top of page
00:00 / 01:04

Wat ze je niet vertellen over erfbelasting

De erfbelasting wordt vaak verdedigd als een relatief efficiënte heffing op een onverdiende meevaller voor de ontvanger. De overledene ziet iets anders: vermogen dat na een leven van werken, sparen en risico nemen binnen een familie wordt doorgegeven, en waarop de overheid bij het sterfbed opnieuw aanspraak maakt.


De boerderij, de blauwe zaal en een miljoen voor de fiscus

Zoals notaris Miranda van den Broek het in 2025 in Notariaat Magazine herinnerde, was het 1995. In een dorpszaal werden de boerderij en landbouwgronden van een overleden, alleenstaande agrariër geveild. Bijna het hele dorp zat binnen. Er werd nog overal gerookt; de zaal stond blauw. De opbrengst was twee miljoen gulden, destijds een uitzonderlijk bedrag.


Van den Broek, toen net begonnen in het vak, herinnerde zich die nalatenschap dertig jaar later nog precies. De boer had ongeveer honderd neven en nichten. Hun vrijstellingen waren klein en voor verre familie gold destijds een toptarief van 68 procent. Enkele maanden na de veiling maakte het notariskantoor één miljoen gulden over aan de Belastingdienst.


Dat tarief bestaat niet meer. In 2026 betalen kinderen maximaal 20 procent en overige erfgenamen maximaal 40 procent. Toch verklaart het verhaal waarom erfbelasting anders wordt beleefd dan btw, loonheffing of accijns. De aanslag komt niet na een aankoop of op een loonstrook, maar in een periode van rouw. Zij vertaalt een huis, een bedrijf of een spaarrekening, zaken waarin een familie een levensverhaal ziet, terug naar een belastbare verkrijging.


Daar begint de weerzin bij meesten. Niet met de rekensom, maar met de vraag wat eigendom betekent. Is gespaard vermogen werkelijk van iemand als de staat bij de overdracht aan diens kinderen opnieuw mag bepalen hoeveel ervan in de familie blijft? Of is de erfenis juist inkomen voor de ontvanger, die er niet voor heeft gewerkt en daarom beter kan worden belast dan arbeid?


Wie deze discussie eerlijk wil voeren, moet beide perspectieven tegelijk kunnen zien. De erflater ziet een laatste beschikking over zijn eigendom. De erfgenaam ontvangt een meevaller. De fiscus ziet een belastbaar moment. En de politiek moet kiezen welk perspectief het zwaarst weegt.


Geen nieuwe greep

Erfbelasting is geen uitvinding van de moderne verzorgingsstaat. Het Nationaal Archief bewaart Nederlandse ‘memories van successie’ vanaf 1806: aangiften waarin na een overlijden werd vastgelegd wie erfde en hoeveel belasting verschuldigd was. Het huidige stelsel rust nog steeds op de Successiewet 1956. Wie oude familiegeschiedenis onderzoekt, vindt de fiscus daardoor vaak naast de notaris aan het sterfbed. De archiefuitleg laat zien hoe lang overlijden al een heffingsmoment is.


Tot 2010 sprak de wet van ‘recht van successie’ en ‘recht van schenking’. Bij de herziening van de Successiewet werden die namen gemoderniseerd tot erf- en schenkbelasting; de wetgever legde expliciet vast dat de naamswijziging zelf geen inhoudelijke verandering was.


De taal werd toegankelijker, het conflict bleef hetzelfde: belast de staat een vermogen of belast hij een nieuwe verkrijger? Dat onderscheid loopt ook in 2026 door iedere politieke discussie.


Waarom de discussie in 2026 opnieuw ontbrandde

In juli 2026 publiceerde het Centraal Planbureau het onderzoek Erfbelasting in beeld. De krantenkop die bleef hangen: een meerderheid zou grotere erfenissen zwaarder willen belasten. Minister van Financiën Eelco Heinen (VVD) zette vrijwel onmiddellijk de hakken in het zand. Het kabinet zou niet aan de erfbelasting tornen, zei hij tegen RTL Z. Nederland inde volgens hem niet te weinig belasting; de overheid gaf te veel uit.


Dat is de actuele politieke tegenstelling in één alinea. Veel linkse partijen en kansenliberalen kijken primair naar de ontvanger: een erfenis is minder aan eigen inspanning toe te schrijven dan arbeidsinkomen. FVD, JA21 en veel conservatief-rechtse denkers kijken eerder naar de gever en de familie. Daartussen staan VVD, BBB, SGP, CDA en PVV met uiteenlopende posities over tarief, vrijstelling en bedrijfsopvolging.


Maar voordat daar een oordeel over valt, eerst de wet. Want over weinig belastingen bestaan zo veel stellige meningen bij zo weinig kennis van de feitelijke vrijstellingen, tarieven en uitzonderingen.


Zo werkt de erfbelasting in 2026

Nederland kent juridisch een verkrijgersbelasting. Niet de nalatenschap als geheel, maar in beginsel iedere erfgenaam wordt belast over wat hij of zij krijgt. Twee factoren bepalen de rekening:


  1. de netto waarde van de verkrijging, na relevante schulden en kosten;

  2. de relatie tot de overledene.


De basisformule is eenvoudig:


netto waarde van wat iemand erft − persoonlijke vrijstelling = belastbare verkrijging

Daarop worden de tariefschijven toegepast. De eenvoud houdt daar grotendeels op, omdat partnerschap, testamenten, pensioenrechten, ondernemingsvermogen, eerdere schenkingen en buitenlandse situaties de uitkomst kunnen veranderen.


Vrijstellingen in 2026

Erfgenaam

Vrijstelling

Echtgenoot, geregistreerd partner of kwalificerende samenwoner

€ 828.035

Kind, pleegkind of stiefkind

€ 26.230

Kleinkind

€ 26.230

Achterkleinkind

€ 2.769

Kind met een beperking, onder voorwaarden

€ 78.671

Ouder

€ 62.110

Andere erfgenaam, zoals broer, zus, neef, nicht of vriend

€ 2.769


De bedragen komen uit het overzicht van de Belastingdienst voor 2026. Als beide ouders erven, geldt hun oudervrijstelling samen. De hogere vrijstelling voor een kind met een beperking geldt alleen als het kind grotendeels door de overledene werd onderhouden én door de beperking niet met werk de helft kan verdienen van wat een gezond persoon van dezelfde leeftijd verdient.


Een nabestaandenpensioen of lijfrente zelf is niet belast met erfbelasting, maar kan de partnervrijstelling wel verlagen. De Belastingdienst kapitaliseert de uitkering met een leeftijdsfactor, trekt 30 procent latente inkomstenbelasting af en brengt de helft van de resterende waarde op de vrijstelling in mindering. De partner houdt in 2026 minimaal € 213.915 vrijstelling over.


Sinds 2026 geldt ook een biologisch kind dat niet in familierechtelijke betrekking tot de ouder staat voor de schenk- en erfbelasting als kind, mits het biologische ouderschap met een DNA-test wordt aangetoond. Het kind kan daardoor het kindtarief en de kindvrijstelling krijgen. Die fiscale gelijkstelling maakt iemand niet automatisch civielrechtelijk erfgenaam; daarvoor blijven erkenning, testament en erfrecht beslissend. De maatregel en de privacywaarborgen zijn toegelicht in de memorie bij het Belastingplan 2026.


