Wie spaarders bang maakt voor de beurs helpt ze niet vooruit
In het kort
Wie wil waarschuwen voor beleggen, moet ook vertellen wat níét beleggen kan kosten. De vergelijking tussen de AEX van 2000 en die van 2021 mist een wezenlijk onderdeel van het rendement: dividend. Tegelijk is een hoger verwacht aandelenrendement geen garantie en hoort een financiële buffer op de bank. Een volwassen debat helpt mensen vermogen opbouwen, zonder hen afhankelijk te maken van de verkooppraatjes van banken of de investeringsplannen van politici.
In een Volkskrant-column van 24 september wordt de Nederlandse spaarder neergezet als iemand die richting de beurs wordt geduwd. Banken willen eraan verdienen, Europa zoekt kapitaal en de burger mag het risico dragen. Dat wantrouwen is begrijpelijk. Een bank die beleggen aanprijst, verkoopt tenslotte ook beleggingen.
Maar uit een belang volgt nog geen ongelijk. De relevante vraag is of een huishouden na kosten, belasting en risico beter af kan zijn met een deel van zijn langetermijngeld in ondernemingen. Wie die vraag beantwoordt met uitsluitend beurscrashes, verdedigt de spaarder met een halve boekhouding.
Daar zit ook een politieke keuze achter. Willen we dat vermogensbezit vooral iets blijft van mensen die het meekrijgen, of maken we het toegankelijker voor mensen die het uit hun salaris moeten opbouwen? Daarvoor hoeft niemand beursgoeroe te worden. Een samenleving waarin meer mensen een bescheiden stukje bedrijfsleven bezitten, is een aantrekkelijker vooruitzicht dan een samenleving waarin zij vooral toeschouwer blijven.
Een beursindex zonder dividend vertelt maar het halve verhaal
Het aansprekendste voorbeeld uit de column is de AEX. Die stond in 2000 rond 700 punten en kwam pas in 2021 weer boven dat niveau. Dat laat overtuigend zien hoe pijnlijk een ongelukkig instapmoment kan zijn. Het bewijst alleen niet dat de belegger in die hele periode niets ontving.
De gewone AEX is een koersindex. Reguliere dividenden tellen daarin niet als herbelegd rendement mee. Euronext maakt daarom ook aparte indices mét herbelegging van bruto- of nettodividend, zoals het AEX-reglement expliciet beschrijft. Een koersgrafiek gebruiken als complete vermogensrekening is ongeveer zo behulpzaam als het rendement van een verhuurde woning beoordelen en de ontvangen huur vergeten.
Een rekenvoorbeeld maakt het verschil duidelijk. Stel dat een portefeuille van 30.000 euro twintig jaar lang per saldo dezelfde koersen houdt, maar ieder jaar 3 procent dividend oplevert. Bij jaarlijkse herbelegging groeit het vermogen tot 30.000 × 1,03 tot de macht 20 = 54.183 euro. Zonder herbelegging blijft de portefeuille 30.000 euro waard en is daarnaast in totaal 18.000 euro dividend ontvangen, mits dat geld niet is uitgegeven.
Dat zijn nominale brutobedragen, vóór kosten, belastingen en inflatie, zonder maandelijkse inleg. De 3 procent is een aanname, geen reconstructie van de AEX. Dividend is bovendien geen gratis geld: een uitkering verlaagt op zichzelf de waarde van het bedrijf. Het voorbeeld veronderstelt dat de koersen zich tussentijds herstellen, zodat ze uiteindelijk gelijk blijven. Het punt is bescheidener dan een verkooppraatje: wie rendement vergelijkt, moet alle opbrengsten tellen.
Ook de keuze voor één nationale index is beperkt. Een wereldwijd gespreide belegger bezit andere bedrijven en andere landen. Daarmee verdwijnt het marktrisico niet. Wel wordt zijn financiële toekomst minder afhankelijk van wat toevallig zwaar weegt op het Amsterdamse Damrak.
