top of page

Musk en Jitse Groen leggen dure zwakte van Europa bloot

38 minuten geleden
8 minuten om te lezen

In het kort

Jitse Groen sloot zich volgens een bericht van Dealroom aan bij Elon Musks stelling dat elektriciteitsproductie de werkelijke kracht van een economie weerspiegelt. De waarschuwing is relevant: dure stroom en een ontbrekende aansluiting kunnen investeringen tegenhouden. Toch bewijst meer elektriciteitsverbruik op zichzelf geen hogere welvaart, en zijn lonen en regelgeving niet ineens bijzaak. Voor beleggers liggen kansen bij de bedrijven die stroomnetten en energiegebruik verbeteren, maar ook daar kan een goede groeitrend al duur zijn ingeprijsd.


Een fabriek met goedkope medewerkers, slimme machines en genoeg klanten kan toch waardeloos zijn als de stroomaansluiting ontbreekt. De rekening is dan niet een paar cent per kilowattuur hoger. Er wordt simpelweg niets geproduceerd. Dat is de economische kwetsbaarheid die schuilgaat achter een discussie tussen twee ondernemers over elektriciteit.


Elon Musk presenteerde elektriciteitsproductie als maatstaf voor de kracht van grote economieën. Jitse Groen viel hem volgens Dealroom op 10 oktober 2026 bij en uitte kritiek op de Europese houding. De oorspronkelijke reactie van Groen konden we niet rechtstreeks uitlezen; de weergave van zijn steun schrijven we daarom aan dat medium toe. De stelling verdient een serieuze toets. Want stroom kan een doorslaggevende voorwaarde voor groei zijn, zonder dat elke extra kilowattuur de samenleving rijker maakt.


Omslag: Jitse Groen bij de Europese Commissie op 6 december 2023. Archieffoto Jennifer Jacquemart / Europese Unie, via Wikimedia Commons, CC BY 4.0.


De stroommeter laat veel zien maar niet alles

De grafiek achter de discussie verbindt elektriciteitsverbruik per inwoner met economische productie per inwoner. Dat is iets anders dan totale elektriciteitsproductie. Bij die eerste vergelijking worden landen gecorrigeerd voor hun bevolkingsomvang. Bij de tweede gaat een groot land vrijwel vanzelf boven een klein land uitkomen. Bovendien kan een land stroom invoeren of uitvoeren, waardoor eigen productie en verbruik uiteenlopen.


Het Energy for Growth Hub-overzicht van 7 maart 2023 bespreekt de sterke samenhang en de moeilijkheid om oorzaak en gevolg te scheiden. Betrouwbare elektriciteit maakt economische activiteit mogelijk. Rijkere landen kunnen zich tegelijk meer machines, koeling en elektrische apparaten veroorloven. Stroom helpt welvaart ontstaan, terwijl welvaart ook meer stroomvraag veroorzaakt.


Daar komt de samenstelling van de economie bij. Een land met veel staalproductie gebruikt doorgaans meer energie dan een land met veel zakelijke dienstverlening. Wanneer industrie verhuist, kan het binnenlandse stroomgebruik dalen zonder dat de vraag naar haar producten verdwijnt. En een efficiëntere motor verlaagt het verbruik terwijl hij hetzelfde werk doet. Minder kilowatturen kunnen dan juist een economische verbetering zijn.


Musks uitspraak is dus bruikbaar als waarschuwing tegen het verwaarlozen van de fysieke economie. Als complete ranglijst van economische kracht is zij te grof. Een betere vraag luidt of bedrijven voldoende betrouwbare energie kunnen krijgen tegen kosten die passen bij wat zij produceren.


China bouwt voort terwijl Europa achterblijft

Voor een vergelijkbare basis gebruiken we de netto-elektriciteitsvraag uit de IEA-update van 23 juli 2026. Europa betekent hier de Europese Unie, niet het hele continent. In 2025 kwam China volgens die voorlopige cijfers uit op 9.772 terawattuur, de Verenigde Staten op 4.315 en de EU op 2.520. Eén terawattuur is één miljard kilowattuur.


