Jitse Groen waarschuwt terecht voor belasting op ongerealiseerde winst
In het kort
Jitse Groen heeft een sterk punt in zijn verzet tegen belasting op ongerealiseerde koerswinst. Wie voor later belegt, hoort een investering niet tussentijds te hoeven verkopen omdat een hogere waardering een belastingrekening oplevert. Een vermogensaanwasbelasting belast de jaarlijkse waardestijging, ook als de eigenaar nog niets heeft verkocht. Afrekenen wanneer winst bij verkoop vrijkomt, sluit beter aan bij de vrijheid om vermogen op te bouwen en geld langdurig te investeren.
“We willen groeien, maar belasten de economie kapot”, schrijft Groen op 2 oktober 2026. De zin vat een reeks berichten samen waarin hij belastingen, woningbouw, technologie en energie naast elkaar zet. Zijn centrale bezwaar is de afstand tussen wat politici zeggen te willen en wat hun regels aantrekkelijk maken.
Daarmee benoemt Groen een probleem dat in politieke discussies te gemakkelijk onder begrotingscijfers verdwijnt. Achter privévermogen zitten beslissingen om te sparen, risico te nemen en consumptie uit te stellen. Wie dat geld voor langere tijd vastlegt, heeft belang bij voorspelbare regels en zeggenschap over het moment van verkoop. Een overheid die investeringen wil stimuleren, moet die afweging serieus nemen.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
Van Thuisbezorgd naar uitgesproken investeerder
Groen richtte Thuisbezorgd in 2000 op en bouwde mee aan het internationale Just Eat Takeaway.com. Volgens de bekendmaking van zijn investering in Butlaroo trad hij op 1 januari 2026 terug als bestuursvoorzitter. Op 24 augustus maakte dat horecatechnologiebedrijf bekend dat hij een minderheidsbelang neemt. Hij is dus geen buitenstaander die alleen commentaar geeft: hij steekt opnieuw geld in een onderneming.
Die achtergrond helpt verklaren waarom belastingen en regels zo vaak terugkomen in zijn berichten. Voor een investeerder horen ze bij dezelfde beslissing: wat kan dit bedrijf verdienen, hoeveel risico loop ik en welk deel van een eventuele opbrengst houd ik over? Groen brengt daarmee de ervaring van iemand die zelf een onderneming heeft opgebouwd in het debat. Zijn openbare standpunten laten zien welke zorgen hij belangrijk vindt; ze geven geen toegang tot zijn persoonlijke motieven achter iedere post.
De samenhang in zijn berichten is helder: geef bedrijven en particulieren ruimte om zelf te bouwen aan hun toekomst. Privévermogen is daarbij in de eerste plaats van de eigenaar. Dat uitgangspunt sluit belastingheffing niet uit, maar verplicht de overheid wel uit te leggen waarom een bepaalde ingreep nodig is en waarom zij niet onnodig zwaar uitpakt. Groens bijdrage is waardevol omdat hij die bewijslast teruglegt waar zij hoort.
Een hogere waardering betaalt de belastingrekening niet
Op 5 september spreekt Groen over “papieren (lees: niet bestaande) winsten”. De formulering is scherp, maar het praktische bezwaar erachter is sterk: koerswinst die niet is verzilverd, staat niet op de bankrekening. Een aandeel dat van €100 naar €120 stijgt heeft wel degelijk €20 extra verkoopwaarde. Of die waarde behouden blijft en wanneer de eigenaar haar wil realiseren, is een andere vraag. Juist dat verschil maakt jaarlijkse afrekening over de waardestijging problematisch.
Bij een beursfonds kan een belegger meestal een stukje verkopen om een aanslag te betalen. Dat de verkoop mogelijk is, maakt de verplichting nog niet wenselijk. De fiscus beïnvloedt daarmee hoeveel geld belegd kan blijven en kan de eigenaar dwingen zijn langetermijnplan aan te passen. Bij moeilijk verhandelbare bezittingen, voor zover die onder een aanwasheffing zouden vallen, komt daar een waarderings- en liquiditeitsprobleem bij. Uitzonderingen kunnen dat beperken, maar maken het stelsel ook ingewikkelder.
Neem een zuiver rekenvoorbeeld van een beursportefeuille die in één jaar van €100.000 naar €120.000 stijgt, zonder dividend of verkoop. Bij een aangenomen tarief van 36 procent over de €20.000 waardestijging ontstaat €7.200 belasting over dat jaar. We laten vrijstellingen, kosten, andere bezittingen en verliesverrekening hier buiten beschouwing om alleen het moment van afrekenen te vergelijken. De belegger heeft €0 verkoopopbrengst ontvangen en moet de €7.200 dus uit een buffer of gedeeltelijke verkoop halen. Bij heffing over gerealiseerde koerswinst is over deze nog niet verkochte stijging op dat moment €0 verschuldigd.
