Jitse Groen raakt een zwakke plek in de Nederlandse AI ambitie
In het kort
Jitse Groen raakt een zwakke plek als hij vraagt hoe Nederland AI wil laten groeien zonder de benodigde infrastructuur ruimte te geven. Software draait uiteindelijk op computers die stroom, koeling en een aansluiting nodig hebben. Een aantrekkelijk ondernemersklimaat vraagt daarom om uitvoerbare vergunningen en betrouwbare energie. Dat betekent ruimte voor datacenters, met duidelijke voorwaarden voor de kosten en de belasting van hun omgeving.
“We willen AI koploper zijn, maar geen datacenters”, schreef Groen op 2 oktober 2026. Als letterlijke beschrijving is dat te breed: Nederland heeft datacenters en kent geen algemeen verbod op elk nieuw datacenter. Als kritiek op de spanning tussen ambitie en uitvoering is zijn punt sterk. Een bedrijf heeft weinig aan een nationale groeibelofte als de volgende stap vastloopt op een aansluiting.
Voor beleggers is dat een wezenlijk verschil. De waarde van AI ontstaat niet alleen bij makers van modellen en chips. Ook stroomvoorziening, koeling, gebouwen en netwerken bepalen wat kan worden geleverd en tegen welke prijs. Tegelijk is elk nieuw datacenter geen vanzelfsprekend goede investering. Rekencapaciteit moet klanten vinden en de opbrengst moet opwegen tegen kapitaal, energie en de ruimte die het project gebruikt.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De cloud heeft een fysieke stroomrekening
Het CBS meldde op 15 december 2025 dat datacenters in 2024 ongeveer 5.100 GWh elektriciteit verbruikten, gelijk aan 5,1 TWh en 4,6 procent van het Nederlandse elektriciteitsverbruik. De cijfers voor 2024 waren in die publicatie voorlopig. Het ging om aansluitingen waarbij datacenters de hoofdactiviteit zijn; eigen faciliteiten van bijvoorbeeld ziekenhuizen en universiteiten telden niet mee.
Deze cijfers meten niet afzonderlijk het stroomverbruik van AI. Datacenters verwerken ook andere digitale diensten. Het zou dus onjuist zijn alle 5,1 TWh als AI-verbruik te presenteren. Wel maken de cijfers duidelijk dat digitale dienstverlening inmiddels een betekenisvolle fysieke activiteit is. De elektriciteit verdwijnt niet uit de vergelijking doordat de gebruiker alleen een scherm en een internetverbinding ziet.
Een nuttig begrip is PUE: het totale energiegebruik van een datacenter gedeeld door dat van de IT-apparatuur. Bij een PUE van 1,2 vraagt de faciliteit voor iedere eenheid IT-energie nog 0,2 eenheid voor onder meer koeling en ondersteunende installaties. Een lagere verhouding is bij dezelfde IT-vraag gunstiger. Het getal vertelt niet hoeveel nuttige antwoorden of berekeningen die IT vervolgens produceert.
Neem als rekenvoorbeeld een datacenter met gemiddeld 20 megawatt IT-verbruik. Bij PUE 1,2 vraagt het geheel 24 megawatt. Volcontinu over een modeljaar van 8.760 uur is dat 24 maal 8.760, ofwel 210.240 megawattuur. Dat is 210,24 GWh. De ondersteuning is daarvan 35,04 GWh; 175,2 GWh gaat in dit model naar de IT-apparatuur. Dit zijn aannames voor een fictieve faciliteit, geen cijfers van een concreet bouwplan.
Een beperking op hyperscales is geen verbod op alle datacenters
In antwoorden op Kamervragen van 2 april 2026 legde de minister uit dat de landelijke regels voor hyperscales twee criteria combineren: meer dan tien hectare bebouwd vloeroppervlak én minstens 70 megawatt aansluitvermogen. Kleinere datacenters, of centra die slechts aan één criterium voldoen, vallen niet onder die specifieke rijksregels. Lokale overheden kunnen daarnaast eigen ruimtelijke voorwaarden stellen.
