De volgfout kost de iShares S&P 500-ETF ook rendement
In het kort
CSPX noteerde op 28 september rond €729 op Euronext Amsterdam. De accumulerende Ierse ETF met ISIN IE00B5BMR087 volgt de S&P 500 en rekent 0,07% lopende kosten, maar de uiteindelijke volgfout is breder dan dat ene getal. Dividendbelasting in het fonds, handelskosten, kas en opbrengsten uit securities lending kunnen het verschil met de index vergroten of verkleinen. Bij de huidige waardering is ongeveer 7% jaarlijkse onderliggende winstgroei nodig om, bij een stabiele waardering en valuta, richting 8% totaalrendement te gaan.
Een goedkope ETF voelt bijna als een natuurkundige kopie van de index. In werkelijkheid zit er een fonds tussen de belegger en de 500 ondernemingen. Dat fonds ontvangt dividenden, betaalt belasting en kosten, handelt bij indexwijzigingen en kan effecten uitlenen. Het resultaat heet tracking difference: het gemeten verschil tussen fondsrendement en indexrendement.
BlackRock rapporteerde voor 2025 een totaalrendement van 17,6% voor CSPX tegenover 17,4% voor de benchmark. Dat is geen garantie dat de ETF ieder jaar boven de index uitkomt. Het laat wel zien dat de lopende kosten niet één op één hetzelfde zijn als de gerealiseerde volgfout. Opbrengsten uit effectenuitlening en de precieze indexdefinitie kunnen een deel compenseren.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De 0,07 procent kosten vertelt niet het hele verhaal
De shareclass is USD accumulating. Accumulerend betekent dat ontvangen dividend in het fonds wordt herbelegd. Het betekent niet dat dividendbelasting verdwijnt. De Ierse fondsstructuur kan op Amerikaanse dividenden belasting dragen voordat het resterende bedrag wordt herbelegd. Daarbovenop komen kleine handelsposten en kasverschillen.
Kies hieronder een kostenlaag. De module toont hoe €100.000 na tien jaar groeit bij hetzelfde brutorendement, maar met verschillende jaarlijkse lekken. Het verschil lijkt in één jaar klein en wordt door samengestelde groei steeds zichtbaarder.
Het sterke tegenargument is dat enkele basispunten nauwelijks uitmaken wanneer de S&P 500 jarenlang dubbelcijferig stijgt. Dat klopt voor één goed jaar. Het wordt minder vanzelfsprekend na een zwakke periode, want kosten lopen door terwijl rendement kan tegenvallen.
Acht procent rendement vraagt bijna zeven procent winstgroei
Een ETF heeft geen eigen bedrijfswinst. De waarde komt uit de winsten en dividenden van de onderliggende ondernemingen, gecorrigeerd voor waardering, kosten en valuta. De omgekeerde som hieronder houdt de koers-winstverhouding constant. Bij een dividendrendement van 1,2% en 0,07% fondsvergoeding moet de winst per aandeel van de index ongeveer 6,87% per jaar groeien om 8% totaalrendement te halen.
De koersscenario’s combineren winst, waardering en eurodollar
De Amsterdamse koers wordt in euro’s verhandeld, maar de onderliggende aandelen en de intrinsieke waarde zijn hoofdzakelijk in dollars. CSPX is niet valuta-afgedekt. Een sterkere euro kan dus een deel van de winstgroei in dollars wegdrukken; een zwakkere euro doet het omgekeerde.
De drie scenario’s modelleren de koers van de accumulerende shareclass. Dividend wordt herbelegd en zit daardoor in de koersontwikkeling van het fonds. Het model gebruikt afgeronde uitkomsten vanaf €729 en toont koersrendement, niet een losse dividenduitkering.
Dit is geen koersdoel. De uitkomsten laten zien dat een brede ETF nog steeds gevoelig is voor waardering en valuta. Spreiding verlaagt het ondernemingsrisico, niet het risico dat de hele markt duurder of goedkoper wordt.