Een slecht startjaar is nog geen argument tegen eigendom
De column heeft gelijk dat aandelen niet in iedere periode beter presteren dan obligaties of sparen. Wie het woord altijd gebruikt, doet een belofte die de beurs niet kan nakomen. Ook twintig jaar kan tegenvallen. Die waarschuwing hoort bij beleggen en verdient een prominente plaats.
Maar de suggestie dat een gunstige begindatum het hele positieve aandelenverhaal verklaart, gaat te ver. Het Global Investment Returns Yearbook 2025 van Dimson, Marsh en Staunton rapporteert voor wereldwijde aandelen vanaf begin 2000 tot eind 2024 een jaarlijks samengesteld reëel rendement van 3,5 procent. Die onderzoeksperiode begint dus vóór de dotcomcrash, niet erna. De auteurs waarschuwen tegelijk dat zelfs twintig jaar te kort kan zijn om de langetermijnverhouding tussen risico en rendement goed te doorgronden.
Dat rapportcijfer is geen netto-opbrengst voor een Nederlandse belegger. De keuze van valuta en inflatiemaatstaf, de fondskosten en de persoonlijke belastingpositie beïnvloeden diens resultaat. Het cijfer weerlegt vooral het idee dat starten in 2000 noodzakelijk ieder breed aandelenverhaal onderuit haalt. Het geeft niemand recht op hetzelfde rendement vanaf vandaag.
Er bestaat ook een economische reden voor een hoger verwacht aandelenrendement. Een aandeelhouder krijgt wat overblijft nadat andere verplichtingen zijn betaald. Hij draagt verliezen als het bedrijf tegenvalt. Voor dat onzekere inkomen verlangt hij een vergoeding. Soms blijkt die achteraf royaal, soms blijft ze uit. Risico dragen is geen verdienste op zichzelf; het is de prijs van de kans op een betere opbrengst.
De spaarrekening heeft een risico dat niet rood knippert
Spaargeld vervult een belangrijke functie. Wie volgende maand een rekening moet betalen, heeft niets aan een portefeuille die op papier over twintig jaar aantrekkelijk kan zijn. Hetzelfde geldt voor iemand met onzeker inkomen, hoge schulden of een geplande aankoop. Een buffer koopt handelingsvrijheid. Dat is óók rendement, al staat het niet als percentage in een bankapp.
Voor geld dat werkelijk decennia kan blijven staan, verandert de afweging. Neem opnieuw 30.000 euro. Bij een veronderstelde spaarrente van 1,5 procent per jaar en 3 procent inflatie groeit het saldo in twintig jaar naar 30.000 × 1,015 tot de macht 20 = 40.406 euro. De koopkracht bedraagt dan echter 40.406 gedeeld door 1,03 tot de macht 20 = 22.372 euro in geld van nu.
Er is dus nominaal ruim 10.000 euro bijgekomen, terwijl 7.628 euro koopkracht is verdwenen. Al in het eerste jaar bedraagt het reële verlies 30.000 min 30.450 gedeeld door 1,03 = 437 euro. Dat is gemiddeld ongeveer 36 euro per maand aan koopkracht, geen maandelijkse afschrijving. Het voorbeeld veronderstelt constante rente en inflatie, jaarlijkse bijschrijving en geen stortingen of opnames. De rente is bruto; belastingen en eventuele rekeningkosten ontbreken.
Die aannames kunnen verkeerd uitpakken. Een hogere spaarrente of lagere inflatie maakt sparen aantrekkelijker. Inflatie kan bovendien ook aandelen hard raken. Bedrijven kunnen hogere kosten niet onbeperkt doorberekenen en beleggers kunnen minder voor hun winsten willen betalen. De keuze is daarom tussen verschillende risico’s. Het risico dat een saldo zichtbaar daalt krijgt alleen veel meer aandacht dan het risico dat hetzelfde saldo steeds minder kan kopen.