Tarieven in 2026

Belastbare verkrijging na vrijstelling

Partner en (pleeg-/stief)kind

Kleinkind en verdere afstammeling

Overige erfgenaam

Tot en met € 158.669

10%

18%

30%

Boven € 158.669, alleen over het meerdere

20%

36%

40%

De Belastingdienst laat de vrijstelling eerst aftrekken. De grens van € 158.669 geldt dus voor het daarna resterende, belastbare bedrag. Een ouder die van een kind erft, heeft wel de oudervrijstelling van € 62.110, maar valt voor het tarief in de categorie ‘overige erfgenamen’: 30 en 40 procent.


Vier simpele rekenvoorbeelden

De volgende voorbeelden veronderstellen dat er geen bijzondere testamentaire bepalingen, pensioenimputatie, ondernemingsfaciliteiten of aftrekbare schulden zijn.

Situatie

Belastbaar na vrijstelling

Erfbelasting

Effectief over bruto erfenis

Kind erft € 100.000

€ 73.770

€ 7.377

7,4%

Kind erft € 500.000

€ 473.770

€ 78.887

15,8%

Kleinkind erft € 100.000

€ 73.770

€ 13.279

13,3%

Vriend erft € 100.000

€ 97.231

€ 29.169

29,2%


Het verschil tussen een kind en een goede vriend is dus niet marginaal, maar bijna € 22.000 op een erfenis van een ton. De wet beloont de formele familierelatie sterk. Dat past bij een gezinsgerichte ordening, maar wringt bij alleenstaanden die hun leven delen met een vriend, buur of niet-kwalificerende partner.


Wie geldt als partner?

Een echtgenoot of geregistreerd partner kwalificeert automatisch, ook als beiden feitelijk apart wonen. Dat eindigt als zij van tafel en bed gescheiden leven én daarvoor bij de rechtbank een verzoek hebben ingediend. Voor samenwoners is de poort smaller. Zij moeten vóór het overlijden ten minste zes maanden:


  • meerderjarig zijn;

  • op hetzelfde adres staan ingeschreven;

  • een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting hebben;

  • geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn;

  • en geen andere fiscale partner hebben.


Zonder notarieel contract kan het partnerschap toch gelden na minimaal vijf jaar gezamenlijke inschrijving. Een gedwongen verhuizing naar een verpleeghuis of kliniek beëindigt het fiscale partnerschap niet automatisch. De precieze uitzonderingen staan bij de Belastingdienst.


Dit is geen detail. Wie lang samenleeft maar door een onderbroken BRP-inschrijving niet aan de vijfjaarstoets voldoet en evenmin tijdig een kwalificerend notarieel contract heeft, kan fiscaal van een partnervrijstelling van ruim acht ton terugvallen naar € 2.769 en tarieven van 30 en 40 procent. De belastingwet meet verbondenheid uiteindelijk in akten, termijnen en registraties.


Een andere nieuwe 2026-regel bestrijdt ongelijke breukdelen in huwelijks- of partnerschapsvermogen en finale verrekenbedingen. Krijgt een partner bij ontbinding of afrekening door overlijden meer dan 50 procent van het gezamenlijke vermogen, dan wordt het meerdere in beginsel belast. Voor vóór 16 september 2025, 16.00 uur vastgelegde afspraken geldt beperkt overgangsrecht zolang de overeengekomen breukdelen niet veranderen. Dit is specialistische materie: huwelijkse voorwaarden die ooit om andere redenen zijn gemaakt, kunnen daardoor fiscale gevolgen bij overlijden hebben.


Wat is de erfenis waard?

Uitgangspunt is het vermogen op de overlijdensdatum: bezittingen minus aftrekbare schulden. Voor belangrijke onderdelen gelden eigen waarderingsregels:


  • bank- en spaartegoeden: het saldo op de dag van overlijden;

  • beursgenoteerde effecten: in beginsel de officiële slotnotering van de laatste beursdag vóór het overlijden;

  • een eigen woning: bij een overlijden in 2026 mag de laagste worden gekozen van de WOZ-waarde 2026 en die van 2027;

  • andere goederen, niet-woningvastgoed en ondernemingsbestanddelen: doorgaans de waarde in het economische verkeer;

  • een verhuurde woning met huurbescherming en marktconforme huur: meestal de WOZ-waarde vermenigvuldigd met de wettelijk bepaalde leegwaarderatio; bij verhuur aan een gelieerde partij tegen een ongebruikelijke huur geldt vanaf 2026 de volle WOZ-waarde;

  • hypotheek, leningen en opgebouwde rente: in beginsel aftrekbaar voor zover het echte schulden van de overledene zijn;

  • een schuld uit een schenking op papier: alleen aftrekbaar als de schenking notarieel is vastgelegd en de afgesproken rente van minstens 6 procent jaarlijks daadwerkelijk is betaald;

  • redelijke uitvaartkosten: aftrekbaar, verminderd met een eventuele uitvaartverzekeringsuitkering.


De waarderingsuitleg van de Belastingdienst bevat verdere uitzonderingen. Is een woning vóór het overlijden ingrijpend veranderd, dan kan de marktwaarde in plaats van de gewone WOZ-keuze beslissend zijn. Ook een levensverzekeringsuitkering kan onder fictiebepalingen belast zijn, zelfs als zij civielrechtelijk niet gewoon in de nalatenschap valt.


Eerst aanvaarden, beneficiair aanvaarden of verwerpen

Erfbelasting is pas relevant als duidelijk is wat er netto overblijft. Een erfgenaam kan een nalatenschap zuiver aanvaarden, beneficiair aanvaarden of verwerpen. Bij zuivere aanvaarding komen ook eventuele tekorten voor eigen rekening. Bij beneficiaire aanvaarding worden eerst de schulden uit de boedel voldaan en is de erfgenaam in beginsel niet met privévermogen aansprakelijk. Wie goederen meeneemt of verkoopt voordat de keuze is gemaakt, kan onbedoeld zuiver hebben aanvaard. De Rijksoverheid adviseert bij twijfel advies in te winnen.


De wettelijke verdeling: kinderen erven op papier, belasting volgt al

Overlijdt een getrouwde ouder of een ouder met een geregistreerd partner en zijn er kinderen, zonder afwijkend testament, dan geldt meestal de wettelijke verdeling. De langstlevende krijgt de goederen en schulden. De kinderen krijgen een geldvordering op die ouder, doorgaans pas opeisbaar bij diens overlijden.


Fiscaal erven de kinderen echter al bij het eerste overlijden. Zij kunnen dus erfbelasting verschuldigd zijn over een vordering die nog niet op hun bankrekening staat. De langstlevende schiet die belasting voor; het bedrag verlaagt vervolgens de vordering van het kind. Renteafspraken en de leeftijd van de langstlevende beïnvloeden de fiscale waardering. De Belastingdienst waarschuwt daarom terecht dat een testament en renteclausule grote gevolgen kunnen hebben.


Hier zit de meest concrete ‘stenen maar geen geld’-situatie. Stel dat een alleenstaande ouder een schuldenvrije woning van € 600.000 nalaat aan twee kinderen. Ieder erft € 300.000 en betaalt in een eenvoudig geval ongeveer € 38.887, samen bijna € 77.775. Als geen van beiden het huis wil of kan overnemen, kan verkoop logisch zijn. Wil één kind het ouderlijk huis behouden, dan moeten zowel de belasting als de uitkoop van het andere kind worden gefinancierd.