Een latere koersdaling kan die eerdere stijging weer tenietdoen. Een ruime en tijdige verliesverrekening kan de uiteindelijke belastingdruk corrigeren, maar de eerdere behoefte aan geld verdwijnt daarmee niet met terugwerkende kracht. Ook het rendement dat de onttrokken middelen anders hadden kunnen opleveren, hangt af van wanneer compensatie beschikbaar komt. Het bezwaar tegen aanwasbelasting is daarom niet dat iedere waardestijging fictief is. Het is dat de overheid geld vraagt voordat de eigenaar de opbrengst zelf heeft ontvangen.
De discussie is inmiddels veranderd. In de kabinetsbrief van 29 september staat het voorstel om vanaf 2028 voor financiële instrumenten zoals aandelen en obligaties naar belasting bij realisatie van koerswinst te gaan. Het kabinet beschrijft een verdere uitbreiding vanaf 2030. Tijdens de persconferentie van 2 oktober meldde premier Jetten dat de wijziging met spoed naar de Raad van State was gestuurd. Hij kondigde ook aan kleine spaarders en beleggers te ontzien bij de dekking. Dit zijn voorstellen en toezeggingen, geen definitief vaststaande persoonlijke belastingrekening.
De beweging naar belasting bij verkoop is daarom een verbetering en sluit aan bij de kern van Groens bezwaar. Dat bewijst niet dat zijn berichten de koerswijziging hebben veroorzaakt; het laat wel zien dat het probleem serieus genoeg is om het ontwerp te veranderen. De sterkste tegenwerping is dat belasting bij verkoop uitstel aantrekkelijk maakt, waardoor beleggers soms te lang aan een bezit vasthouden. Dat verdient aandacht. Het weegt naar ons oordeel minder zwaar dan een systeem dat jaarlijks geld verlangt over winst die nog niet is ontvangen.
De spaarder kan meer rente krijgen en toch koopkracht verliezen
Groen vraagt op 3 oktober: “waarom zou je dan nog gaan sparen?” Zijn aanleiding is de combinatie van rente, een vrijgesteld inkomen en inflatie. Bij een vast vrijgesteld rentebedrag daalt inderdaad het vermogen waarmee die grens wordt bereikt als de rente stijgt. Een vrijstelling van €1.000 is bij 2 procent rente bereikt met €50.000, bij 3 procent met ongeveer €33.333. Dat zegt echter nog niet dat meer rente nadelig is.
Neem een vereenvoudigd rekenvoorbeeld met één spaarder, €50.000 saldo, 3 procent rente en 3 procent inflatie gedurende één jaar. We veronderstellen €1.000 vrijgesteld rente-inkomen en 36 procent belasting over het meerdere. De vrijstelling sluit aan bij het voorstel van 29 september; na de toezegging van 2 oktober is de uiteindelijke uitwerking onzeker. Dit voorbeeld is een vergelijking van prikkels, geen aanslagberekening voor een bepaald belastingjaar. Andere bezittingen, schulden, partners en kosten blijven buiten beschouwing.
De bruto rente is €50.000 × 3 procent = €1.500 per jaar. De modelbelasting is (€1.500 − €1.000) × 36 procent = €180. Netto resteert €1.320 per jaar, gemiddeld €110 per maand; de berekening veronderstelt jaarlijkse afrekening. Het eindsaldo van €51.320 heeft bij 3 procent inflatie een koopkracht van €51.320 / 1,03 = €49.825 in euro’s van het begin van het jaar. Het reële verlies is dus ongeveer €175 per jaar, of gemiddeld €14,56 per maand.
Meer rente blijft in dit voorbeeld gunstig. Bij 2 procent ontvangt de spaarder €1.000, betaalt hij in het model geen belasting en houdt hij reëel €49.515 over. Bij 3 procent rente is hij ongeveer €311 beter af, ondanks de aanslag. Maar dat betere resultaat is nog altijd een koopkrachtverlies van ongeveer €175. Daar zit de kern van Groens waarschuwing: een belasting kan een nominale vooruitgang belasten terwijl de eigenaar in koopkracht achteruitgaat.
Een deel van de rente herstelt alleen wat prijsstijgingen aan koopkracht wegnemen. Wie uitsluitend naar het hogere banksaldo kijkt, overschat de vooruitgang. Spaargeld biedt daarnaast beschikbaarheid en zekerheid: een buffer voor een reparatie of onverwacht inkomensverlies heeft waarde, ook zonder positief reëel rendement. Dat is juist een reden om vermogensopbouw te respecteren. Mensen die voor hun eigen financiële weerbaarheid zorgen, moeten niet vanzelfsprekend als extra financieringsbron voor de overheid worden behandeld.
Niet iedere spaarder draagt dezelfde rekening
Bij €25.000 saldo en dezelfde rente van 3 procent blijft het rente-inkomen in dit model onder €1.000. Zonder belasting houdt die spaarder bij eveneens 3 procent inflatie precies dezelfde koopkracht. Bij €100.000 bedraagt de rente €3.000 en de belasting €720. Het reële verlies is dan ongeveer €699 per jaar. Een vast vrijgesteld inkomen beschermt kleine tegoeden relatief sterk, maar is geen algemene bescherming tegen inflatie. Bij een lagere rente dan inflatie verliest ook de vrijgestelde spaarder koopkracht.
