top of page

De nieuwe zzp-regels beloven zekerheid maar verplaatsen het risico

2 uur geleden
6 minuten om te lezen

In het kort

De Zelfstandigenwet moet vanaf januari 2028 vooraf duidelijker maken wanneer iemand echt als zelfstandige kan werken. De beloofde veilige haven geldt alleen als alle criteria van twee toetsen zijn gehaald én de dagelijkse praktijk daarbij past. Dat kan de terughoudendheid bij opdrachtgevers verminderen, maar dwingt zzp’ers ook tot meerdere klanten, een zakelijke basis en aantoonbare voorzieningen voor risico’s. Het belangrijkste bedrag ontbreekt nog: tijdens de consultatie staat niet vast hoeveel een zelfstandige jaarlijks aan verzekeringen en pensioen moet besteden.


Het kabinet heeft op 1 oktober de Zelfstandigenwet in internetconsultatie gebracht. Reageren kan tot en met 29 oktober. De beoogde ingangsdatum is januari 2028, maar het gaat nog om een voorstel. De Tweede en Eerste Kamer moeten zich er nog over uitspreken en belangrijke details worden later in lagere regelgeving ingevuld.


De economische inzet is groter dan een juridisch etiket. Volgens de toelichting gaat het om ongeveer 974.000 zelfstandigen zonder personeel die eigen arbeid aanbieden, 422.360 mogelijke opdrachtgevers en naar schatting 8,8 miljoen opdrachten per jaar. Wanneer organisaties uit angst voor naheffingen geen zelfstandigen meer inhuren, verdwijnen niet alleen twijfelgevallen. Ook specialisten die bewust ondernemen kunnen opdrachten mislopen.


De wet probeert dat probleem om te draaien. Niet langer begint de vraag bij alle grijze omstandigheden die mogelijk op loondienst wijzen. Wie door twee poorten komt, krijgt een wettelijk antwoord: in ieder geval geen gezagsrelatie en dus geen arbeidsovereenkomst. Dat klinkt eenvoudig, maar iedere poort bestaat uit harde voorwaarden. Eén gemiste voorwaarde haalt de zekerheid weg, zonder dat iemand daardoor automatisch werknemer wordt.



Twee toetsen bepalen de veilige haven

De conceptwettekst begint bij de persoon. De zelfstandigentoets eist in het lopende en vorige kalenderjaar samen ten minste drie opdrachtgevers. Verder moet de zzp’er een nog vast te stellen minimumbedrag uitgeven aan voorzieningen tegen ondernemersrisico’s. De internetconsultatie noemt onder meer arbeidsongeschiktheid, ziekte, pensioen en zakelijke aansprakelijkheid. Ook de basis moet op orde zijn, met onder andere een handelsregisterinschrijving, btw-nummer, aparte zakelijke geldstroom, eigen facturatie en betalingstermijnen.


Daarna volgt de werkrelatietoets voor de concrete opdracht. Beide partijen moeten buiten loondienst willen werken. De zelfstandige bepaalt in beginsel hoe het werk wordt uitgevoerd en wanneer en waar dat gebeurt, behoudens werk dat logisch aan een plek of tijd is gebonden. Ook moeten de economische baten en financiële risico’s bij de zelfstandige liggen. Een resultaat dat sneller of slimmer wordt geleverd mag dus voordeel opleveren, terwijl herstelwerk of inefficiëntie niet vanzelf op de opdrachtgever kan worden afgewenteld.



De zekerheid blijft afhankelijk van de praktijk

De memorie van toelichting is streng op dit punt: er is geen rangorde en geen belangenafweging tussen de criteria. Wie er één mist, kan niet op de veilige haven leunen. Bovendien gaat de feitelijke uitvoering boven het contract. Een overeenkomst kan volledige vrijheid beloven, maar wanneer de opdrachtgever dagelijks bepaalt hoe het werk moet gebeuren, kan de bescherming alsnog wegvallen.


Dat is tegelijk de sterkste tegenwerping tegen de naam ‘veilige haven’. De nieuwe route geeft vooraf betere aanknopingspunten, maar de feiten staan pas tijdens en na de opdracht vast. Opdrachtgever en zelfstandige moeten dus blijven controleren of de samenwerking niet ongemerkt verandert. Denk aan een zelfstandige die gaandeweg nog maar één klant overhoudt of steeds meer onderdeel wordt van een regulier teamrooster.


Toch is het verschil met de huidige situatie reëel. Nu moeten partijen een brede afweging maken van alle omstandigheden. De overheid schat dat het beoordelen van 8,8 miljoen opdrachten jaarlijks circa 260 miljoen euro aan regeldruk kost. Met de twee toetsen zou dat volgens de toelichting kunnen dalen naar ongeveer 135 miljoen euro, een maximale besparing van 125 miljoen euro. Die raming veronderstelt twintig minuten beoordeling per opdracht. De regering erkent zelf dat veel simpele opdrachten nu al niet uitgebreid worden onderzocht, waardoor de werkelijke besparing lager kan uitvallen.


Wie profiteert en wie betaalt

Opdrachtgevers profiteren als zij gespecialiseerde capaciteit weer durven inhuren zonder voor iedere opdracht een volledig arbeidsrechtelijk onderzoek te laten uitvoeren. Zelfstandigen met meerdere klanten, eigen werkwijze en goede voorzieningen krijgen een duidelijker toegangsbewijs. Adviseurs en verzekeraars kunnen juist meer vraag zien naar verklaringen, administratie en risicodekking.