Voor 2026 raamde het IEA respectievelijk 10.310, 4.392 en 2.574 terawattuur. Dat zijn verwachtingen uit juli, geen afgeronde jaarcijfers. De Chinese toename van 538 terawattuur is bijna tien keer de EU-toename van 54 terawattuur. Die schaal zegt iets over de uitbreiding van de elektrische economie. Zij bewijst niet dat de gemiddelde Chinees welvarender is dan de gemiddelde Europeaan.



De prijsvergelijking is voor een vestigingsbesluit directer relevant. Het IEA meldde in Electricity 2026 dat stroom voor energie-intensieve industrie in de EU in 2025 gemiddeld meer dan twee keer zoveel kostte als in de VS en bijna vijftig procent meer dan in China. Dit zijn sectorale gemiddelden over 2025, geen actuele offertes voor iedere fabriek. Contracten, belastingen, netkosten en nationale omstandigheden maken veel verschil.


Europa heeft dus een probleem dat niet alleen uit ondernemersretoriek bestaat. Maar de remedie is meer dan extra productie neerzetten. Stroom moet op de juiste plek en op het juiste moment beschikbaar zijn. Een goedkoop middaguur helpt onvoldoende wanneer een fabriek 's nachts door moet draaien en haar aansluiting overdag al vol zit.


Wanneer stroom duurder uitpakt dan personeel

Neem een fictieve fabriek met €100 miljoen omzet en €20 miljoen jaarlijkse personeelskosten. Veronderstel dat haar elektriciteit €0,16 per kilowattuur kost, tegenover €0,08 op een alternatieve locatie. Deze prijzen zijn uitsluitend rekenaannames, geen Nederlandse, Chinese of Amerikaanse marktprijzen. Het verschil is acht cent per kilowattuur.


Bij tien miljoen kilowattuur jaarverbruik kost die duurdere stroom €800.000 extra. Dat is 0,8 procent van de omzet. Een verschil van tien procent in de personeelskosten bedraagt daarentegen €2 miljoen. In deze fabriek weegt het veronderstelde personeelsverschil dus zwaarder. Ook productiviteit telt mee: een hoger uurloon hoeft bij meer productie per gewerkt uur niet tot hogere kosten per product te leiden.


Gebruikt dezelfde fabriek honderd miljoen kilowattuur, dan wordt het stroomnadeel €8 miljoen. Nu is energie wél de grotere post. Het omslagpunt is exact na te rekenen: €2 miljoen gedeeld door €0,08 is 25 miljoen kilowattuur, ofwel 25 gigawattuur per jaar. Boven dat verbruik weegt dit stroomprijsverschil zwaarder dan dit personeelskostenverschil.



Daarmee valt de vraag of energie belangrijker is dan arbeid niet voor heel Europa met één ja of nee te beantwoorden. Het antwoord verschilt tussen een softwarebedrijf, een bakkerij en een metaalfabriek. Bij een ontbrekende aansluiting verandert de afweging bovendien volledig. Dan kan ook een bedrijf met een bescheiden stroomrekening zijn uitbreiding niet uitvoeren.


Hetzelfde geldt voor regelgeving. Een vergunningprocedure die een netuitbreiding vertraagt, is geen los probleem naast energie. Zij maakt het energieprobleem groter. Alleen subsidies geven zonder ruimte, materialen en uitvoerbare besluiten kan daardoor vooral de wachtrij duurder maken. Goedkope energie, goede regels en productieve medewerkers versterken elkaar.


Het gaat om een werkend systeem

De energieketen heeft meerdere schakels. Er moet elektriciteit worden opgewekt, er moeten netten en transformatoren zijn, de afnemer moet een aansluiting krijgen en het gebruik moet zoveel mogelijk passen bij de beschikbare capaciteit. Wie slechts één schakel uitbreidt, kan geld uitgeven zonder dat een nieuwe fabriek eerder aan kan.