Aangifte: vanaf 2026 twintig maanden

Voor overlijdens in 2025 of eerder gold in beginsel acht maanden. Voor iemand die op of na 1 januari 2026 overlijdt, ligt de uiterste aangiftedatum twintig maanden na het overlijden. Wie binnen die termijn volledig en correct aangifte doet, voorkomt in beginsel belastingrente. De verruiming is bewust ingevoerd omdat nabestaanden in een emotionele periode gegevens moeten verzamelen en soms eerst een woning moeten verkopen. Zie de Belastingdienst en de toelichting bij het Belastingplan 2026.


De Belastingdienst stuurt doorgaans een brief, maar geen brief ontvangen ontslaat een erfgenaam niet van aangifte als de verkrijging boven de vrijstelling uitkomt. Bij betalingsproblemen kan onder voorwaarden uitstel of een regeling worden gevraagd. Een verleend aangifte-uitstel schuift de start van belastingrente niet voorbij twintig maanden; het rentepercentage is in 2026 5 procent. De twintig maanden lossen een liquiditeitsprobleem niet op, maar geven wel meer tijd om het zonder paniek te organiseren.


Buitenland: emigratie wist de Nederlandse claim niet meteen uit

Nederland heft in elk geval als de overledene in Nederland woonde. Een Nederlander die binnen tien jaar na emigratie overlijdt, wordt voor de Successiewet geacht nog in Nederland te hebben gewoond; daardoor kunnen de verkrijgers Nederlandse erfbelasting verschuldigd zijn. Waar de erfgenaam woont is niet doorslaggevend. Als ook een ander land heft, kunnen verdragen of verrekeningsregels dubbele belasting beperken. De Belastingdienst adviseert grensoverschrijdende nalatenschappen per land te beoordelen.


Schenken tijdens leven: planning, geen toverkunst

Schenken kan de latere nalatenschap verkleinen. In 2026 mogen ouders jaarlijks € 6.908 belastingvrij aan een kind schenken; voor andere ontvangers is de jaarlijkse vrijstelling € 2.769. Onder voorwaarden bestaat een eenmalige vrijstelling van € 33.129 voor vrije besteding of € 69.009 voor een dure studie als het kind óf diens partner tussen 18 en 40 jaar is; de dag van de veertigste verjaardag telt nog mee. De aparte ‘jubelton’ voor een eigen woning bestaat sinds 2024 niet meer. De actuele bedragen staan bij de Belastingdienst.


Een schenking binnen 180 dagen vóór het overlijden wordt doorgaans in de erfbelasting betrokken. Voor overlijdens vanaf 1 januari 2026 is voor het deel van de overleden schenker in beginsel geen afzonderlijke aangifte of aanslag schenkbelasting meer nodig; is zo'n aanslag al opgelegd, dan vermindert de Belastingdienst die ambtshalve. Er zijn uitzonderingen, onder meer bij een gezamenlijke schenking voor het aandeel van de nog levende schenker en bij bepaalde eenmalig verhoogde vrijstellingen. De Belastingdienst licht de 180-dagenregel met voorbeelden toe. Schenk- en erfbelasting hebben bovendien dezelfde tariefpercentages. Planning kan dus vrijstellingen spreiden, maar verandert vermogen niet met één handtekening kosteloos in onbelast geld. En wie alles vroeg weggeeft, levert ook beschikkingsmacht en financiële zekerheid in.


Goede doelen met een ANBI- of SBBI-status zijn in beginsel vrijgesteld. Dat stimuleert nalaten aan maatschappelijke organisaties, maar het betekent ook dat de bestemming van vermogen fiscaal wordt gestuurd: een goed doel kan alles ontvangen, een levenslange vriend vaak niet.


Zeven valkuilen in één oogopslag

Veelgemaakte aanname

Wat de regel werkelijk doet

De eerste tariefschijf geldt over het bruto erfdeel

Eerst gaat de persoonlijke vrijstelling eraf; pas daarna wordt de grens van € 158.669 toegepast.

Lang samenwonen maakt iemand vanzelf partner

Alleen bij minstens vijf jaar onafgebroken gezamenlijk BRP-adres; anders zijn onder meer zes maanden, een notarieel zorgcontract en de overige partnereisen nodig.

Voor een woning telt altijd de WOZ van het overlijdensjaar

De erfgenaam mag bij een overlijden in 2026 de laagste kiezen van WOZ 2026 en WOZ 2027, behoudens bijzondere situaties.

Een papieren schenking is altijd een aftrekbare schuld

Alleen met een notariële akte én werkelijk jaarlijks betaalde rente van minstens 6 procent.

Kinderen betalen pas als de langstlevende overlijdt

Bij de wettelijke verdeling erven en betalen zij fiscaal al bij het eerste overlijden over hun niet-opeisbare vordering.

Een erfgenaam in het buitenland voorkomt Nederlandse heffing

De situatie van de overledene is beslissend; voor Nederlandse emigranten kan bovendien de tienjaarsfictie gelden.

De BOR geldt vanzelf en definitief

Er moet tijdig om worden verzocht, de onderneming moet drie jaar worden voortgezet en een schending moet binnen acht maanden worden gemeld.


Wat Nederland werkelijk nalaat

De emotie rond erfbelasting wordt vaak gevoed door uitzonderingen: het miljoenenbedrijf, de Amsterdamse woning zonder hypotheek, de erfgenaam die naar België vertrekt. De doorsnee nalatenschap is veel bescheidener.


De breedste CBS-schatting is voorlopig en gaat over 2023. In dat jaar overleden 168.700 mensen. Zij lieten gezamenlijk netto € 33,569 miljard na. Het gemiddelde was € 199.000, maar de mediaan slechts € 45.200. De helft van de nalatenschappen was dus kleiner dan € 45.200; enkele zeer grote vermogens trekken het gemiddelde sterk omhoog. Dat blijkt uit CBS StatLine. Voor de ongeveer 65 procent van de overledenen zonder aangifte erfbelasting schat het CBS de vermogensbestanddelen bij; dit is dus geen optelsom van uitsluitend vastgestelde aangiften.


Nalatenschappen in 2023

Bedrag

Totale bezittingen

€ 39,262 miljard

Waarvan bank- en spaartegoeden

€ 7,735 miljard

Waarvan effecten

€ 3,001 miljard

Waarvan eigen woningen

€ 18,716 miljard

Waarvan ondernemingsvermogen

€ 6,821 miljard

Totale schulden

€ 5,693 miljard

Netto nagelaten vermogen

€ 33,569 miljard


De eigen woning was 47,7 procent van alle bruto bezittingen in nalatenschappen. Maar slechts 63.100 van de 168.700 overledenen hadden volgens deze tabel een eigen woning. Het politieke beeld van ‘iedere erfenis is vooral een huis’ is dus te algemeen; voor de groep mét een woning is die woning juist vaak dominant.


Een tweede CBS-tabel kijkt alleen naar verkrijgingen uit nalatenschappen waarvoor aangifte erfbelasting is gedaan. In 2023 ging het om 274.700 ontvangers, samen goed voor bruto € 21,215 miljard. De verschuldigde belasting bedroeg € 2,135 miljard en de netto verkrijging € 19,079 miljard. De mediane bruto verkrijging was € 33.200; de mediane aanslag € 700. De uitsplitsing naar relatie is politiek veelzeggend:


Relatie tot overledene

Bruto verkregen

Verschuldigde belasting

Partner

€ 5,362 miljard

€ 52 miljoen

Kind

€ 11,629 miljard

€ 1,134 miljard

Kleinkind

€ 663 miljoen

€ 38 miljoen

Overige relatie

€ 2,905 miljard

€ 898 miljoen

Maatschappelijke organisatie

€ 568 miljoen

€ 0,1 miljoen


De categorie ‘overige relatie’ ontving veel minder dan kinderen, maar betaalde bijna vier vijfde van het kinderbedrag aan belasting. De lage vrijstelling en tarieven van 30 en 40 procent doen daar hun werk. Het systeem beschermt huwelijk en rechte afstamming; het behandelt gekozen verwantschap aanzienlijk harder.