Valuta en volgfout kunnen een goed dollarjaar afzwakken
De laatste module combineert twee stille krachten: de dollarbeweging tegenover de euro en de jaarlijkse volgfout. De gekozen Amerikaanse opbrengst wordt vertaald naar euro’s en daarna gecorrigeerd voor de tracking difference. Dit is precies waarom het rendement van een Nederlandse belegger kan afwijken van de headline over de S&P 500.
CSPX blijft een bijzonder efficiënte manier om de S&P 500 te bezitten. Het aandeel is echter niet hetzelfde als de index op televisie. De fondsstructuur, het dividendlek, de eurodollar en de waardering van de 500 ondernemingen bepalen samen wat er op de rekening verschijnt. Bij ongeveer €729 is de ETF logisch voor wie circa 7% winstgroei en een stabiele waardering aannemelijk vindt. Wie een sterkere euro of krimpende multiple verwacht, moet rekening houden met een veel vlakker driejaarsbeeld.
Het echte verschil zit tussen indexrendement en beleggersrendement
Een lage beheervergoeding is slechts het zichtbare deel van de kosten. De fondsbeheerder ontvangt dividenden, betaalt bronbelasting, houdt tijdelijk kas aan en voert indexwijzigingen uit. Securities lending kan een deel van die frictie terugverdienen. De tracking difference, het gerealiseerde rendementsverschil met de index, vangt al deze effecten samen. Voor CSPX is dat nuttiger dan alleen naar de 0,07% lopende kosten te kijken, omdat een goedkoop fonds alsnog iets meer of minder kan achterblijven dan de brochure suggereert.
De keuze voor een accumulerende shareclass verandert de economische bron van het rendement niet. Dividenden worden binnen het fonds herbelegd in plaats van uitgekeerd. Daardoor groeit de intrinsieke waarde sneller, maar de onderliggende Amerikaanse bronbelasting verdwijnt niet. Nederlandse beleggers moeten bovendien hun eigen fiscale positie apart beoordelen. Het woord accumulerend zegt dus iets over de kasstroom naar de belegger, niet over een belastingvrije opbouw van vermogen.
Valuta verdient dezelfde nuchterheid. CSPX wordt op Euronext Amsterdam in euro verhandeld, terwijl vrijwel alle ondernemingen hun marktwaarde in dollars hebben. De eurokoers op het scherm neemt het dollarrisico niet weg. Een sterkere euro kan het rendement voor een eurobelegger drukken, zelfs wanneer de S&P 500 in dollars stijgt. Omgekeerd geeft een zwakkere euro rugwind. De noteringsvaluta bepaalt vooral hoe de transactie wordt afgerekend, niet welke economische blootstelling in de portefeuille zit.
Ook liquiditeit is breder dan het handelsvolume van één beurslijn. Een market maker kan stukken creëren of innemen tegen de onderliggende aandelenmand. Daardoor hangt een normale bied-laatspread vooral samen met de liquiditeit van de S&P 500, de openingstijden van de Amerikaanse markt en de omvang van de order. Rond de Europese ochtend zijn veel Amerikaanse aandelen nog dicht. Dan kan de spread iets meer onzekerheid bevatten dan tijdens de overlappende handelsuren.
Het tegenargument tegen deze kostenfocus is terecht dat een verschil van enkele basispunten klein is naast de waardering van de index. De grootste uitkomst blijft afhangen van winstgroei en de multiple van Amerikaanse megacaps. Toch zijn tracking, valuta en spread de onderdelen die de fondsbeheerder en belegger rechtstreeks kunnen beïnvloeden. Bij een lange horizon stapelen kleine jaarlijkse verschillen zich op, terwijl een onnodig dure uitvoering direct en definitief is.
Foto: Larry Fink, voorzitter en CEO van BlackRock. Bron quien-es.net, geraadpleegd op 29 september 2026. De oorspronkelijke beeldcredit staat niet bij de bron vermeld.








































































































































Opmerkingen