De Europese Commissie schatte in haar investeringsstrategie van 10 maart 2026 de benodigde investeringen in de energiesector voor 2026 tot en met 2030 op ongeveer €660 miljard per jaar. Over 2011 tot en met 2021 lag het gemiddelde volgens diezelfde toelichting rond €240 miljard. Dat maakt duidelijk hoe groot de opgave is.


Die €660 miljard is geen klaarliggende subsidiepot. Het is een raming van de investeringsbehoefte voor de energiesector als geheel. Zij omvat meer dan stroomnetten en is niet volledig extra boven alle bestaande uitgaven. Het geld moet nog via bedrijven, financiers en andere partijen naar uitvoerbare projecten gaan. Voor een leverancier is een aangekondigd beleidsbedrag daarom nog geen getekende order.


De sterkste tegenwerping tegen een Europese investeringsgolf is dat overhaaste projecten de rekening juist kunnen verhogen. Nieuwe infrastructuur kost rente, materiaal en arbeid. Als er te veel capaciteit op de verkeerde plaats komt, moeten gebruikers of aandeelhouders die kosten toch dragen. Het doel hoort dus niet de grootste stroommeter te zijn, maar voldoende bruikbare capaciteit tegen houdbare totale kosten.


Lees ook Jitse Groen raakt een zwakke plek in de Nederlandse AI ambitie. Dat artikel gaat dieper in op de Nederlandse aansluiting tussen datacenters, vergunningen en beschikbare stroom.

Welke beursbedrijven aan die investeringen kunnen verdienen

Siemens Energy levert onder meer apparatuur voor elektriciteitsnetten en energieopwekking. De cijfers van 5 augustus 2026 laten bij Grid Technologies over de eerste negen maanden van het boekjaar €9,744 miljard omzet zien en een marge vóór bijzondere posten van 18,3 procent. Netinvesteringen zijn hier dus al echte omzet met winst. De vraag voor beleggers is of nieuwe orders tegen vergelijkbare marges kunnen worden uitgevoerd.


Goedkoop is die groei niet vanzelf. Bij €145,36 per aandeel op 9 oktober bedroeg de beurswaarde volgens De Belegger ongeveer €123,68 miljard. Gedeeld door de bedrijfsverwachting van circa €4 miljard groepsnettowinst voor boekjaar 2026 is dat ruwweg 31. Dat is een eenvoudige verhouding, geen exacte verwaterde koers-winstverhouding. De windactiviteiten en projectrisico's blijven onderdeel van dezelfde belegging.


Prysmian maakt de kabels die uitbreiding van netten mogelijk maken. De halfjaarpresentatie over 2026 meldt €1,331 miljard aangepaste operationele winst vóór rente, belasting en afschrijvingen, vaak EBITDA genoemd. Over de twaalf maanden tot eind juni was dat €2,597 miljard. Kabels verkopen kan aantrekkelijk zijn, maar projecten moeten op tijd worden aangelegd en investeringen in fabrieken vragen vooraf geld.


De Italiaanse beurs noteerde op 9 oktober een referentiekoers van €123,20 en een beurswaarde van €38,05 miljard. Tel daar de nettoschuld van €4,079 miljard per eind juni en afgerond €1 miljard hybride financiering bij, dan ontstaat een vereenvoudigde ondernemingswaarde van €43,13 miljard. Dat is circa 16,6 keer de genoemde aangepaste EBITDA. Minderheidsbelangen zijn hierin niet meegenomen. Dit is een grove waarderingsmaatstaf met verschillende peildata; EBITDA is bovendien geen vrije kasstroom en deze factor is niet vergelijkbaar met een koers-winstverhouding.