De twee CBS-totalen mogen niet op één hoop worden gegooid. De eerste tabel schat alle nagelaten vermogens, ook als geen aangifte nodig was. De tweede ziet alleen aangifteplichtige verkrijgingen en telt ontvangers, niet overledenen. Het CPB schatte voor 2022 dat bij ongeveer 35 procent van de overledenen een aangifte werd gedaan en dat die aangiften circa driekwart van het totale nagelaten vermogen afdekten. Binnen de aangegeven verkrijgingen lag de effectieve druk rond 11 procent. De 8,5 procent over al het geschatte nagelaten vermogen is een geaggregeerde ratio, ongeveer € 2,4 miljard belasting gedeeld door € 28,5 miljard vermogen, en geen gemiddeld tarief per persoon.


De opbrengst is klein als aandeel, maar niet verwaarloosbaar

De meest recente raming in de Voorjaarsnota 2026 komt uit op € 4,239 miljard bruto kasontvangst uit schenk- én erfbelasting samen. Dat is ongeveer 0,93 procent van de totale geraamde belasting- en premieontvangsten van € 456,395 miljard. De exacte erfbelastingcomponent is in deze begrotingstabel niet afzonderlijk vermeld. De Voorjaarsnota 2026 stelde de eerdere Miljoenennota-raming met € 482 miljoen naar boven bij.


Voor een rijksbegroting is minder dan één procent overzichtelijk. Voor een dekkingsplan is ruim € 4,2 miljard nog steeds echt geld. Dit kasbedrag is wel slechts de statische orde van grootte, niet een doorgerekende structurele netto derving: gedragsreacties en doorwerking naar andere belastingen kunnen de uiteindelijke rekening veranderen. Wie beide heffingen wil afschaffen, kan dus niet volstaan met ‘de overheid merkt het nauwelijks’. Een geloofwaardig rechts voorstel noemt de concrete uitgaven die verdwijnen, een alternatieve belasting die stijgt of een realistisch ingroeipad. Klein als percentage is niet hetzelfde als gratis.


De rechtse aanklacht: vijf argumenten die verder gaan dan ‘dubbele belasting’

1. Een familie is geen toevallige verzameling belastingplichtigen

De fundamentele rechtse kritiek begint bij de betekenis van familie. Ouders werken niet uitsluitend voor individuele consumptie. Zij lossen een hypotheek af, bouwen een onderneming op en houden reserves aan omdat zij hun kinderen zekerheid willen geven. Dat is geen lek in de economie, maar een vorm van verantwoordelijkheid over generaties.

Wie de erfgenaam geïsoleerd bekijkt, ziet een onverdiende meevaller. Wie de familie als duurzame gemeenschap bekijkt, ziet de voltooiing van een doel waarvoor het vermogen mede is opgebouwd. De staat behandelt de overdracht juridisch als een sprong tussen twee personen; conservatief rechts ziet continuïteit tussen generaties.


Dat verschil is niet met een spreadsheet op te lossen. Het gaat om de vraag of eigendomsrecht alleen het recht omvat om tijdens het leven te consumeren, of ook om na de dood te bestemmen. Een hoog tarief zegt feitelijk: uw laatste wil geldt, maar slechts na het aandeel van de staat.


2. ‘Er is al belasting over betaald’ is onvolledig maar niet onzinnig

Het standaard rechtse bezwaar luidt dat het geld al is belast: eerst als loon of winst, daarna mogelijk via box 3, btw en lokale lasten, en ten slotte bij overlijden. Economen antwoorden dat dit geen zuivere dubbele belasting is. De erfgenaam is een andere persoon en geldstromen worden voortdurend meerdere keren belast; van netto loon wordt bijvoorbeeld btw betaald.


De OESO vindt het technische dubbelbelastingargument daarom zwak. Bovendien kan een nalatenschap waardestijging bevatten die niet afzonderlijk als vermogenswinst is belast. Nederland kent geen algemene vermogenswinstbelasting op de meerwaarde van de eigen woning. Als een huis voor € 150.000 is gekocht en bij overlijden € 600.000 waard is, is die € 450.000 niet simpelweg ‘al volledig belast’, al heeft de woningbezitter tijdens het bezit wel met andere lasten en het eigenwoningforfait te maken gehad.


Toch mist het economische antwoord de politieke kern. Rechts zegt niet alleen dat exact dezelfde belastinggrondslag tweemaal door exact dezelfde persoon wordt betaald. Het zegt dat de cumulatieve aanspraak van de staat een grens moet hebben en dat burgers hun gedrag afstemmen op de verwachting dat netto opgebouwd privévermogen ook werkelijk privé blijft. De morele vraag is hoeveel heffingsmomenten de overheid aan één levensloop mag koppelen, niet hoeveel boekhoudkundige transacties zij kan onderscheiden.


3. De belasting treft wie niet kon of wilde plannen

Vermogenden beschikken eerder over fiscalisten, bv-structuren, schenkingsplannen en de financiële ruimte om bezit al tijdens hun leven over te dragen. Een doorsnee huiseigenaar heeft vaak één groot vermogensbestanddeel en wil dat niet weggeven zolang hij er woont of het mogelijk nodig heeft voor zorg.


Dat voedt het gevoel dat de nette spaarder de zichtbare rekening krijgt terwijl de zeer rijke familie jaren vooruit plant. MAX Meldpunt publiceerde een reactie van melder E. van Laak, die stelde dat een verhoging vooral de middenklasse raakt, terwijl grote vermogens eerder worden overgedragen en gestructureerd.


Dat is geen bewijs dat rijke families de belasting massaal ontwijken. Wel is het een valide waarschuwing voor horizontale ongelijkheid: twee economisch vergelijkbare families kunnen door timing, advies en vermogensvorm heel verschillend worden belast. De juiste beleidsreactie kan afschaffing zijn, maar ook een bredere grondslag, hogere gewone vrijstellingen en minder uitzonderingsroutes. Een ingewikkelde belasting wordt niet rechtvaardig doordat alleen deskundigen hem optimaal kunnen plannen.


4. Vermogen in stenen of machines is geen banktegoed

Notaris Van den Broek zei in haar openbare interview vooral moeite te hebben met langstlevenden, statistisch vaak vrouwen, wier vermogen grotendeels in de woning zit, terwijl pensioen en spaargeld beperkt zijn. Een aanslag kan dan reëel zijn zonder dat de liquiditeit er is. De wettelijke verdeling, de grote partnervrijstelling, testamentaire mogelijkheden, de nieuwe termijn van twintig maanden en betalingsuitstel verzachten dat probleem. Ze laten het principiële bezwaar intact: de overheid maakt een privévermogensoverdracht mede afhankelijk van verkoop- of financieringsmogelijkheden.


