Vanguards S&P 500-ETF kost weinig maar de aandelen erin niet
In het kort
VUSA blijft een goedkope manier om de S&P 500 te volgen, maar de onderliggende portefeuille is niet goedkoop. Vanguard rapporteerde per 31 augustus een koers-winstverhouding van 25,2 voor het fonds. Bij die waardering moet de winstgroei meerdere jaren hoog blijven om zelfs een bescheiden daling van de waardering op te vangen. De Amsterdamse beurslijn stond op 29 september rond €127,96, vóór de kwartaaluitkering die op 30 september betaalbaar wordt.
De aantrekkingskracht van VUSA is helder. Met één transactie bezit een belegger ongeveer vijfhonderd grote Amerikaanse ondernemingen, tegen jaarlijkse fondskosten van slechts 0,07%. Het fonds koopt de aandelen fysiek, heeft Ierland als domicilie en keert het ontvangen dividend ieder kwartaal uit. De gekozen beurslijn is de uitkerende Vanguard S&P 500 UCITS ETF met ISIN IE00B3XXRP09, genoteerd in euro aan Euronext Amsterdam.
De lage kosten zeggen alleen niets over de prijs van de bedrijven in het fonds. Vanguard meldde voor de portefeuille eind augustus een koers-winstverhouding van 25,2. Dat is het bedrag dat beleggers gemiddeld betalen voor één dollar aan jaarlijkse winst van de onderliggende ondernemingen. Zo’n waardering kan prima uitpakken wanneer de winsten sterk doorgroeien. Zij biedt weinig bescherming wanneer de groei vertraagt of beleggers over drie jaar minder voor dezelfde winst willen betalen.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De waardering is belangrijker dan de fondskosten
Een kostenverschil van enkele honderdsten van een procent voelt tastbaar, omdat het zeker is. Multiplekrimp is minder zichtbaar, maar kan tientallen procenten van het resultaat bepalen. Stel dat de onderliggende winst drie jaar lang met 8% per jaar stijgt. De winst ligt dan ongeveer 26% hoger. Daalt de koers-winstverhouding tegelijk van 25,2 naar 22, dan blijft vóór dividend nog ongeveer 10% koerswinst over. De bedrijven doen operationeel dus veel goed, terwijl de belegger een vrij mager resultaat ziet.
Dat mechanisme is geen voorspelling dat de waardering moet dalen. Het is wel de kern van de huidige uitgangspositie. Een brede index hoeft niet goedkoop te zijn en spreiding beschermt niet tegen een dure startwaardering. De interactieve module laat daarom zowel winstgroei als de eindmultiple aanpassen. Dat is nuttiger dan één koersdoel, omdat dezelfde winstontwikkeling bij een andere waardering een totaal andere uitkomst geeft.
Hoeveel jaren zijn nodig om een lagere P/E te repareren?
De break-evenberekening maakt de prijs van waarderingsnormalisatie concreet. Wanneer de P/E van 25,2 naar 21 daalt, is bij 8% winstgroei ongeveer 2,4 jaar nodig voordat de hogere winst de lagere multiple heeft gecompenseerd. Pas daarna ontstaat koersrendement. Dividend helpt, maar met een uitkeringsrendement rond 1% verandert het de rekensom niet volledig.
Een lagere multiple hoeft bovendien niet door een recessie te komen. Een hogere risicovrije rente kan voldoende zijn. Ook kan de markt besluiten dat uitzonderlijk hoge winstmarges bij megacaps niet onbeperkt oplopen. Omgekeerd kan een nieuwe productiviteitsgolf door AI de huidige waardering juist langer dragen. De belangrijke vraag is daarom niet of de S&P 500 goede bedrijven bevat. Dat staat nauwelijks ter discussie. Het gaat om de winstgroei die vanaf deze prijs nodig is.
Vijfhonderd aandelen zijn niet vijfhonderd gelijke stemmen
VUSA weegt ondernemingen naar beurswaarde. De grootste tien posities vertegenwoordigen samen grofweg 38% van de portefeuille. Daardoor komt een groot deel van de winstgroei uit dezelfde groep technologie- en platformbedrijven. Dat is efficiënt zolang juist die ondernemingen hun marges en omzet sneller laten stijgen. Het maakt de index ook gevoeliger voor een gemeenschappelijke tegenvaller in AI-investeringen, advertentiecycli, cloudgroei of regelgeving.