Het onderscheid is belangrijk voor een goed ondernemersdebat. Wie ieder datacenter gelijkstelt aan een uitzonderlijk groot complex, maakt gerichte afwegingen onmogelijk. Een gebouw voor regionale rekendiensten kan een ander beslag leggen op ruimte en infrastructuur dan een enorme campus. Omgekeerd zegt een beperkt grondoppervlak niet automatisch dat een project weinig elektriciteit nodig heeft. Kijk naar de feitelijke belasting en het gebruik, niet alleen naar het etiket.
Groens sterkste argument is daarom dat een geloofwaardig AI-beleid duidelijk moet maken waar groei wél mogelijk is. Daar horen concrete locaties, beslistermijnen en aansluitperspectief bij. Eindeloos onduidelijke voorwaarden leggen een risico bij investeerders dat weinig met de kwaliteit van hun product te maken heeft. Duidelijke grenzen zijn beter dan een overheid die eerst uitnodigt en daarna jarenlang geen besluit neemt.
Wat dure stroom met de prijs van digitale diensten doet
Bij een aangenomen elektriciteitsprijs van €80 per MWh kost de 210.240 MWh uit het voorbeeld jaarlijks €16.819.200. Gedeeld door twaalf is dat gemiddeld €1.401.600 per maand. Dit is de kale stroompost in het model, exclusief btw, energieheffingen, netkosten, gebouwen, apparatuur, personeel en financiering. Het is dus geen volledige bruto factuur of netto bedrijfswinst. De €80 is een scenario-aanname, geen actuele offerte.
Wie betaalt die rekening uiteindelijk? In eerste instantie de exploitant of de partij die de elektriciteit contractueel afneemt. Vervolgens kan een deel in de prijs voor klanten terechtkomen. Hoeveel doorberekening mogelijk is, hangt af van contracten, concurrentie en de mogelijkheid om elders rekencapaciteit in te kopen. Een duurdere stroomrekening hoeft daarom niet één op één in dezelfde stijging van het cloudtarief te eindigen.
De effecten verschillen ook per onderneming. Een grote afnemer met langlopende contracten kan andere voorwaarden hebben dan een kleine ontwikkelaar die capaciteit per uur afneemt. Een bedrijf dat gevoelige gegevens dicht bij huis wil verwerken, heeft mogelijk minder uitwijkmogelijkheden. En een fabriek die op dezelfde lokale netuitbreiding wacht, beoordeelt de komst van extra datacapaciteit vanuit een heel andere behoefte. Meer digitale groei ontslaat ons niet van die afweging.
Op 30 september 2026 riepen de netbeheerders de politiek op tot uitvoerbare keuzes. Zij wezen op schaarse netcapaciteit, ruimte, geld en uitvoeringskracht. Dat is een bredere waarschuwing dan die van de technologiesector alleen. Netbeheer Nederland vertegenwoordigt daarbij zelf een belang: de beheerders moeten infrastructuur kunnen plannen en financieren. Hun oproep onderstreept wel dat de bottleneck niet uitsluitend binnen AI-bedrijven ligt.
Hoeveel rekenvermogen past binnen dezelfde aansluiting
De omgekeerde vraag levert een bruikbaarder gesprek op dan alleen roepen om meer elektriciteit. Stel dat maximaal 24 megawatt totaal beschikbaar is. Bij PUE 1,2 past daar 24 gedeeld door 1,2, dus 20 megawatt IT-vermogen binnen. Bij PUE 1,1 wordt dat circa 21,82 megawatt. Betere ondersteuning en koeling kunnen in dit voorbeeld ongeveer 9,1 procent meer IT-vermogen mogelijk maken zonder een grotere totale vermogensgrens.
Dat is nog geen garantie op 9,1 procent meer nuttige AI-productie. Die hangt ook af van chips, software, bezetting en het type werk. Bovendien kost een efficiënter gebouw geld. Maar de rekensom laat zien waarom innovatie ook een alternatief kan zijn voor uitsluitend grotere aansluitingen. Energie-efficiëntie is daarmee niet alleen een klimaatdoel; het kan direct ondernemingsruimte opleveren.