In een door MAX Meldpunt gepubliceerde reactie wees een melder die alleen als meneer Kaptein werd aangeduid op het afbetaalde huis van zijn ouders. In zijn ogen waren de aflossingen, het onderhoud en de materialen allemaal uit belast inkomen betaald. Een hogere aanslag bij verkoop voelde voor hem niet als belasting op een cadeau, maar als een greep uit een levenswerk. Dat verhaal bewijst economisch niet dat elke euro overwaarde al belast is. Het verklaart wel waarom de eigen woning politiek geen gewoon financieel actief is.


5. Eerst uitgaven begrenzen, dan pas een nieuwe claim leggen

Rechts redeneert vanuit schaarste bij de overheid, niet alleen bij de burger. Minister Heinen formuleerde het in juli 2026 hard: de relevante vraag is niet wat nog meer kan worden belast, maar welke uitgaven moeten worden hervormd. Die houding past bij schenk- en erfbelasting die samen minder dan één procent van de totale geraamde belasting- en premieontvangsten vormen.


Maar ook hier hoort intellectuele eerlijkheid bij. ‘De overheid moet kleiner’ is een richting, geen dekking. Afschaffing vraagt om miljarden aan structurele keuzes. Een rechts programma dat eigendom serieus neemt, moet daarom ook bereid zijn subsidies, bureaucratie of collectieve aanspraken concreet te schrappen. Anders wordt een principiële belastingverlaging betaald met een tekort dat de volgende generatie erft.


In de studio: twee manieren om naar familie te kijken

In juli 2026 zat zelfstandig Kamerlid Mona Keijzer in de WNL-studio tegenover FNV-voorzitter en voormalig PvdA-Kamerlid Hans Spekman. Het gesprek werd interessant omdat beiden het woord ‘familie’ gebruikten, en er iets tegengestelds mee bedoelden.


Keijzer redeneerde vanuit inspanning en verbondenheid. Mensen maken lange uren en ondernemers nemen risico, zei zij, niet alleen om het zelf beter te krijgen maar ook om iets aan hun kinderen na te laten. Zij plaatste de discussie over een hogere erfbelasting in het kader van een volgens haar al sterk geïndividualiseerde samenleving. De overheid moest volgens haar eerst kleiner worden en minder uitgeven.


Spekman keek naar dezelfde woningmarkt en zag juist families uit elkaar worden gedreven. Een kind zonder vermogende ouders kan volgens hem moeilijk in een stad als Utrecht blijven wonen; een kind dat een huis of grote schenking meekrijgt wel. In zijn redenering beschermt onbelaste familieoverdracht de ene familie ten koste van gelijke kansen voor de andere. Het gesprek is terug te zien en na te lezen bij WNL.


Keijzer verdedigt verticale solidariteit: ouders dragen verantwoordelijkheid voor kinderen. Spekman verdedigt horizontale gelijkheid: afkomst mag de toegang tot wonen en kansen niet bepalen. Rechts kiest doorgaans het eerste als vertrekpunt, maar kan het tweede niet wegwuiven. Een samenleving waarin de woningmarkt alleen nog toegankelijk is met ouderlijk vermogen is niet vanzelf meritocratisch. De serieuze rechtse vraag is daarom niet of familievermogen verschil mag maken, natuurlijk maakt het verschil, maar hoeveel ongelijkheid de overheid moet corrigeren zonder familieverantwoordelijkheid te bestraffen.


Het familiebedrijf: continuïteit of fiscaal privilege?

Bij een spaarrekening kan de erfbelasting uit het saldo worden betaald. Bij een bedrijf zit de waarde in grond, machines, voorraden, klanten en toekomstige winst. Een aanslag kan geld uit de onderneming trekken op precies het moment dat ook leiding en eigendom wisselen. Daarom bestaat de bedrijfsopvolgingsregeling, de BOR.


Het economische belang van familiebedrijven is groot. Het CBS telde in 2022 bijna 300.000 familiebedrijven in de brede economie. In het niet-financiële bedrijfsleven waren zij goed voor ruim 2,3 miljoen werknemersbanen, bijna 43 procent van het totaal. Zij boekten daar bijna € 595 miljard omzet en ruim € 152 miljard toegevoegde waarde. Die cijfers komen uit het CBS-onderzoek naar familiebedrijven. Ze tonen het gewicht van familiebedrijven, niet dat de BOR die banen of waarde veroorzaakt of in haar huidige vorm noodzakelijk is.


De BOR in 2026

Voor kwalificerend ondernemingsvermogen geldt in 2026 per objectieve onderneming een voorwaardelijke vrijstelling van 100 procent tot € 1.543.500 van de going-concernwaarde en 75 procent over het meerdere. Is de liquidatiewaarde hoger dan de waarde bij voortzetting, dan is ook dat verschil onder voorwaarden volledig vrijgesteld. Alleen een actieve onderneming kwalificeert; beleggingen niet. De erfgenaam moet de activiteiten en, bij aandelen, het eigendom minimaal drie jaar voortzetten.


Bij vererving moet de overledene de onderneming in beginsel minstens één jaar hebben bezeten. Sinds 2026 wordt die termijn langer als de erflater op het moment van overlijden meer dan twee jaar boven de AOW-leeftijd is: per extra jaar komt er een halfjaar bij. Bij schenking gelden een minimumleeftijd van 21 jaar voor de verkrijger en doorgaans vijf jaar bezit door de schenker; ook die termijn loopt op als de schenker op het moment van schenken meer dan zes jaar boven de AOW-leeftijd is, behoudens onder meer een startersuitzondering. Nieuwe antimisbruikregels beperken herhaald gebruik van de BOR voor een onderneming die eerder van de verkrijger was. Tegelijk zijn reële reorganisaties ruimer gefaciliteerd en geldt een nieuwe definitie voor preferente aandelen. De eerder voorgenomen algemene eis dat alleen gewone aandelenbelangen van minstens 5 procent zouden kwalificeren, is vóór invoering geschrapt en geldt dus niet.


De hoofdlijnen en definitieve 2026-bedragen staan in de Belastingdienstbrochure over bedrijfsopvolging. De nadere 2026-wijzigingen zijn terug te vinden in de parlementaire behandeling.


De faciliteit werkt niet automatisch: de verkrijger moet er in de aangifte om verzoeken voordat de aanslag definitief vaststaat. Wordt binnen drie jaar niet langer aan het voortzettingsvereiste voldaan, dan kan de vrijstelling geheel of gedeeltelijk vervallen en moet dat binnen acht maanden aan de Belastingdienst worden gemeld. Voor het na vrijstelling belaste ondernemingsdeel kan maximaal tien jaar rentedragend betalingsuitstel beschikbaar zijn.


De BOR is geen simpele vrijkaart voor ‘het familiebedrijf’. De fiscale kwalificatie van ondernemings- tegenover beleggingsvermogen, de waarde, aandeelsoort, bezitstermijn en voortzetting moeten worden getoetst. Daarnaast kan bij een bv een box 2-claim spelen; daarvoor bestaan afzonderlijke doorschuifregels. Wie alleen naar de erfbelasting kijkt, ziet niet de hele fiscale overdracht.


Het ondernemersargument

Vanuit rechts is de verdediging krachtig. Een gezonde onderneming mag niet worden verkocht, opgesplitst of met extra schuld beladen alleen omdat de eigenaar overlijdt. Werknemers, leveranciers en een regio hebben belang bij continuïteit. Zeker bij landbouw kan de liquidatiewaarde van grond veel hoger zijn dan de winstcapaciteit van het bedrijf. Belast je alsof morgen alles wordt verkocht, dan duw je juist richting verkoop.


