Niet alleen de kleine spaarder betaalt voor box 3
In het kort
Kleine spaarders dreigen mee te betalen aan het belastinguitstel voor aandelenbeleggers, maar zij dragen de rekening niet alleen. Ook bestaande beleggers en ondernemers met schulden aan hun eigen bv krijgen in het kabinetsvoorstel een hogere of eerdere aanslag. Bovendien resteert volgens de officiële ramingen tot en met 2040 per saldo ongeveer €7,7 miljard aan verslechtering van het begrotingssaldo. Minister Heinen beloofde op 1 oktober kleine spaarders alsnog te ontzien, waardoor de verdeling van de rekening opnieuw openligt.
€50.000 op een spaarrekening kan een buffer voor werkloosheid zijn, geld voor een verbouwing of een aanbetaling voor een huis. Hetzelfde bedrag in aandelen kan bedoeld zijn om twintig jaar te laten groeien. Onder de voorgestelde box 3-regels maakt dat verschil in bestemming fiscaal weinig uit. Het verschil in de manier waarop het rendement binnenkomt, maakt juist veel uit.
Wie jaarlijks rente ontvangt, rekent daarover jaarlijks af zodra het belastbare resultaat boven de vrijstelling komt. Wie aandelen vasthoudt, zou de belasting op de koerswinst kunnen uitstellen tot verkoop. Dat verklaart de boosheid over de financiering. Maar om te begrijpen wie werkelijk betaalt, moeten we verder kijken dan de kleine spaarder. Ook de tijdlijn van de schatkist vertelt een belangrijk deel van het verhaal.
De spaarder betaalt mee aan een voordeel dat hij zelf nauwelijks krijgt
Het kabinet wil de waardestijging van aandelen en andere financiële instrumenten vanaf 2028 bij verkoop belasten. Dat voorkomt dat een belegger moet afrekenen over koerswinst die nog niet op zijn rekening staat. Zo'n belastinguitstel heeft waarde: geld dat nog niet naar de fiscus gaat, kan voorlopig blijven renderen.
Een gewone spaarrekening heeft die uitstelmogelijkheid niet. De bank keert rente uit en daarmee is het inkomen in beginsel beschikbaar. De politieke ruil is daardoor scheef voor iemand die alleen spaart: hij kan een kleinere vrijstelling krijgen, terwijl de grote verandering in het heffingsmoment vooral elders terechtkomt.
Martin Visser verwoordde die kritiek bij EenVandaag: “De rekening wordt nu gelegd bij kleinere spaarders en beleggers.” Het programma noemt mogelijk 850.000 extra belastingbetalers. Dat is een verwachting bij de gepresenteerde plannen, geen vaststaand aantal onder een definitieve wet.
Toch is belastinguitstel niet uitsluitend een voordeel voor miljonairs. Ook iemand die maandelijks een klein bedrag in aandelen belegt en jarenlang niet verkoopt, kan ervan profiteren. De doorslaggevende scheidslijn loopt tussen mensen die hun rendement kunnen laten zitten en mensen bij wie het jaarlijks wordt uitgekeerd. Grote vermogens bieden doorgaans meer ruimte om een verkoop uit te stellen. Wie zijn beleggingen nodig heeft om van te leven, heeft die vrijheid veel minder.
Minder vrijstelling raakt ook een gewone financiële buffer
Bij de discussie lopen twee heel verschillende vrijstellingen door elkaar. In 2026 geldt volgens de Belastingdienst een heffingsvrij vermogen van €59.357 per persoon. Het huidige stelsel werkt met forfaitaire rendementen, met de mogelijkheid een lager werkelijk rendement aan te tonen. De grens heeft betrekking op vermogen, niet op de ontvangen rente.
Vanaf 2028 zou de vrijstelling juist over het jaarlijkse resultaat gaan. Het voorstel van 29 september verlaagt die van de eerder beoogde €1.800 naar €1.000 per persoon. Dat betekent niet dat je nog maar €1.000 spaargeld belastingvrij mag hebben. Bij 2 procent rente levert €50.000 spaargeld precies €1.000 op. In een eenvoudig geval zonder ander box 3-inkomen volgt dan geen belasting.
Bij 3 procent rente op dezelfde €50.000 ontstaat €1.500 inkomen. Na €1.000 vrijstelling resteert €500, waarover bij een tarief van 36 procent €180 belasting volgt. Iemand zonder fiscale partner, schulden of andere bezittingen zit met die €50.000 in 2026 nog onder de vermogensvrijstelling. Onder dit voorstel kan dezelfde buffer dus wel belast worden.
