Kleine spaarders betalen eerder mee aan de nieuwe box 3
In het kort
Het kabinet wil aandelenwinsten vanaf 2028 pas bij verkoop belasten, maar vraagt spaarders en beleggers daarvoor al in 2027 een hogere bijdrage. De voorgestelde vermogensvrijstelling daalt naar €30.846 per persoon en het forfait voor beleggingen gaat omhoog. Vanaf 2028 moet een vrijgesteld resultaat van €1.000 gaan gelden. Daardoor kan de rekening heel anders uitpakken voor iemand die jaarlijks rente ontvangt dan voor iemand die aandelen jarenlang vasthoudt. Het parlement moet de plannen nog goedkeuren.
De belofte klinkt aantrekkelijk: geen belasting meer over een aandelenwinst die alleen op papier bestaat. Toch kan dezelfde hervorming ervoor zorgen dat een huishouden met een bescheiden spaarpot juist eerder belasting betaalt. Dat komt doordat het kabinet twee verschillende keuzes aan elkaar koppelt. De belasting op koerswinsten wordt uitgesteld, terwijl de toegang tot de vrijstelling smaller wordt.
In de Kamerbrief van 29 september zetten premier Rob Jetten, minister Eelco Heinen en staatssecretaris Eelco Eerenberg hun voorstel uiteen. Het is een poging om steun te krijgen voor een politiek pakket dat zowel belasting op vermogen als koopkracht en sociale zekerheid raakt. Voor spaarders is vooral de volgorde relevant: de zwaardere heffing begint een jaar vóór de beoogde overgang naar belasting op gerealiseerde aandelenwinsten.
De eerste rekening komt al in 2027
Voor 2027 wil het kabinet het heffingsvrije vermogen terugbrengen naar €30.846 per persoon. In de officiële fiscale sleuteltabel voor het oorspronkelijke pakket staat nog €60.098. De daling bedraagt daarmee €29.252, bijna 49 procent. Het gaat dus inderdaad om ongeveer een halvering, al wijken de precieze bedragen af van de afgeronde bedragen in de eerste nieuwsberichten.
Wie onder de oorspronkelijke grens bleef, kan door de verlaging ineens boven de nieuwe grens uitkomen. Dat betekent niet dat de hele spaarpot belast wordt alsof die inkomen is. Binnen het forfaitaire stelsel wordt een verondersteld rendement berekend. Over het belastbare deel daarvan wordt vervolgens belasting geheven.
Neem iemand met €50.000 spaargeld, zonder fiscale partner, schulden of andere box 3-bezittingen. Bij €60.098 vrijstelling blijft de spaarpot onder de grens. Bij €30.846 resteert €19.154. Met een uitsluitend voor dit voorbeeld gekozen forfait van 2 procent en een tarief van 36 procent volgt ongeveer €138 belasting. Dat is de werking van de lagere vrijstelling; het definitieve spaarforfait voor 2027 staat hiermee niet vast.
Dat onderscheid tussen spaarrente en spaarforfait is belangrijk. De rente die de bank werkelijk betaalt is niet automatisch het percentage waarmee de voorlopige aanslag wordt berekend. De Belastingdienst legt voor het huidige stelsel uit dat verschillende vermogenscategorieën verschillende rendementspercentages hebben. Wie aantoonbaar een lager werkelijk rendement heeft, kan via de tegenbewijsregeling een lagere heffing krijgen. Ook daarom is boven een vermogensgrens uitkomen niet in iedere situatie hetzelfde als definitief belasting verschuldigd zijn.
Voor beleggers komt er nog een verhoging bovenop
De kleinere vrijstelling is niet de enige aanpassing voor 2027. Het kabinet wil het forfait voor overige bezittingen met 1,5 procentpunt verhogen. Dat is de categorie waaronder onder meer aandelen en andere beleggingen vallen. Een stijging met 1,5 procentpunt is iets anders dan een verhoging met 1,5 procent van het bestaande percentage.
Het extra effect is goed los te berekenen. Bij €100.000 aan uitsluitend beleggingen en een vrijstelling van €30.846 resteert €69.154. Een 1,5 procentpunt hoger forfait voegt dan €1.037 aan verondersteld rendement toe. Bij 36 procent belasting is dat ongeveer €373 extra, bovenop het effect van de verlaagde vrijstelling. Dit voorbeeld laat de afzonderlijke verhoging zien en doet geen uitspraak over de uiteindelijke aanslag na tegenbewijs.
Daarmee bestaat het overgangsjaar uit twee bewegingen tegelijk: meer vermogen telt mee en aan dat vermogen wordt een hoger rendement toegerekend. Dat kan vooral wringen wanneer de beurs weinig oplevert. Een hogere forfaitaire uitkomst betekent immers niet dat een fonds of aandeel daadwerkelijk meer heeft verdiend.
Voor de overheid is die tussenstap begrijpelijk vanuit de kaspositie. Wanneer koerswinsten later worden belast, verschuiven belastingontvangsten naar de toekomst. Maar voor de belegger die nu een buffer opbouwt, is een tijdelijke verhoging een echte uitgave. Een hervorming beoordelen op alleen het eindstelsel geeft daarom een onvolledig beeld.
Vanaf 2028 telt een andere soort vrijstelling
De geplande €1.000 vanaf 2028 is geen vrijgesteld vermogen, maar een vrijgesteld resultaat. Dat zijn verschillende grootheden. Een spaarpot van €50.000 die 2 procent rente oplevert, genereert €1.000 inkomen. Als er geen ander meetellend resultaat is, blijft dat in dit eenvoudige voorbeeld binnen de nieuwe vrijstelling. Bij 3 procent rente is het inkomen €1.500 en komt €500 boven de vrijstelling uit.