De ongemakkelijke evaluatie

Toch is de BOR ook het punt waarop een marktliberaal rechts verhaal kan botsen met een belangengroep. Een geërfde onderneming krijgt een voordeel dat een starter of koper niet heeft. Het CPB onderzocht BOR-bedrijfserfenissen uit 2010–2017 en concludeerde dat bij 54 procent al genoeg vrije middelen in de nalatenschap aanwezig waren om de belasting te betalen. Telde het bureau ook het eigen vermogen van de verkrijger mee, dan gold dat voor ongeveer driekwart. Dit onderzoek zag op de toenmalige regels, die inmiddels zijn gewijzigd.


Het CPB noemde de vrijstelling van de going-concernwaarde doeltreffend maar niet doelmatig; een ruime, eventueel rentevrije betalingsregeling kon in veel gevallen hetzelfde liquiditeitsdoel bereiken. De waarderingsfaciliteit voor het verschil tussen liquidatie- en going-concernwaarde beoordeelde het bureau juist als doeltreffend én doelmatig. De kabinetsreactie op de evaluatie noemt bovendien concurrentieverstoring, complexiteit en een scheef verdeeld voordeel.


Dat onderzoek bewijst niet dat ieder familiebedrijf zonder BOR probleemloos kan betalen. Grote ondernemingsvermogens bevatten verhoudingsgewijs juist minder vrije middelen, en ‘beschikbaar’ privévermogen is niet altijd zonder schade liquide te maken. Het ontkracht wel de simpele stelling dat afschaffing van elke vrijstelling automatisch overal banen vernietigt.


De aannemer die de Kamer raakte en de verruiming die niet doorging

De politieke kracht van het familiebedrijvenargument werd in 2023 zichtbaar in een lobby rond de BOR. NRC reconstrueerde hoe aannemer Frans van den Heuvel, toen directeur van een familiebedrijf waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1725, Kamerleden vertelde dat zijn vermogen in de onderneming zat en dat zijn kinderen zonder fiscale bescherming de opvolging niet zouden kunnen betalen. Zijn emotie maakte indruk; oud-Kamerlid Wybren van Haga zei later tegen NRC dat juist zo'n ondernemer van vlees en bloed bij hem was blijven hangen. Van den Heuvel viel zelf al onder de bestaande regeling.


De lobby van onder meer Swinkels Family Brewers richtte zich mede op een familietoets en een ruimere verwateringsregeling voor zeer kleine, indirecte familiebelangen. Het amendement-Van Dijk/Erkens werd in 2023 aangenomen. Peer Swinkels, topman van een zevende generatie met ongeveer 1.800 werknemers en honderden familieaandeelhouders, stuurde Van Dijk daarna volgens NRC het bericht: ‘Bedankt Inge.’ De twee gerichte verruimingen traden echter nooit in werking en zijn eind 2025 weer geschrapt wegens risico's rond staatssteun, gelijke behandeling en uitvoerbaarheid. Wel bleef de algemenere vrijstelling van 75 procent boven de BOR-drempel overeind. Dat blijkt uit de latere behandeling in de Tweede Kamer.


Beide lessen kunnen tegelijk gelden. Een opvolger kan werkelijk klem raken doordat bedrijfsvermogen niet liquide is. En een professioneel georganiseerd concern kan hetzelfde menselijke beeld inzetten voor een bredere wetswijziging, ook als die uiteindelijk niet ingaat. Dat is de journalistieke les achter de BOR: vraag niet alleen of een ondernemer een overtuigend verhaal heeft, maar ook welke doelgroep de uiteindelijke wettekst bedient — en wat er na de lobby daadwerkelijk wet wordt.


Een consequente rechtse oplossing is daarom denkbaar: bescherm reële continuïteitsproblemen met lang, voorspelbaar uitstel en een zakelijke toets; geef geen vrijwel automatische belastingafslag waar ruim voldoende liquide vermogen aanwezig is. Dat bewaakt familiebedrijven én gelijke concurrentie. Conservatief rechts legt het accent op continuïteit; marktliberaal rechts op het voorkomen van privileges. De huidige BOR probeert beide te verenigen, maar doet dat kostbaar en complex.


Rechts is geen blok: van afschaffen tot hervormen

‘Het rechtse standpunt’ bestaat niet. In de Nederlandse politiek lopen ten minste drie lijnen door elkaar.


JA21 en FVD kiezen expliciet voor afschaffing vanuit eigendom, familie en een kleinere staat. VVD wil op termijn lagere tarieven en hogere vrijstellingen; BBB en SGP blokkeren vooral verhoging. CDA en PVV leggen in hun actuele programma geen algemeen tariefstandpunt vast. Daarnaast bestaat een kansenliberale stroming die erfbelasting juist verdedigbaar vindt als daardoor arbeid lichter kan worden belast.


Partij of positie

Hoofdlijn rond de verkiezingen van 2025 / in 2026

Kabinet D66–VVD–CDA en minister Heinen (VVD)

Het coalitieakkoord bevat geen algemene tariefwijziging; het kabinet verhoogt de erf- en schenkbelasting niet en behoudt BOR en doorschuifregeling. Heinen zei in juli 2026 dat het kabinet ‘niet gaat tornen’ aan de erfbelasting.

VVD

Geen hogere erf- en schenkbelasting; op langere termijn lagere tarieven en hogere vrijstellingen.

BBB

Erf- en schenkbelasting ‘zeker niet verhogen’; BOR behouden. Geen expliciet algemeen afschaffingsvoorstel.

JA21

Erf- en schenkbelasting volledig afschaffen als onderdeel van een kleiner en eenvoudiger belastingstelsel.

FVD

Erfbelasting afschaffen; schenkingen aan partners, kinderen en kleinkinderen vrijstellen.

PVV

Het programma van 2025 bevat geen algemeen standpunt over erf- of schenkbelasting. De PVV steunde in 2023 wel het amendement-Van Dijk/Erkens over de BOR; dat is geen bewijs voor actuele steun aan volledige afschaffing.

SGP

Niet verhogen en de aangifte voor nabestaanden vereenvoudigen; BOR behouden vanuit continuïteit en rentmeesterschap.

CDA

Geen algemeen tariefstandpunt; schenken aantrekkelijker maken dan erven zodat vermogen eerder bij jongeren komt; BOR handhaven met aandacht voor misbruik.


De tabel vat programmatische hoofdlijnen samen; stilte in een verkiezingsprogramma is geen actueel afschaffingsplan. De bronnen zijn onder meer het coalitieakkoord 2026–2030, het VVD-programma, het BBB-programma, het JA21-programma, de FVD-standpunten, het PVV-programma, het SGP-programma en het CDA-programma.


De liberale verrassing

Voorstanders van een hogere erfbelasting zijn niet uitsluitend links. De politieke filosoof Dick Timmer wees in Notariaat Magazine op Adam Smith en John Stuart Mill: vroege liberalen die privé-eigendom en markten verdedigden, maar grote geërfde vermogens kritisch bekeken. Hun redenering: erfgenamen ontlenen hun voorsprong niet aan eigen inspanning, en een heffing bij overdracht kan minder schadelijk zijn dan hoge belasting op werk of ondernemerschap.