De AFM stuurt niet iedereen met zijn noodbuffer naar de beurs
De toezichthouder zegt iets beperkters dan de column suggereert. In haar bericht van 1 mei 2026 identificeert de AFM ruim 800.000 huishoudens die niet beleggen, voldoende financiële ruimte hebben en later mogelijk tekortkomen om hun huidige levensstandaard voort te zetten. Bij de helft ligt de ruimte boven de Nibud-referentiebuffer op minstens 30.000 euro. Dat is geen voorspelling dat al die mensen arm worden.
Dezelfde AFM schrijft nog steeds dat mensen alleen moeten beleggen met geld dat zij op lange termijn kunnen missen, voldoende moeten spreiden en op kosten moeten letten. De gedachte dat deze voorwaarde inmiddels is ingeruild voor een algemeen koopadvies, vindt in dit bericht geen steun.
Geld kunnen missen betekent hier ook niet dat het waardeloos is. Het betekent dat het niet nodig is om lopende verplichtingen en voorzienbare uitgaven te betalen. Natuurlijk geeft niemand graag 30.000 euro cadeau. Daaruit volgt niet dat niemand dat bedrag een tijd kan beleggen. Die woordspeling maakt een financiële afweging onnodig verdacht.
Omgekeerd verdient ook de enthousiaste bank enige tegenspraak. ING meldde op 7 september gemiddeld circa 25.000 euro aan liquide beleggingen per Nederlands huishouden tegenover circa 43.000 euro in de onderzochte eurolanden. Dat zijn gemiddelden. Het verschil vertelt niet hoeveel een doorsnee gezin kan of moet beleggen. ING noemt zelf het sterke pensioenstelsel, woningbezit en ondernemingsvermogen als verklaringen voor de Nederlandse situatie.
Een werknemer met een royaal aanvullend pensioen heeft een andere balans dan een zelfstandige zonder goede oudedagsvoorziening. Een huurder zonder spaarruimte heeft andere prioriteiten dan een huiseigenaar met een afgeloste hypotheek. Wie iedereen hetzelfde beleggingsadvies geeft, heeft waarschijnlijk vooral hetzelfde product te verkopen.
Wie vermogen wil opbouwen moet ook de omgekeerde vraag stellen
De discussie begint meestal bij het risico van een belegging. Draai haar eens om: hoeveel moet iemand extra sparen wanneer zijn vermogen weinig rendeert? Dan wordt zichtbaar dat voorzichtigheid ook een prijs kan hebben in gewerkte uren of een lager toekomstig bestedingsniveau.
Stel dat iemand over twintig jaar 100.000 euro wil hebben met de koopkracht van vandaag en begint met 30.000 euro. Bij aangenomen inflatie van 2,5 procent wordt het nominale doel 163.862 euro. Met jaarlijks 4 procent rendement na beleggingskosten, maar vóór persoonlijke belastingen, is daarvoor ongeveer 270 euro inleg aan het einde van iedere maand nodig. Bij 1,5 procent spaarrente wordt het ongeveer 442 euro per maand. Het verschil is circa 172 euro per maand, of 2.066 euro per jaar.
De berekening gebruikt 240 maandelijkse stortingen. De maandrente is (1 + jaarrendement) tot de macht één twaalfde, min één. Het eindbedrag is het beginkapitaal met samengestelde groei, plus de maandinleg maal de som van alle maandelijkse groeifactoren. De inleg blijft nominaal gelijk; belastingen, veranderende rentes en koersschommelingen zijn weggelaten. Vooral dat laatste maakt 270 euro een rekenuitkomst en geen veilig afvinkbedrag voor een pensioenplan.
Hier ligt een overtuigend liberaal argument voor toegankelijk beleggen. Wie geen familievermogen erft, moet bezit meestal opbouwen uit inkomen. Lagere kosten, begrijpelijke producten en eerlijke concurrentie helpen daarbij. Een bevolking die uitsluitend moet leven van loon, terwijl het bezit elders zit, heeft weinig aan een plechtige waarschuwing dat eigendom risico draagt.