Bij 36 procent belasting resteert in dat tweede voorbeeld €1.320 netto rente. Meer rente blijft dus gunstig, ook als daardoor belasting verschuldigd wordt. Het zou onlogisch zijn om een lagere rente te kiezen uitsluitend om onder de vrijstelling te blijven: de extra belasting neemt in dit voorbeeld maar een deel van het extra inkomen weg.
De omgekeerde som maakt duidelijk hoeveel spaargeld bij de grens hoort. Voor €1.000 rente is bij 2 procent een bedrag van €50.000 nodig, bij 3 procent circa €33.333 en bij 4 procent €25.000. Dit zijn rekenkundige equivalenten, geen vaste wettelijke vermogensvrijstellingen. Het saldo waarbij de grens wordt bereikt beweegt mee met de rente.
De €1.000 kan ook niet voor iedere bankrekening apart worden gebruikt. Zodra meerdere inkomstenbronnen samen meetellen, moet het geheel worden bekeken. Een huishouden kan rente ontvangen, dividend krijgen en aandelen met winst verkopen. Hoe kosten, verliezen en de verdeling tussen fiscale partners precies uitwerken, moet uit de wet volgen.
Het AD schrijft over mogelijk 850.000 extra belastingplichtigen. Dat is een raming uit de berichtgeving, geen telling van mensen die nu al een hogere aanslag hebben ontvangen. De uiteindelijke omvang hangt mede af van de wet, vermogensverdeling, rendementen en gedrag. Het is evenmin een groep die uitsluitend uit spaarders bestaat.
Wie kan juist profiteren van uitstel?
Voor iemand die aandelen jarenlang aanhoudt, kan belasting bij verkoop aantrekkelijk zijn. Zolang er geen heffing over de ongerealiseerde koerswinst plaatsvindt, blijft dat geld belegd. Dat geeft meer ruimte om rendement op rendement op te bouwen. Daar staat tegenover dat de belastingverplichting niet verdwijnt: bij verkoop moet een deel van de opbrengst mogelijk alsnog naar de fiscus.
Ook rente en dividend verdwijnen niet vanzelf uit de jaarlijkse belastinggrondslag wanneer het heffingsmoment voor koerswinst verandert. Wie regelmatig inkomen uit zijn portefeuille ontvangt, heeft daardoor een andere kasstroom dan iemand die alleen koersgroei realiseert. De vraag is dus niet uitsluitend hoeveel vermogen iemand heeft, maar ook hoe en wanneer dat vermogen inkomen oplevert.
In onze scenario’s start een belegger begin 2028 met €50.000. We rekenen met jaarlijkse koersveranderingen van min 5 procent, plus 5 procent en plus 10 procent. Voor elk eindjaar wordt de hele portefeuille verkocht en wordt 36 procent geheven over de positieve winst boven één vrijstelling van €1.000. Dividend, kosten, inflatie en verliesverrekening laten we buiten het model.
Eind 2030 blijft daarmee ongeveer €42.869, €55.404 of €60.952 over. De scenario’s laten zien dat de netto verkoopopbrengst iets anders is dan het bedrag op het portefeuilleoverzicht. Ze veronderstellen dat de fiscale kostprijs gelijk is aan het startvermogen. Voor bestaande beleggingen is juist de uiteindelijke overgangsregeling van groot belang.
Er schuilt ook een gedragsrisico in uitstel. Beleggers kunnen een positie aanhouden omdat verkopen belasting oproept, terwijl ze die positie zonder belastingoverweging zouden verkleinen. Een portefeuille kan daardoor geconcentreerder blijven dan wenselijk. De fiscale uitkomst en het beleggingsrisico horen samen in de afweging.
Het politieke compromis verdeelt ook de rekening
Jetten, Heinen en Eerenberg schrijven: ‘Het kabinet hoopt hiermee op breed draagvlak.’ Dat draagvlak is nog niet vanzelfsprekend. Volgens de NOS noemt JA21 een deel van de dekking onacceptabel omdat kleine beleggers worden geraakt. De partij kan dus voor belasting bij verkoop zijn en tegelijk bezwaar hebben tegen de manier waarop de overgang wordt betaald.
Daar zit de wezenlijke politieke keuze. Het kabinet probeert belasting op vermogen beter te laten aansluiten bij gerealiseerde winst, maar financiert de stap mede met een bredere belastinggrondslag. Voor een langetermijnbelegger met veel koersgroei kan de eerste verandering zwaarder wegen. Voor een spaarder met jaarlijks rente-inkomen kan vooral de tweede voelbaar zijn.
Er ligt nu een concreet kabinetsvoorstel. De parlementaire behandeling en de uitvoerbaarheid blijven bepalend. De brief waarschuwt bovendien dat banken in het eerste invoeringsjaar geen gegevens voor de vooraf ingevulde aangifte kunnen leveren. Aankoopgegevens, jaaroverzichten en een goede administratie worden daarmee belangrijker.
Zodra de regels definitief zijn, vertellen we bij De Belegger uitgebreid wat ze betekenen en welke praktische tips en tricks binnen de wet zinvol zijn. Met voorbeelden voor spaargeld, aandelen, ETF’s en de verdeling binnen een huishouden. De nuttigste vraag blijft daarbij hoeveel er netto overblijft, nadat zowel belasting als kosten en risico’s zijn meegenomen.
Foto: [Eelco Heinen](https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/eelco-heinen/foto), Martijn Beekman / Rijksoverheid. Officieel portret, beschikbaar voor redactioneel gebruik door nieuwsmedia.






































































































































Opmerkingen