Ook tussen sparen en ondernemen zijn verschillen groot. Een spaarrekening heeft een afleesbaar saldo en rente. Bij een jonge onderneming zijn waarde en toekomstige kasstromen veel onzekerder. Bovendien valt een aanzienlijk aandelenbelang van een ondernemer doorgaans onder een ander belastingregime dan een gewone particuliere effectenportefeuille. “De ondernemer” en “de box 3-belegger” zijn daarom geen uitwisselbare groepen. De invloed van belastingen moet per bezit en per financieringsvorm worden bekeken.
De omgekeerde vraag is nuttiger dan alleen de aanslag berekenen: hoeveel bruto rente is nodig om de koopkracht te behouden? Boven de vrijstelling geldt in ons voorbeeld: netto rente = bruto rente × 0,64 + €360. Voor €1.500 koopkrachtcompensatie is dan (€1.500 − €360) / 0,64 = €1.781,25 bruto rente nodig. Op €50.000 is dat 3,5625 procent. Zonder deze modelbelasting was 3 procent voldoende. Het verschil is de extra opbrengst die nodig is om dezelfde koopkracht te bereiken.
Hoge lasten raken ook de ondernemer aan de grens
Op 3 oktober schrijft Groen over winkelen over de grens: “Dit doet de overheid de ondernemers in onze grensstreek aan.” De cijfers van De Nederlandsche Bank van 28 september tonen een echte verschuiving. Het aantal betalingen met Nederlandse betaalpassen en creditcards bij Belgische en Duitse tankstations lag in de eerste helft van 2026 ongeveer 20 procent hoger dan een jaar eerder. Het bestede bedrag groeide circa 32 procent tot ongeveer €1,5 miljard.
Voor ondernemers aan de grens onderstreept dit Groens punt dat beleid rekening moet houden met uitwijkgedrag. Omzet die elders terechtkomt, betaalt hun personeel en huur niet. Wel laten deze transacties niet zien welk deel door accijnzen wordt veroorzaakt. DNB wijst erop dat ook laden, andere aankopen en reisgedrag meespelen. Die beperking verandert de beleidsvraag niet: wat blijft er van een hogere heffing over als een deel van de bestedingen de grens over gaat?
Het sterkste tegenargument is dat ondernemers en vermogensbezitters ook profiteren van wegen, rechtspraak en onderwijs. Dat is terecht, maar rechtvaardigt niet iedere belastingvorm of steeds hogere uitgaven. De overheid moet eerst duidelijk maken wat publieke voorzieningen kosten, waar zij doelmatiger kan werken en welke heffing de minste schade veroorzaakt. Eigendom verdient bescherming, juist omdat burgers daarmee zelf keuzes kunnen maken en minder afhankelijk worden van politieke besluiten.
Belast ontvangen winst en geef vermogensopbouw de ruimte
Voor de spaarder werken we drie samenhangende eenjaarsscenario’s uit. Het saldo blijft €50.000, de inflatie 3 procent, de vrijstelling €1.000 en het modeltarief 36 procent. Alleen de rente varieert. Bij 2 procent is het reële resultaat circa min €485, bij het basisscenario van 3 procent min €175 en bij 4 procent plus €136. Steeds geldt: reëel resultaat = (beginsaldo + rente − belasting) / 1,03 − beginsaldo. Het zijn gevoeligheidsberekeningen met peildatum 3 oktober 2026, geen voorspellingen van toekomstige spaarrentes.
Een horizon van één jaar is hier zinvoller dan schijnbaar precieze bedragen voor drie kalenderjaren. De wetgeving is in beweging en toekomstige rente en inflatie staan niet vast. Wie drie jaar wil doorrekenen, moet bovendien rente-op-rente, gewijzigde vrijstellingen en nieuwe prijsstijgingen meenemen. De beslissende boodschap is al zichtbaar: een hogere rente kan de aanslag vergroten en de koopkracht tegelijk verbeteren.
Groen verdient steun waar hij waarschuwt dat de overheid sparen en investeren te gemakkelijk ondergeschikt maakt aan haar eigen financieringsbehoefte. Een belasting op gerealiseerde winst past beter bij eigendomsrecht en langetermijnbeleggen dan een jaarlijkse aanslag op ongerealiseerde koersstijgingen. Dat ontslaat beleggers niet van belasting, maar laat hun meer zeggenschap over hun vermogen en het moment waarop opbrengsten vrijkomen. De definitieve wet moet aantonen dat de aangekondigde omslag werkelijk uitvoerbaar is en kleine spaarders beschermt. Een aanwasvariant die het liquiditeitsprobleem en tijdige verliescompensatie overtuigend oplost, zou een belangrijk bezwaar verminderen. Zolang dat bewijs ontbreekt, is afrekenen na realisatie de betere keuze.








































































































































Opmerkingen