Schneider Electric zit dichter bij het gebruik van elektriciteit, met energiebeheer en industriële automatisering. Bij de De Belegger-koers van €266,40 op 9 oktober betaalde een belegger ongeveer 31 keer de aangepaste winst per aandeel over 2025 van €8,59. Dat is een historische, gecorrigeerde winstmaatstaf. Betere efficiëntie kan klanten veel opleveren, maar een belegger betaalt al voor groei.


Daar is recent een extra afweging bij gekomen. Op 5 oktober 2026 kondigden Schneider en PTC een overnameovereenkomst aan. Voor de financiering is onder meer €5 tot €6 miljard nieuw aandelenkapitaal en €16 tot €17 miljard nieuwe schuld voorzien. Afronding wordt in het derde kwartaal van 2027 verwacht, onder voorwaarden. De combinatie met industriële software kan waarde creëren, maar brengt financierings- en integratierisico mee. Schneider is dus geen eenvoudige inzet op uitsluitend Europese netuitbreiding.


Alle drie zijn internationaal actief. Een groeiende Europese markt wordt vermengd met ontwikkelingen in andere regio's. Een aantrekkelijke sector is geen vrijbrief om elke beursprijs te betalen. De nuttige controle blijft of orders winstgevende omzet worden, of die winst in kasgeld verandert en hoeveel groei de aankoopprijs al veronderstelt.


Ook minder stroom gebruiken kan een goede investering zijn

Een laatste rekenvoorbeeld laat zien waarom de winnaar niet altijd de grootste stroomproducent is. Stel dat een fabriek €1 miljoen investeert in een verbetering die jaarlijks twee miljoen kilowattuur bespaart. Er komt €20.000 onderhoud per jaar bij. De installatie gaat tien jaar mee, heeft geen restwaarde en de ondernemer verlangt acht procent rendement op het geïnvesteerde geld. Belastingen, subsidies en inflatie blijven buiten dit voorbeeld.


Om €1 miljoen met die rendementseis in tien jaar terug te verdienen, is jaarlijks ongeveer €149.029 netto kasbesparing nodig. Dat volgt uit de annuïteitenformule: investering maal 0,08 gedeeld door één min 1,08 tot de macht min tien. Tel het onderhoud erbij en de bruto stroombesparing moet €169.029 bedragen. Gedeeld door twee miljoen kilowattuur is de vereiste vermeden stroomprijs 8,45 cent per kilowattuur.



Voor 2027, 2028 en 2029 rekenen we drie prijsroutes door, met peildatum 11 oktober 2026. Het lage pad gebruikt acht, zeven en zes cent per kilowattuur; het middenpad steeds twaalf cent; het hoge pad achttien, zeventien en zestien cent. Dit zijn gevoeligheden, geen prijsvoorspellingen. De vermeden kosten moeten daadwerkelijk per bespaarde kilowattuur verdwijnen: vaste netkosten tellen niet mee.


Jaarbesparing is telkens twee miljoen kilowattuur maal de gekozen prijs, minus €20.000 onderhoud. Dat levert in het lage pad €140.000, €120.000 en €100.000 op. In het middenpad is het steeds €220.000 en in het hoge pad €340.000, €320.000 en €300.000. De som over drie jaar is respectievelijk €360.000, €660.000 en €960.000, vóór aftrek van de investering en zonder contantmaking. Drie goede jaren bewijzen dus nog geen rendement over de hele levensduur.


Groen en Musk wijzen op een echte voorwaarde voor groei: een economie moet haar plannen ook van energie kunnen voorzien. De noodzakelijke correctie is dat de waarde per gebruikte kilowattuur minstens zo belangrijk is als het aantal kilowatturen. Europa wint niet door alleen meer stroom te verbruiken. Het wint wanneer bedrijven betaalbare aansluitingen krijgen, investeringen tijdig worden uitgevoerd en dezelfde energie meer bruikbare productie oplevert. Daar liggen ook de interessantste kansen voor beleggers die de rekening blijven narekenen.


 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page