top of page

Vergeet de fondskosten en kijk bij iShares naar het indexverschil

50 minuten geleden
5 minuten om te lezen

In het kort

CSPX volgt de S&P 500, is in Ierland gevestigd, accumuleert dividend en rekent 0,07% lopende kosten per jaar. Het werkelijke verschil met de index hangt ook af van dividendbelasting, cash, transacties, herbalancering en effectenuitlening. Het fonds beheerde op 30 september ongeveer $154,5 miljard en is daardoor groot en liquide. Voor een belegger in euro's kan de dollarbeweging in één jaar veel zwaarder wegen dan de fondskosten.


Een ETF met 0,07% kosten lijkt bijna gratis. Bij een belegging van €10.000 gaat het om zeven euro per jaar. Toch vertelt de TER, de officiële jaarlijkse kostenratio, niet precies hoeveel rendement de belegger misloopt ten opzichte van de S&P 500. Dat verschil heet tracking difference. Daarin zitten ook belasting op dividenden, tijdelijk cash, handelskosten en een kleine opbrengst uit effectenuitlening.


De iShares Core S&P 500 UCITS ETF USD (Acc), met ticker CSPX en ISIN IE00B5BMR087, noteerde op 2 oktober om 09:54 CEST op Euronext Amsterdam op €737,59. De koers was vertraagd. De shareclass is accumulerend: ontvangen dividend blijft in het fonds en wordt herbelegd. Dat maakt het rendement overzichtelijk, maar verandert niets aan de fiscale en operationele frictie binnen het fonds.


Foto: Larry Fink, voorzitter en CEO van BlackRock. Credit: Bloomberg, archief De Belegger.



De TER is een etiket, tracking difference is de rekening

Op de officiële iShares-productpagina stond per 30 september een nettofondsvermogen van $154,477 miljard. BlackRock vermeldt een TER van 0,07%, een Ierse vestigingsplaats en een kwartaalgewijze herbalancering. Die schaal helpt omdat vaste kosten over veel vermogen worden verdeeld en handel in de grootste Amerikaanse aandelen doorgaans goedkoop is.


Toch begint de werkelijke rendementsbrug pas na de TER. De S&P 500 is een Amerikaanse index. Het fonds ontvangt dividenden waarop belasting kan worden ingehouden. Daarnaast houdt een indexfonds soms een klein bedrag cash aan en koopt of verkoopt het bij instroom, uitstroom en indexwijzigingen. Die posten kunnen het rendement iets verlagen.


Effectenuitlening werkt de andere kant op. Het fonds kan aandelen tijdelijk uitlenen tegen een vergoeding en ontvangt onderpand. iShares meldde voor de meest recente twaalf maanden 0,00% opbrengst uit effectenuitlening, een gemiddelde uitgeleende positie van 2,59%, een maximum van 4,26% en gemiddeld 109,49% onderpand. De opbrengst was dus in die periode praktisch nihil, terwijl er wel tegenpartijrisico bestaat. Dat risico wordt door onderpand beperkt, maar verdwijnt niet volledig.



In het interactieve rekenvoorbeeld levert een bruto indexrendement van 8%, min 0,07% TER en 0,18% overige frictie, plus 0,01% uitleenopbrengst een fondsrendement van 7,76% op. De tracking difference is dan 0,24 procentpunt. Dit is een eigen aanname, geen gemeten uitkomst voor een specifieke verslagperiode.


Valuta kan de kosten volledig overschaduwen

CSPX bezit Amerikaanse aandelen waarvan de resultaten en beurskoersen vooral in dollars luiden. De Amsterdamse notering in euro verandert de economische blootstelling niet. Wordt de euro sterker tegenover de dollar, dan daalt het omgerekende rendement. Een zwakkere euro werkt juist mee.



Bij 8% rendement van de S&P 500 in dollars en een euro die 3% sterker wordt, blijft in het vereenvoudigde model ongeveer 4,85% over in euro's. Dat verschil is vele malen groter dan de TER. De formule is: één plus het dollarrendement, gedeeld door één plus de stijging van de euro, min één.


