Honderd bedrijven in de Nasdaq-tracker beschermen je niet
In het kort
QQQ daalt op 14 oktober ruim twee procent tijdens de verkoopgolf in technologie en AI. Het fonds bevat veel bedrijven, maar die delen belangrijke gevoeligheden voor rente, hoge groeiverwachtingen en investeringen in digitale infrastructuur. Spreiding over namen beschermt daardoor niet volledig tegen een gezamenlijke economische schok. Voor beleggers gaat het om de combinatie van winstgroei, waardering en de overlap met andere posities in hun portefeuille.
Rond 20.56 uur Nederlandse tijd noteerde Invesco QQQ 728,23 dollar, een daling van 2,06 procent tegenover de vorige slotkoers. Het is een intradaystand. QQQ is geen individueel aandeel, maar een beursgenoteerd fonds dat de Nasdaq-100 volgt. Het koersverlies weerspiegelt daardoor vooral de gezamenlijke beweging van de onderliggende effecten.
Dat maakt de daling kleiner dan bij sommige afzonderlijke AI-aandelen, maar niet onbelangrijk. Een belegger kan denken via een ETF voldoende afstand te hebben genomen van het risico van één onderneming. Dat klopt voor een deel. Wie echter dezelfde economische blootstelling via meerdere grote posities in het mandje terugkrijgt, blijft kwetsbaar voor een verandering in de prijs van toekomstige groei.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De Nasdaq honderd is niet de hele Amerikaanse beurs
Volgens Invesco volgt QQQ de Nasdaq-100, een index van honderd grote niet-financiële ondernemingen die op Nasdaq zijn genoteerd. Dat is iets anders dan de Nasdaq Composite en ook iets anders dan een doorsnede van alle Amerikaanse bedrijven. De keuze van beurs en uitsluiting van financiële ondernemingen geven het fonds een specifieke samenstelling.
De indexmethodiek van Nasdaq gebruikt een aangepaste weging naar beurswaarde. Grote bedrijven wegen daardoor zwaarder, met regels die extreme concentratie begrenzen. Honderd ondernemingen betekent dus niet dat iedere onderneming precies één procent van het fonds bepaalt. Een beweging in enkele grote posities kan zwaarder wegen dan kleinere tegengestelde bewegingen in tientallen andere namen.
Een eigen voorbeeld maakt dat concreet. Stel dat een groep aandelen veertig procent van een fonds vormt en vijf procent daalt, terwijl de rest gelijk blijft. Dan kost alleen die groep het fonds ongeveer twee procent: veertig procent maal min vijf procent. Dit is geen berekening van de werkelijke bijdrage op 14 oktober, maar laat zien waarom het aantal namen weinig zegt zonder hun gewichten te kennen.
Spreiding werkt dus op verschillende niveaus. Ze kan voorkomen dat één mislukt product het hele vermogen raakt. Ze beschermt minder wanneer veel ondernemingen tegelijk afhankelijk zijn van vergelijkbare kapitaalstromen, klanten of waarderingsaannames. De relevante vraag is niet alleen hoeveel effecten een fonds bevat, maar ook hoe verschillend hun economische risico’s werkelijk zijn.
Inflatie raakt de waarde van winst die nog moet komen
Het Amerikaanse inflatierapport van 14 oktober liet voor september 3,7 procent inflatie op jaarbasis zien. Dat maakte het vooruitzicht van snel goedkoper geld minder vanzelfsprekend. Op een dag waarop verschillende kapitaalintensieve AI-bedrijven hard daalden, past de beweging van QQQ bij een bredere herwaardering van technologie en toekomstige groei.
Er zijn twee mechanismen. Bedrijven kunnen hogere financieringskosten krijgen wanneer ze nieuw geld moeten ophalen. Daarnaast kan een belegger een hoger rendement eisen voordat hij hetzelfde aandeel wil kopen. Dat tweede effect raakt ook winstgevende ondernemingen met een sterke kaspositie. Een goede balans voorkomt niet dat de beurs minder voor toekomstige inkomsten wil betalen.