Ook binnen de Nederlandse liberale traditie is die gedachte teruggekeerd. Roelof Salomons, Maartje Schulz en Ruben Oude Engberink betoogden in een studie in opdracht van de TeldersStichting dat een erfenis vanuit de ontvanger bezien inkomen zonder eigen inspanning is. Zij verkozen daarom belasting op zulke verkrijgingen boven belasting op arbeid en eigen prestaties. Dat is geen socialistische aanval op eigendom, maar een meritocratisch-liberaal argument: beloon wat iemand zelf opbouwt sterker dan wat iemand door geboorte krijgt.


Het conflict binnen rechts is daarmee zuiver. Eigendomsliberalisme beschermt de beschikkingsvrijheid van de gever. Kansenliberalisme kijkt naar de onverdiende voorsprong van de ontvanger. Conservatieven voegen toe dat familieverplichtingen niet tot individuele markttransacties mogen worden gereduceerd. Wie beweert dat liberalisme vanzelf tot afschaffing leidt, kent slechts de helft van zijn eigen traditie.


De sterkste argumenten vóór erfbelasting

Een rechts artikel wordt niet overtuigend door de tegenpartij zwak voor te stellen. De beste verdediging van erfbelasting rust op vier punten.


1. De ontvanger heeft het vermogen niet verdiend

Een kind dat € 500.000 erft, houdt in het simpele voorbeeld ruim € 421.000 over. De directe heffing bij ontvangst kan daarmee lager zijn dan over evenveel bruto arbeidsinkomen. Dat is geen volmaakte één-op-éénvergelijking: een erfenis is een vermogensvoorraad, terwijl ondernemingswinst bijvoorbeeld al vennootschaps- of box 2-belasting kan hebben geraakt. Als de overheid inkomsten nodig heeft, kan het niettemin economisch rationeler zijn een incidentele meevaller te belasten dan extra arbeidsuren.


Dat argument wordt sterker als de opbrengst aantoonbaar wordt gebruikt om belasting op arbeid te verlagen. Zonder zo’n koppeling hoort de burger vooral dat nóg een grondslag beschikbaar is. De rechtse scepsis richt zich daarom niet alleen op de heffing, maar op de geloofwaardigheid van de ruil.


2. Niet alle erfenis is ‘al belast’

Huizenprijsstijging, ongerealiseerde koerswinst en bepaalde ondernemingswinsten kunnen jarenlang licht of uitgesteld zijn belast. Notaris Guido van der Brug vertelde in hetzelfde KNB-artikel dat in zijn praktijk vaak meer dan de helft van een nalatenschap voortkomt uit woningwaardestijging. Dat is praktijkobservatie, geen landelijk gemiddelde, maar de nationale CBS-cijfers bevestigen dat woningen een zeer groot vermogensbestanddeel zijn.


3. Erfenissen beïnvloeden kansen

Ouderlijk vermogen kan mede bepalen wie een woning kan kopen, een studieschuld kan aflossen, risico kan nemen met een onderneming of eerder kan stoppen met werken. De OESO citeert uiteenlopende studies die ramen dat geërfd vermogen 30 tot 60 procent van het totale vermogen in westerse landen kan uitmaken. Een belasting met een ruime voet voor kleine erfenissen kan dynastische concentratie afremmen zonder iedere familieoverdracht zwaar te belasten.


Daar staat een belangrijk Nederlands datapunt tegenover. Het CPB concludeerde in onderzoek over 2007–2015 dat geregistreerde, aangifteplichtige erfenissen en schenkingen de relatief gemeten vermogensongelijkheid in die periode niet deden toenemen. Vermogen ging van oudere, rijkere huishoudens naar jongere, minder vermogende ontvangers en werd vaak over meerdere kinderen verdeeld. Dat resultaat zegt niets beslissends over grotere absolute vermogensverschillen, dynastieke persistentie of kansenongelijkheid. Ontvangers waren bovendien nog steeds relatief vermogender dan leeftijdsgenoten zonder erfenis. Het laat vooral zien dat ‘erfenissen vergroten altijd direct de Gini-coëfficiënt’ te simpel is.


4. De economische schade lijkt gemiddeld beperkt

De OESO-studie uit 2021 ziet een goede reden voor een verkrijgersbelasting met vrijstelling van kleine erfenissen. Het beschikbare empirische onderzoek, de OESO benadrukt dat dit beperkt is, wijst gemiddeld op kleinere negatieve spaareffecten dan bij jaarlijks geheven vermogensbelastingen. Enkele oudere buitenlandse estate-taxstudies schatten de elasticiteit van de belastbare nalatenschap ten opzichte van het netto-van-belastingpercentage grofweg op 0,1 à 0,2. Dat betekent: als het aandeel dat na belasting resteert relatief 1 procent daalt, hangt dat samen met ongeveer 0,1 tot 0,2 procent minder belastbare nalatenschap. Het gaat niet om één procentpunt extra tarief, en de studies kunnen werkelijk minder sparen niet goed scheiden van schenken, planning en ontwijking.


Een beperkt aantal buitenlandse studies vindt dat grote erfenissen het arbeidsaanbod van ontvangers verlagen en vervroegde pensionering bevorderen. Ook het migratiebewijs komt vooral uit verhuizingen tussen Amerikaanse staten en Zwitserse kantons, niet uit een rechtstreekse schatting van emigratie uit Nederland. Gemiddeld zijn de gevonden verhuiseffecten klein, maar bij miljardairs duidelijker. Het effect op familiebedrijven hangt sterk af van ontwerp en betalingsmogelijkheden.


Dat is ongemakkelijk voor een rechts betoog dat alleen op economische groei leunt. De zwaarste argumenten tegen erfbelasting zijn normatief — eigendom, familie en staatsbegrenzing, niet het bewijs dat ieder procent heffing onmiddellijk sparen, werken en bedrijven vernietigt.

Wat het nieuwe CPB-onderzoek wel en niet bewijst

Het CPB vroeg ongeveer 4.500 deelnemers welk tarief zij wenselijk vonden voor een erfenis van een ouder aan een kind van € 10.000, € 100.000 en € 1 miljoen. De mediane voorkeur liep op van 4 via 11 naar 25 procent. Ongeveer 12 procent koos voor nul. Bij de twee grotere bedragen koos meer dan de helft een tarief dat boven de huidige effectieve heffing lag. Het patroon was dus duidelijk progressief.


De uitkomst verdient serieus genomen te worden. Zij weerspreekt de vaak gehoorde politieke aanname dat vrijwel iedereen erfbelasting principieel wil afschaffen. Maar de rechtse kritiek op de krantenkop is terecht op drie punten.


Ten eerste waren de gegevens enkele jaren vóór publicatie verzameld. Ten tweede kregen deelnemers bij de vraag niet eerst de actuele vrijstellingen en tarieven uitgelegd. Een kind betaalt in 2026 over € 10.000 in werkelijkheid nul, niet 4 procent. Over € 100.000 is de effectieve heffing € 7.377, dus 7,4 procent, niet het nominale schijftarief zonder vrijstelling. Ten derde werd niet rechtstreeks gevraagd welk compleet beleidsvoorstel mensen steunen, inclusief opbrengst, gedragseffecten en bestemming van het geld, maar welk percentage zij bij drie bedragen redelijk vinden.


Dat maakt het onderzoek niet waardeloos. Het beperkt de conclusie. ‘Veel Nederlanders geven in een abstracte tariefvraag de voorkeur aan meer progressie’ is gedekt. ‘Een geïnformeerde meerderheid wil dat het kabinet nu de bestaande erfbelasting verhoogt’ gaat verder dan de enquête kan dragen. Het CPB merkte zelf op dat voorkeuren kunnen verschuiven met informatie. De sterkste rechtse repliek is daarom methodologisch, niet de beschuldiging dat onwelgevallige cijfers per definitie politiek zijn.