Dit is geen argument tegen CSPX. Valutarisico hoort bij een wereldwijde belegging. Het laat wel zien waarom fondskosten nooit los van de onderliggende portefeuille en de valuta mogen worden beoordeeld. Een afgedekte shareclass kan de beweging dempen, maar rekent daarvoor kosten en levert bij een zwakkere euro juist minder voordeel op.


Een eenvoudige portefeuille met een complexe onderlaag

Het verdienmodel van de ETF is simpel. BlackRock ontvangt een kleine vergoeding over een enorme vermogensbasis. De belegger krijgt daar automatische spreiding over vijfhonderd grote Amerikaanse ondernemingen, indexonderhoud, bewaring en administratie voor terug.


De concurrentie is stevig. Vanguard, State Street, Invesco en andere aanbieders verkopen vergelijkbare S&P 500-fondsen. Daardoor blijven kosten laag. Voor de belegger zit het onderscheid in structuur, beursnotering, spread, fondsvermogen, fiscale behandeling en tracking difference. Een ETF met een iets lagere TER kan uiteindelijk slechter volgen als andere fricties hoger zijn.


Een sterk tegenargument is dat deze verschillen voor een langetermijnbelegger klein blijven. Dat klopt zolang de tracking difference stabiel en beperkt is. Belangrijker zijn dan de waardering van de onderliggende ondernemingen en het rendement van de S&P 500 zelf. De lage TER van CSPX is juist aantrekkelijk omdat er weinig permanent rendement weglekt.


Wat moet de S&P 500 waarmaken?

Een reverse valuation voor een ETF kijkt door het fonds heen naar de winsten van de portefeuille. Neem als vereenvoudigde startwaarde een koers van €737,59 en een onderliggende koers-winstverhouding van 27. De winstproxy bedraagt dan €27,32 per participatie. Verlangt een belegger 8% rendement per jaar en daalt de eindmultiple in 2029 naar 23, dan moet de winstproxy stijgen naar ongeveer €40,42. Dat vraagt circa 14% winstgroei per jaar.



Dit is geen officiële waardering van iShares en ook geen consensus. Het is een eigen gevoeligheidsanalyse. De werkelijke portefeuillewinst verandert door indexwissels, inkoop van eigen aandelen, sectorgewichten en valuta. De module maakt vooral zichtbaar dat een lagere eindmultiple alleen kan worden opgevangen door hogere winstgroei.


Voor de koerspaden gebruiken we 2 oktober 2026 als peildatum en euro's als valuta. De formule vermenigvuldigt de basiskoers met een operationele factor voor winstgroei en een waarderingsfactor voor de multiple. Omdat CSPX accumuleert, wordt dividend niet nogmaals als losse uitkering bij de koers opgeteld. Koersrendement en totaalrendement vallen voor deze shareclass daardoor grotendeels samen, afgezien van frictie.



In het bear-scenario vertragen de winsten, daalt de waardering en wordt de euro sterker. De mogelijke koersen zijn €650 eind 2027, €610 eind 2028 en €590 eind 2029. In het middenpad compenseert winstgroei een wat lagere multiple en loopt de koers naar €790, €850 en €920. In het gunstige pad blijven de dollar en brede winstgroei behulpzaam: €860, €980 en €1.120.



De goedkoopste regel is niet altijd de beste vergelijking

CSPX is groot, goedkoop en operationeel degelijk. Voor veel beleggers zijn dat sterke eigenschappen. De belangrijkste controle is alleen niet of 0,07% lager is dan 0,09%. Kijk naar de meerjarige tracking difference, de handelskosten op de gekozen beurs, de valutablootstelling en de fiscale situatie.


De waardering van Amerikaanse ondernemingen bepaalt uiteindelijk het grootste deel van het rendement. De TER is een zekere kostenpost. Groei en multiple zijn onzeker. Juist daarom is CSPX geen spaarproduct met een voorspelbare opbrengst, maar een efficiënte verpakking van aandelenrisico.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page