Neem een eigen voorbeeld van duizend dollar die pas over tien jaar wordt ontvangen. Bij acht procent vereist rendement is die ontvangst vandaag ongeveer 463 dollar waard: duizend gedeeld door 1,08 tot de tiende macht. Bij tien procent is het ongeveer 386 dollar. Alleen de hogere rendementseis verlaagt de huidige waarde daarmee met circa zeventien procent, zonder verandering in het toekomstige bedrag.
Het vereiste aandelenrendement in dit voorbeeld is geen Fed-rente. Er zit ook een vergoeding in voor bedrijfsrisico en onzekerheid. De rekensom verklaart evenmin precies hoeveel QQQ op één dag hoort te bewegen. Ze laat wel zien waarom dezelfde winstverwachting een lagere beursprijs kan krijgen wanneer beleggers anders gaan denken over risico en de alternatieven voor hun geld.
AI geeft de winnaars ook een gezamenlijke investeringsrekening
Binnen technologie bestaan grote verschillen. Een leverancier van apparatuur verdient aan de investering van een klant, terwijl die klant eerst geld uitgeeft en later rendement moet behalen. Softwarebedrijven kunnen bestaande producten verbeteren met AI, maar krijgen mogelijk ook nieuwe concurrentie. Wie alle ondernemingen onder één AI-label samenneemt, mist dat de opbrengsten en kosten in verschillende delen van de keten vallen.
Een fonds vermindert het risico dat de belegger precies de verkeerde individuele winnaar kiest. Tegelijk kan het zowel leveranciers als grote investeerders bevatten. Wanneer de markt gaat twijfelen aan de economische opbrengst van de hele investeringsronde, kunnen meerdere onderdelen tegelijk onder druk komen. De spreiding over de keten biedt dan minder bescherming dan het op het eerste gezicht lijkt.
Dat betekent niet dat dalende koersen bewijzen dat AI geen economische waarde heeft. De beurs kan ook reageren op de mogelijkheid dat de technologie belangrijk wordt, terwijl de concurrentie een groot deel van de winst bij klanten laat belanden. Productiviteitswinst voor gebruikers is niet automatisch een hoge marge voor iedere leverancier. Voor aandeelhouders telt welk bedrijf waarde weet vast te houden en tegen welke aankoopprijs.
De sterkste tegenwerping tegen de verkoopgolf is dat veel grote indexbedrijven al bestaande winstbronnen hebben. Hun waarde rust niet uitsluitend op een onbewezen project. Die inkomsten kunnen investeringen dragen en ruimte bieden om fouten op te vangen. Het is dus onjuist om het hele fonds te behandelen alsof alle ondernemingen verlieslatende starters zijn die voortdurend nieuwe financiering nodig hebben.
Twee procent beursverlies is niet hetzelfde als twee procent euroverlies
Een voorbeeldpositie van 10.000 dollar is bij een daling van 2,06302 procent ongeveer 9.794 dollar waard. Het bruto koersverlies bedraagt circa 206 dollar. Vanaf die lagere basis is ongeveer 2,1 procent herstel nodig om weer op het beginbedrag te komen. Deze rekensom sluit dividend, kosten en belasting uit.
Voor een Nederlandse belegger komt daar vaak de dollar bij. Als de waarde van de dollar tegenover de euro gedurende dezelfde periode met één procent stijgt, wordt het gecombineerde rendement ongeveer min 1,08 procent: 0,9793698 maal 1,01 min één. Die valutastijging is hier een aanname, geen gemeten wisselkoersbeweging. Een zwakkere dollar zou het verlies juist vergroten.
De valuta-effecten zijn vermenigvuldigend. Simpelweg één procent van een verliespercentage aftrekken is een benadering, geen exacte berekening. Bovendien kan het effect verschillen bij een fondsvariant die valutarisico afdekt. Een ETF in euro’s verhandelen betekent op zichzelf nog niet dat het valutarisico van de onderliggende Amerikaanse aandelen verdwenen is. De inhoud en eventuele afdekking bepalen dat risico.