Een hogere rente is daarbij nog steeds gunstig. Van iedere extra euro rente boven de vrijstelling blijft in dit eenvoudige voorbeeld 64 cent over. Het probleem is dat het kabinet de bescherming van de buffer verkleint, niet dat een betere spaarrente je automatisch armer maakt.
Een half miljard van een bredere groep
De verlaging van €1.800 naar €1.000 vrijgesteld resultaat kost een belastingplichtige met voldoende positief resultaat maximaal €288 per jaar extra ten opzichte van die eerder beoogde vrijstelling. De rekensom is €800 maal 36 procent. Bij €1.500 resultaat bedraagt het verschil €180; bij €1.000 resultaat nul.
Die €288 is dus niet de maximale verandering ten opzichte van het huidige box 3-stelsel. Daarvoor veranderen te veel andere onderdelen. Het is alleen het afzonderlijke effect van deze verlaging van de vrijstelling, bij gelijk resultaat en tarief. Dat onderscheid voorkomt dat een ogenschijnlijk overzichtelijk bedrag als volledige koopkrachtberekening wordt gepresenteerd.
Ook mensen met grote vermogens verliezen door deze maatregel een deel van hun vrijstelling. De opbrengst komt daarom niet uitsluitend bij nieuw belaste kleine spaarders vandaan. Voor iemand met €1.500 rendement is €180 wel een veel groter deel van het inkomen uit vermogen dan €288 voor iemand met €50.000 rendement. In die relatieve last zit een belangrijk deel van het rechtvaardigheidsdebat.
De officiële begrotingstabel raamt de structurele opbrengst van de lagere resultaatvrijstelling op €540 miljoen per jaar. Dat is een gezamenlijke opbrengst over de getroffen groep. Het zou onjuist zijn om die hele som aan de mogelijk 850.000 nieuwe belastingbetalers toe te schrijven.
Zelfs een beperkte heffing werkt door in de spaarpot
Voor een huishouden telt uiteindelijk wat er overblijft. Begin met €50.000, laat alle rente op de rekening staan en betaal de belasting uit diezelfde spaarpot. Bij drie jaar lang 1 procent rente blijft het jaarlijkse inkomen in dit voorbeeld onder de vrijstelling. Bij 3 procent loopt de totale belasting over drie jaar op tot ongeveer €583.
De visual laat drie rentegevallen naast elkaar zien. Het zijn rekenscenario's met een onveranderde vrijstelling van €1.000 en een tarief van 36 procent, geen rentevoorspellingen of definitief vastgestelde belastingbedragen. Er zijn geen extra stortingen, opnames, andere inkomsten of fiscale partner. Inflatie is buiten beschouwing gelaten: het gaat om euro's op de rekening.
Opvallend is het middenscenario. Bij 2 procent rente blijft de eerste €1.000 rente onbelast. Door die rente opnieuw te sparen groeit het saldo, waardoor de rente in de volgende jaren wel iets boven de grens komt. Zonder een extra storting kan iemand dus alsnog belasting gaan betalen. Dat is precies waarom een vrijstelling op inkomen anders uitwerkt dan een vaste vrijstelling voor de spaarpot.
Bestaande beleggers betalen eerder en bv-eigenaren betalen anders
De Kamerbrief van 29 september bevat ook maatregelen voor 2027, dus vóór het beoogde belastinguitstel. Het heffingsvrije vermogen zou dalen naar €30.846 per persoon en het forfait voor overige bezittingen met 1,5 procentpunt stijgen. Dat raakt bestaande beleggers eveneens. De uiteindelijke aanslag hangt onder meer af van de vermogensmix en de tegenbewijsregeling.
Daarnaast wil het kabinet de grens voor excessief lenen bij de eigen bv in vijf stappen verlagen van €500.000 naar €100.000. Kwalificerende eigenwoningschulden zijn uitgezonderd. De huidige regeling van de Belastingdienst maakt duidelijk wat zo'n grens doet: bovenmatige schulden worden voor box 2 als inkomen behandeld. Het is geen algemeen verbod op een grotere lening en een lening onder de grens is niet automatisch belastingvrij geld.
Tegelijk zou het hoge box 2-tarief tussen 2027 en 2030 van 31 naar 29,2 procent gaan. Daarmee wil het kabinet winstuitkeringen naar voren halen. Een ondernemer kan dus worden geraakt door de strengere leenregels en tegelijk profiteren van een lager tarief op dividend. De aandeelhouder betaalt die box 2-belasting; het gaat niet om een verlaging van de vennootschapsbelasting van het bedrijf.