Hetzelfde geldt voor flexibiliteit, maar ook daar zijn grenzen. Werk dat kan wachten, kan soms naar een ander tijdstip of een andere locatie. Een dienst die voortdurend direct antwoord moet geven, kan dat veel minder gemakkelijk. Wie flexibiliteit als voorwaarde stelt, moet daarom naar het echte werkprofiel kijken. Een papieren toezegging helpt het net niet; een aantoonbaar lagere piekbelasting mogelijk wel.
Drie stroomscenario’s voor 2027 tot en met 2029
In de vergelijking voor de komende drie kalenderjaren blijft de IT-vraag 20 megawatt en de PUE 1,2. We gebruiken voor elk jaar 8.760 equivalente gebruiksuren, ook voor het schrikkeljaar 2028, zodat prijsverschillen los van kalenderlengte zichtbaar blijven. De modelstroomvraag is dus steeds 210.240 MWh. De peildatum van de aannames is 4 oktober 2026.
Het basisscenario rekent ieder jaar met €80 per MWh: €16,82 miljoen per jaar en afgerond €50,46 miljoen over 2027–2029. Het gunstige alternatief van €60 per MWh komt uit op €12,61 miljoen per jaar en €37,84 miljoen over drie jaar. Het ongunstige alternatief van €120 per MWh betekent €25,23 miljoen per jaar en €75,69 miljoen over drie jaar. De formule is telkens verbruik maal prijs; de driejaarsuitkomst is de som van de jaarbedragen.
Dit zijn nominale gevoeligheidsscenario’s, geen energieprijsverwachtingen en geen voorspelling van datacenterwinsten. We kennen er geen kansen aan toe. Belasting, netkosten, investeringen en financiering ontbreken, evenals het effect van afdekcontracten en wisselende bezetting. Het verschil van circa €37,84 miljoen tussen het gunstige en ongunstige driejaarspad laat wel zien waarom een betrouwbare energievoorziening bij een vestigingsbesluit zwaar kan wegen.
Ruimte voor groei vraagt een eerlijke rekening
De sterkste tegenwerping tegen meer ruimte voor datacenters is dat stroomnet en grond schaars zijn. Een vergunning kan gevolgen hebben voor woningbouw, andere bedrijven en de omgeving. Die belangen verdwijnen niet doordat een project het woord AI gebruikt. Kosten mogen ook niet vanzelf op huishoudens of andere ondernemers worden afgewenteld. Een overtuigend groeiplan moet daarom de benodigde uitbreiding, financiering en milieuprestaties benoemen.
Daaruit volgt echter geen goede reden om digitale infrastructuur vooral als hinderpost te behandelen. Meer productiviteit vraagt investeringen, en een groot deel daarvan zal door ondernemingen worden gedaan. De overheid kan het verschil maken door infrastructuur mogelijk te maken, vergunningen voorspelbaar af te handelen en gelijke spelregels te bewaken. Een subsidiebelofte zonder uitvoering is voor een ondernemer minder waard dan een betrouwbare planning.
Groen heeft dus gelijk dat AI-ambitie en ruimte voor infrastructuur bij elkaar horen. Het praktische antwoord is gerichte ruimte voor rendabele, efficiënte projecten die hun kosten dragen. Het bewijs dat die koers werkt, bestaat uit gerealiseerde aansluitingen, bruikbare rekencapaciteit en aantoonbare productiviteitswinst bij klanten. Als projecten vooral schaarste vergroten zonder die opbrengst, moet de afweging veranderen. Groei verdient ruimte, en een concreet plan om haar mogelijk te maken.
Lees ook: Ondernemers verdienen meer ruimte en Jitse Groen heeft een punt. Meer achtergrond staat in ons profiel van Jitse Groen.
Omslag: Jitse Groen tijdens TNW Conference op 23 april 2015. Archieffoto Julia de Boer / The Next Web, bron, CC BY-SA 2.0.





































































































































Opmerkingen