De fondskosten vormen een andere, veel kleinere component op één handelsdag. Invesco noemt voor QQQ een jaarlijkse kostenratio van 0,18 procent. Op een onveranderde waarde van 10.000 dollar is dat ongeveer achttien dollar per jaar, gemiddeld 1,50 dollar per maand. De kosten worden binnen het fonds verwerkt; handelskosten en het verschil tussen bied- en laatprijs komen daar eventueel bij.
Wat de waardering wel en niet over het herstel vertelt
De waarderingstabel van The Wall Street Journal vermeldde voor de Nasdaq-100 op 9 oktober 31,51 keer de gerapporteerde winst over de voorafgaande twaalf maanden. De vooruitkijkende multiple bedroeg 22,15 en gebruikte verwachte operationele winst. Dat zijn verschillende winstdefinities en peildata; het verschil mag niet volledig als verwachte winstgroei worden uitgelegd. Het betreft bovendien de index, niet een afzonderlijke onderneming.
Een lagere koers verlaagt bij ongewijzigde winst de waardering. Maar winstverwachtingen kunnen eveneens veranderen. Als de koers tien procent daalt en de verwachte winst ook tien procent, blijft de multiple gelijk. Wie alleen de afstand tot een oude top bekijkt, weet dus niet of een fonds werkelijk goedkoper is geworden in verhouding tot zijn verdienvermogen.
De omgekeerde rendementsvraag kan zonder exact koersdoel worden gesteld. Voor acht procent koersrendement per jaar vanaf 728,23 dollar gedurende ongeveer drie jaar is circa 917,36 dollar nodig. Bij een aangenomen waardering van dertig keer de jaarwinst vraagt dat 30,58 dollar onderliggende winst per fondsrekeneenheid. Dit is een eigen modelmaatstaf, geen door Invesco gerapporteerde winst per participatie.
Voor de scenario’s gebruiken we zulke winstbedragen per vaste rekeneenheid uitsluitend om het effect van groei en multiple zichtbaar te maken. Het model houdt de samenstelling van het mandje impliciet gelijk, terwijl de echte index kan veranderen. Daardoor is het een gevoeligheidsanalyse, geen reconstructie van de actuele fondswinst of een voorspelling van de indexsamenstelling in 2029.
In het voorzichtige pad nemen we voor 2027, 2028 en 2029 jaarwinsten per rekeneenheid van 24, 24 en 25 dollar aan. Bij vierentwintig keer winst volgen 576, 576 en zeshonderd dollar. In het basisscenario zijn de winsten 27, dertig en 34 dollar. Dertig keer winst geeft 810, negenhonderd en 1.020 dollar. Het eerste pad combineert zwakke winstgroei met minder vertrouwen; het tweede veronderstelt verdere groei zonder een hogere multiple.
Een gunstig scenario met 29, 35 en 42 dollar jaarwinst en vijfendertig keer winst als waardering geeft 1.015, 1.225 en 1.470 dollar. Alle waarden zijn eigen aannames zonder toegekende kansen. De formule is telkens winst per rekeneenheid maal multiple. Dividend, fonds- en handelskosten, belasting en valuta ontbreken, zodat het verschil tussen winstontwikkeling en waardering afzonderlijk zichtbaar blijft.
Mijn oordeel is dat deze daling vooral een nuttige test is van de werkelijke spreiding in een portefeuille. QQQ verdeelt geld over veel ondernemingen, maar blijft een gerichte blootstelling aan grote niet-financiële Nasdaq-bedrijven. Het fonds is pas overtuigender na een daling wanneer de onderliggende winstvooruitzichten relatief goed standhouden. Breed gedragen winstgroei en aantoonbaar rendement op AI-investeringen zouden helpen. Dalende winstverwachtingen bij een blijvend hoge premie zouden juist een waarschuwing zijn.






































































































































Opmerkingen