De rekening na deze kabinetsperiode is groter dan hij lijkt
Hier wordt de discussie over verdeling ook een discussie over tijd. Naar aanleiding van vragen van Kamerlid Luc Stultiens publiceerde het kabinet op 30 september een tabel tot en met 2040. Daaruit blijkt dat de dekking niet in ieder jaar sluit. De onderstaande visual telt de jaarlijkse effecten van het hele pakket op.
Over 2026 tot en met 2031 is er per saldo ongeveer €136 miljoen verbetering van het begrotingssaldo. Tel je door tot en met 2040, dan draait dat om naar ongeveer €7,7 miljard verslechtering. Dit is een eigen optelling van de gepubliceerde, afgeronde jaarbedragen. Het gaat om het verschil met het begrotingsbasispad op EMU-basis, inclusief de voorgestelde dekkingsmaatregelen. Het is geen bedrag dat in 2040 ineens moet worden betaald.
In zijn antwoord van 1 oktober verdedigt Heinen de presentatie. Het kabinet heeft bewust een pakket gekozen dat over de kabinetsperiode sluit en structureel meer oplevert dan nodig is. Structureel gaat het om €454 miljoen jaarlijkse overdekking. Dat uiteindelijke jaarlijkse saldo wist de tekorten in de tussenliggende jaren niet meteen uit.
De tijdelijke korting in box 2 illustreert waarom dat tijdverschil ertoe doet. Als een ondernemer eerder dividend uitkeert om het lagere tarief te benutten, ontvangt de overheid nu belasting die anders mogelijk later was betaald. De extra inkomsten in de eerste jaren zijn dus niet automatisch een blijvende inkomstenbron. Een gunstige opbrengst op korte termijn kan samengaan met lagere ontvangsten daarna.
Voor burgers betekent dit dat een sluitende rekening gedurende één kabinetsperiode niet hetzelfde is als een volledig gefinancierde overgang. Hoe latere kabinetten met die tussenliggende tekorten omgaan, staat nog niet vast. Dat kan gevolgen hebben voor toekomstige belastingen, uitgaven of schuld. Wie nu zegt dat uitsluitend de kleine spaarder betaalt, laat die toekomstige keuzes buiten beeld.
Heinen belooft verlichting maar de rekening verdwijnt niet
De politieke stand is sinds het aangeleverde EenVandaag-artikel veranderd. Heinen zei donderdag 1 oktober: “We zijn tot aanpassingen bereid. Er komt een voorstel om kleine spaarders te ontzien.” Die toezegging is terug te lezen in het verslag van PropertyNL. Een nieuwe uitgewerkte ondergrens en vervangende financiering waren daarbij nog niet bekend.
Daarmee is de kritiek op de eerste verdeling terecht onderdeel van het politieke debat geworden. Het is alleen te vroeg om te schrijven dat de spaarder definitief is gered, of dat alle genoemde bedragen vaststaan. Een hogere vrijstelling beschermt meer mensen, maar vermindert de geraamde opbrengst. Voor dat verschil zal een nieuwe keuze nodig zijn.
Voor aandelenbeleggers blijft belastinguitstel bovendien iets anders dan belastingvrijdom. Rente en uitgekeerd dividend blijven een andere inkomstenstroom dan onverkochte koerswinst. De toelichting op het wetsvoorstel beschrijft ook het risico dat beleggers winstgevende posities te lang vasthouden om een aanslag uit te stellen. Een fiscaal voordeel kan dan botsen met een verstandige spreiding.
Wie werkelijk betaalt, hangt dus af van de vrijstelling, het soort rendement, leningen bij de eigen bv en het jaar waarin de rekening wordt bekeken. Juist die combinatie verdient aandacht bij het volgende voorstel. Zodra de regels definitief zijn, leggen we bij De Belegger uit wat ze praktisch betekenen, met concrete tips en voorbeelden voor spaarders en beleggers.
Foto: Eelco Heinen, Martijn Beekman / Rijksoverheid.

































































































































Opmerkingen