De module over concentratie laat zien dat 38% gewicht met 11% winstgroei al 4,2 procentpunt aan de totale indexgroei bijdraagt. Groeit de rest met 5%, dan komt de gewogen groei rond 7,3% uit. Wie voor de index 9% of 10% structurele winstgroei aanneemt, rekent dus impliciet op nog sterkere prestaties van de grootste posities of op duidelijke versnelling bij de rest.
Dat is geen argument om de index af te wijzen. Marktweging laat winnaars automatisch groter worden en voorkomt dat een fondsbeheerder voortdurend de verkeerde favoriet kiest. Het is wel een reden om de economische blootstelling eerlijk te benoemen. VUSA is breed in aantal namen, maar minder breed in winstbronnen en waardering.
Koersrendement en totaalrendement lopen uiteen
VUSA keert dividend uit. De beurskoers daalt rond de ex-dividenddatum mechanisch met ongeveer het uitgekeerde bedrag. Wie alleen de koersgrafiek bekijkt, mist daarom een deel van het resultaat. Voor een goede vergelijking moet het dividend worden opgeteld, of worden aangenomen dat de uitkering wordt herbelegd. Daar gaan de fondskosten van 0,07% vanaf.
Voor een belegger die in euro rekent komt nog een tweede laag bij: de onderliggende bedrijven verdienen veelal dollars. De Amsterdamse notering in euro neemt dit valutarisico niet weg. Een sterkere dollar verhoogt de eurowaarde van de portefeuille, een sterkere euro drukt die. Over dat valuta-effect schreven we eerder al uitgebreid. Voor de waarderingsvraag telt vooral dat valuta een operationeel goed jaar kan versterken of tijdelijk kan uitwissen.
Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029
De scenario’s gebruiken de koers van €127,96 op 29 september als vertrekpunt. De rekenregel is per jaar: mogelijke koers = huidige koers × cumulatieve winstgroei × eind-P/E / 25,2. Dit zijn geen koersdoelen, maar consistente combinaties van winstgroei en waardering. Dividend komt daar nog bovenop en wordt niet dubbel in de koers verwerkt.
In het bear-scenario groeit de onderliggende winst 4% per jaar en daalt de P/E van 22 in 2027 naar 18 in 2029. Dat geeft mogelijke koersen van ongeveer €116, €110 en €105. In het middenscenario groeit de winst 7% per jaar en beweegt de P/E van 24 naar 22. Dan volgen ongeveer €131, €135 en €137. In het gunstige scenario groeit de winst eerst 10% en in 2029 9%, terwijl de waardering op 26, 25 en 24 blijft. Dan komen ongeveer €145, €153 en €160 in beeld.
De uitkomsten laten vooral zien hoeveel van het rendement uit winstgroei moet komen. Bij een dure start kan een prima operationele prestatie worden opgeslokt door een lagere multiple. Wie VUSA voor tien of twintig jaar koopt, kan zulke jaren doorgaans uitzitten. Wie binnen drie jaar een hoog rendement verwacht, neemt stilzwijgend een stevige winstgroei én een aanhoudend hoge waardering aan.
Wat kan de voorzichtige conclusie onderuithalen?
Het sterkste tegenargument is dat de samenstelling van de S&P 500 anders is dan twintig jaar geleden. Software, platformbedrijven en chipontwerpers kunnen hoge marges behalen zonder evenredige groei van kapitaal. Als AI de productiviteit werkelijk verhoogt, kan de winst per aandeel sneller blijven groeien dan historische gemiddelden. Dan blijkt 25,2 keer winst achteraf minder veeleisend.
Het tegenrisico is dat dezelfde bedrijven enorme bedragen investeren in datacenters, energie en chips. Wanneer de opbrengst van die investeringen achterblijft, lopen afschrijvingen op terwijl omzetgroei afkoelt. Ook kan de Amerikaanse rente langer hoog blijven. In beide gevallen hoeft de winst niet te dalen om de beurskoers toch tegen te laten vallen.
VUSA blijft een degelijk bouwblok voor brede Amerikaanse aandelenblootstelling. De juiste conclusie is alleen niet dat een indexfonds op elke prijs veilig is. Rond €127,96 betaalt een belegger weinig aan Vanguard, maar veel voor de onderliggende winst. De komende drie jaar worden daarom bepaald door de vraag of winstgroei de waardering snel genoeg kan inhalen.






































































































































Opmerkingen