en huishoudsituatie naast loon en prijzen meetellen.


Voor 2028 en 2029 bestaan nog geen even precieze officiële jaarramingen. Daarom gebruiken we drie samenhangende rekenpaden zonder kansen toe te kennen. Het basispad neemt na 2027 jaarlijks 3,5 procent loonstijging en 2,3 procent inflatie. Het gunstige pad combineert loonstijgingen van 4,2, 4,0 en 4,0 procent met inflatie van 2,2, 2,0 en 2,0 procent. Het drukpad houdt loon op drie procent en inflatie op 3,5 procent.


Start de koopkrachtindex eind 2026 op 100, dan komt het basispad eind 2029 uit op ongeveer 103,5. Het gunstige pad bereikt circa 106,0. In het drukpad daalt de index naar ongeveer 98,6. De beperking is duidelijk: cao-loon is niet hetzelfde als netto huishoudinkomen en de aannames na 2027 zijn scenario’s, geen voorspellingen.



Ons oordeel blijft voorlopig

De vier procent cao-loongroei is goed nieuws, maar de economische winst is veel kleiner dan het nominale cijfer suggereert. Voor werknemers met een cao groeit de gemiddelde koopkracht voorlopig nog, alleen minder snel dan in de voorgaande kwartalen. Het verschil tussen sectoren, netto-inhoudingen en persoonlijke uitgaven bepaalt of dat herstel werkelijk op de bankrekening zichtbaar wordt.


Voor beleggers is loongroei niet automatisch slecht voor marges. Zij moeten vooral volgen of omzet en productiviteit de loonkosten bijhouden. Nieuwe cijfers over de septemberinflatie, cao-afspraken in het vierde kwartaal en productiviteitsgroei kunnen het oordeel veranderen. Blijft inflatie duidelijk onder de loonstijging en trekt de productie per gewerkt uur aan, dan wordt het herstel steviger. Keert prijsdruk terug zonder productiviteitswinst, dan verdwijnt de ruimte snel.


 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page