Nederland in internationaal perspectief

In de OESO-inventaris over 2020 hieven 24 van de 36 onderzochte lidstaten een erf- of estatebelasting. De meeste landen belasten de ontvanger; Denemarken, Zuid-Korea, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten heffen primair op de boedel. Tien OESO-landen hadden zo’n belasting sinds de vroege jaren zeventig afgeschaft, waaronder Australië, Oostenrijk, Canada, Noorwegen en Zweden; Estland en Letland hadden er geen ingevoerd. De OESO-brochure, gepubliceerd in 2021, toont dus geen internationale consensus voor één model.


De opbrengst is vrijwel overal bescheiden. In 2018 kwam gemiddeld ongeveer 0,36 procent van de totale belastingopbrengst over alle onderzochte OESO-landen uit erf-, boedel- en schenkbelasting; onder alleen de landen die zo'n heffing kenden was dat circa 0,51 procent.


Dat lage aandeel kan een politiek argument voor afschaffing zijn, omdat de opbrengst beperkt is tegenover complexiteit en maatschappelijke irritatie. Het bewijst op zichzelf niet dat de inningskosten uitzonderlijk hoog zijn. Het kan ook een argument voor hervorming zijn: ruime uitzonderingen en planning hebben de grondslag in veel landen smal gemaakt.


Een recentere, voorlopige vergelijking op basis van OECD Revenue Statistics zet de opbrengst uit de brede OESO-categorie 4300, erf-, boedel- én schenkbelasting, in 2024 op 0,79 procent van alle belastinginkomsten in Nederland. België zat op 1,45 procent, Frankrijk op 1,69, het Verenigd Koninkrijk op 0,83, Duitsland op 0,61 en Italië op 0,11 procent.


Definities, vrijstellingen en andere belastingen verschillen, zodat dit geen tariefvergelijking is. Het verschil met de eerder genoemde 0,93 procent komt onder meer doordat dat een Nederlandse begrotingsraming voor 2026 is en deze vergelijking voorlopige realisaties over 2024 gebruikt. Het overzicht staat in een ifo/WIFO-studie uit 2026.


Rechts wijst graag naar Zweden en Noorwegen, links naar landen met hoge toptarieven. Beide vormen van landenwinkelen zijn zwak. Een erfbelasting kan niet los worden gezien van vermogenswinstbelasting, woningbelasting, pensioenstelsel, schenkbelasting en de totale belastingdruk. Een land zonder erfbelasting kan vermogen op andere momenten zwaarder belasten. De relevante vraag is niet wie een losse kolom op nul heeft gezet, maar welk totaalstelsel eigendom, groei, kansen en uitvoerbaarheid het beste verenigt.


Een rechtse hervormingsagenda die de feiten overleeft

Volledige afschaffing is principieel helder: de staat respecteert de laatste bestemming van netto privévermogen. Zij heeft in statische termen een miljardenorde en bevoordeelt in euro’s vooral grote nalatenschappen; de werkelijke structurele derving hangt ook af van gedrag en andere belastingen. Een algemene verhoging is fiscaal gemakkelijk te verdedigen, maar raakt ook gewone familievermogens, vergroot de planningsprikkel en negeert het bijzondere karakter van een overdracht bij overlijden.


Tussen die twee uitersten ligt een agenda die vanuit rechts verdedigbaar én feitelijk robuust is.

1. Laat kleine en gewone familie-erfenissen ruimer met rust

Verhoog de kindvrijstelling substantieel en indexeer haar transparant. Een grens van bijvoorbeeld € 100.000 per kind zou de meeste doorsnee verkrijgingen buiten de heffing brengen en het middenklassebezwaar serieus nemen. Daar hoort een dekkingsberekening bij; dit artikel presenteert het bedrag als politieke richting, niet als doorgerekend gratis voorstel.


2. Bescherm de langstlevende tegen belasting zonder liquide middelen

Behoud de ruime partnervrijstelling en maak uitstel bij een hoofdzakelijk in de eigen woning vastzittende nalatenschap eenvoudig, langlopend en voorspelbaar. Overweeg voor het eerste overlijden uitstel tot verkoop of tweede overlijden, met waarborgen tegen constructies. Dat is gerichter dan iedereen vrijstellen en menselijker dan financiering afdwingen tijdens rouw.


3. Erken gekozen verbondenheid

Geef een alleenstaande de mogelijkheid één ‘aangewezen naaste’ een hogere vrijstelling toe te kennen, zoals notaris Guido van der Brug opperde. Een rechts stelsel dat persoonlijke verantwoordelijkheid verdedigt, hoeft verbondenheid niet uitsluitend aan huwelijk of bloedlijn te koppelen. Dit verlaagt ook het buitensporige verschil tussen een kind en een levenslange vriend.


4. Vervang privilege door liquiditeitsbescherming bij echte bedrijven

Behoud krachtige bescherming waar een aanslag aantoonbaar ondernemingscontinuïteit bedreigt, maar toets vrije middelen beter. Lang uitstel, gekoppeld aan voortzetting en zakelijke rente of een gerichte rentekorting, kan vaak doelmatiger zijn dan brede afstelvrijstelling. Behandel actieve ondernemingen anders dan beleggingsvermogen en voorkom dat estate planning van zeer grote vermogens wordt vermomd als bedrijfsopvolging.


5. Maak schenken en erven één coherent systeem

Een erfbelasting zonder schenkbelasting is eenvoudig te ontwijken door eerder over te dragen. Werk daarom met samenhangende regels, eventueel een ruime levenslange ontvangervrijstelling in plaats van een woud aan jaarlijkse en eenmalige uitzonderingen. De burger moet vooraf kunnen begrijpen wat een overdracht kost, zonder een handleiding voor elk kalenderjaar.


6. Koppel eventuele opbrengst zichtbaar aan lagere belasting op arbeid

Als de heffing blijft, is het sterkste liberaal-rechtse compromis een expliciete verschuiving: minder belasting op zelf verdiend inkomen, meer concentratie van erfbelasting op zeer grote, liquide verkrijgingen. Zonder afdwingbare koppeling dreigt ‘belastingmix’ slechts een nette naam voor een hogere totale last te worden.


7. Wees eerlijk over afschaffing

Wie nul procent wil, moet ook nul mist verkopen. De Voorjaarsnota 2026 raamt de bruto kasontvangst uit schenk- en erfbelasting samen op € 4,239 miljard. Dat is een statische orde van grootte, geen berekende structurele netto derving, maar wel een bedrag waarvoor een serieus afschaffingsplan besparingen, fasering en gevolgen moet noemen. Juist wie zegt op te komen voor volgende generaties, kan de rekening niet via staatsschuld doorschuiven.

 
 

Net binnen..

Meld je aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief!

Bedankt voor het abonneren!

Copyright © 2026 •

Alle rechten voorbehouden - Amsterdam - 0619930051

Disclaimer
Let op: Beleggen brengt risico's met zich mee. Je kan (een deel van) je inleg verliezen. Niets hier mag worden beschouwd als financieel advies.. Voor advies over je persoonlijke situatie kun je het beste een adviseur inschakelen.

  • Instagram
  • Twitter
  • LinkedIn
  • YouTube
bottom of page