Dat vraagt ook iets van de overheid. Bescherm tegen misleiding, maak belastingen voorspelbaar en voorkom dat ingewikkelde regels vooral mensen met dure adviseurs bevoordelen. Een algemene subsidie voor aandelenbezit ligt minder voor de hand: daarvan profiteert ook wie toch al volop belegt. En wie nauwelijks rondkomt, heeft eerst meer financiële ruimte nodig. Een beleggingsrekening lost een ontoereikend inkomen niet op.
Geef de burger een keuze en ook het slechte scenario
Het beste tegenargument blijft dat verliezen precies kunnen samenvallen met het moment waarop iemand geld nodig heeft. Daarom hieronder drie samenhangende rekenpaden voor 2027, 2028 en 2029, met peildatum 26 september 2026. Ze beginnen rekenkundig met 30.000 euro eind 2026; voor de resterende maanden van 2026 wordt geen rendement ingeboekt. Er zijn geen extra stortingen of opnames.
In het basisscenario nemen we ieder jaar 4 procent totaalrendement aan. Het vermogen wordt achtereenvolgens 31.200, 32.448 en 33.746 euro. Bij jaarlijks 2,5 procent inflatie resteert eind 2029 circa 31.336 euro koopkracht van eind 2026. De formule is telkens het vorige saldo maal één plus het jaarrendement; voor koopkracht delen we vervolgens door 1,025 tot de macht het aantal verstreken jaren.
In het tegenvallende scenario dalen aandelen eerst 30 procent en herstellen ze daarna twee jaar met 5 procent. Dan volgen saldi van 21.000, 22.050 en 23.153 euro. Na dezelfde inflatie resteert slechts 21.499 euro koopkracht. Twee positieve jaren maken het eerste verlies dus niet goed. In het gunstige scenario leveren 12, 8 en 6 procent rendement achtereenvolgens 33.600, 36.288 en 38.465 euro op, of 35.719 euro koopkracht aan het einde.
Alle rendementen in deze drie paden zijn na veronderstelde beleggingskosten en vóór persoonlijke belastingen. Dividend zit erin en wordt niet nog eens opgeteld. Het zijn aannames, geen ramingen of kansen. Drie jaar is hier juist een stresstest voor geld dat iemand te vroeg nodig heeft, geen geschikte termijn om een aandelenbelofte op te baseren.
Ook Europa’s kapitaalbehoefte is geen reden om spaarders moreel onder druk te zetten. Een aankoop van een bestaand aandeel betaalt doorgaans de verkoper, niet rechtstreeks een nieuwe fabriek. Goed werkende kapitaalmarkten kunnen bedrijfsfinanciering ondersteunen, maar de burger hoeft zijn portefeuille niet ondergeschikt te maken aan industriepolitiek. En spaargeld financiert via banken eveneens economische activiteit. Wie vrije keuze verdedigt, moet die keuze ook respecteren wanneer het geld buiten Europa terechtkomt of op de bank blijft.
Het oordeel is daarom helder. Spaarders verdienen bescherming tegen slechte producten én tegen een debat dat risico verwart met onverstand. Breder eigendom verdient steun wanneer huishoudens voldoende buffer, tijd en draagkracht hebben. Blijkt bij een concrete huishoudbalans dat die ruimte ontbreekt, of verdwijnt het verwachte voordeel na kosten en belasting, dan valt de keuze anders uit. Tot die tijd is mensen leren afwegen nuttiger dan hun met een onvolledige beursgrafiek vertellen dat ze beter aan de zijlijn kunnen blijven.
Omslag: Marieke Blom, hoofdeconoom van ING, op een archieffoto. Foto: Jasper Lensselink / ING Nederland, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0. Ongewijzigd gebruikt.


































































































































Opmerkingen