De rekening ligt vooral bij zelfstandigen die nu weinig aan arbeidsongeschiktheid of pensioen uitgeven. Het voorstel schrijft nog niet voor welke combinatie nodig is en noemt geen definitief minimumbedrag. Dat detail wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld en jaarlijks aangepast. Een uniform bedrag is eenvoudiger, maar raakt een parttime zelfstandige relatief zwaarder dan een consultant met een hoge omzet. Ook een vakmens met één langdurige hoofdopdracht moet twee extra klanten vinden om de veilige haven te bereiken, zelfs wanneer de hoofdopdracht inhoudelijk zeer zelfstandig is.


Een rekenvoorbeeld maakt de orde van grootte zichtbaar, zonder te doen alsof dit de toekomstige norm is. Neem een tarief van 60 euro per uur en 1.400 declarabele uren. De bruto jaaromzet is dan 84.000 euro, of gemiddeld 7.000 euro per maand. Trek 8.000 euro zakelijke kosten af en reserveer vervolgens twintig procent van de resterende 76.000 euro voor pensioen, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Dat is 15.200 euro per jaar. Er blijft 60.800 euro per jaar over, gemiddeld 5.067 euro per maand, vóór inkomstenbelasting en zonder vakantiegeld, loondoorbetaling of werkgeverspensioen.



Wie in loondienst vergelijkt met deze 5.067 euro maakt snel een fout. Het bedrag is geen nettoloon en mist werknemersrechten. Daartegenover kan een zelfstandige zakelijke kosten aftrekken en meer vrijheid of tariefgroei hebben. De economische vergelijking vraagt daarom om dezelfde posten aan beide kanten: betaald verlof, ziekte, pensioen, verzekeringen, onbetaalde administratie en het risico op lege maanden.


Bij welk tarief loont zelfstandigheid

De gebruikelijke vraag is hoeveel een zzp’er overhoudt bij een bepaald tarief. De omgekeerde vraag is nuttiger: welk tarief is minimaal nodig om een gewenst jaarinkomen én de eigen voorzieningen te dragen? Stel dat iemand 48.000 euro per jaar vóór inkomstenbelasting wil overhouden, 10.000 euro zakelijke kosten heeft, twintig procent van het bedrag na kosten reserveert en 1.400 uur kan factureren.


De formule is: benodigd tarief = [zakelijke kosten + gewenst inkomen gedeeld door één minus het reservepercentage] gedeeld door declarabele uren. Ingevuld wordt dat [10.000 + 48.000 / 0,80] / 1.400 = 50 euro per uur. Dat is het bruto uurtarief exclusief btw. Het komt neer op 70.000 euro omzet per jaar. Daarvan gaat 10.000 euro naar bedrijfskosten, 12.000 euro naar voorzieningen en blijft 48.000 euro over vóór inkomstenbelasting, gemiddeld 4.000 euro per maand.



Het tarief stijgt wanneer minder uren declarabel zijn. Wie dezelfde aannames gebruikt maar 1.200 uur factureert, heeft ongeveer 58,33 euro per uur nodig. Bij 1.600 uur daalt de drempel naar 43,75 euro. Sectoren met veel administratie, reistijd of seizoenswerk hebben daardoor een hogere veilige bodem dan beroepen waarin vrijwel iedere werkdag factureerbaar is.


Drie scenario’s richting 2028

Het basisscenario is een ordelijke invoering. De consultatie sluit op 29 oktober 2026, waarna het kabinet de tekst en lagere regelgeving uitwerkt. In 2027 volgt behandeling, zodat bedrijven systemen en contracten kunnen aanpassen en de wet in januari 2028 kan starten. Deze route veronderstelt dat het minimumbedrag, de bewijsvoering en de verhouding tot andere zzp-wetgeving tijdig helder worden.


In het vertragingsscenario blijkt de uitvoering te ingewikkeld of vraagt het parlement om aanpassingen. De huidige regels en handhaving blijven dan langer leidend. Dat verlengt de onzekerheid, maar voorkomt dat een onvolledig systeem haastig wordt ingevoerd. In het strengere scenario blijft 2028 haalbaar, maar vallen minder zelfstandigen binnen de veilige haven door een hoger voorzieningenbedrag of strikte bewijsregels. Dan neemt de bescherming toe, terwijl juist parttimers en langdurige specialisten vaker terugvallen op de oude brede beoordeling.



De sterkste redelijke tegenwerping tegen het voorstel is dat scherpe criteria de werkelijkheid te grof maken. Drie klanten zeggen weinig over echte onafhankelijkheid wanneer 98 procent van de omzet bij één opdrachtgever zit. Omgekeerd kan een specialist met één groot meerjarig project ondernemender zijn dan iemand met drie kleine klanten. Een vast voorzieningenbedrag meet bovendien uitgaven, niet of de dekking past bij inkomen, leeftijd en gezinssituatie.


Daar staat tegenover dat een veilige haven alleen werkt als mensen vooraf kunnen zien waar de grens ligt. Een volledig open norm zou dezelfde onzekerheid terugbrengen die de wet wil verminderen. De politieke keuze is dus niet tussen perfecte maatwerkregels en slechte eenvoud. Het is een keuze tussen een scherp toegangsbewijs met randgevallen en een bredere toets die juridisch zuiverder kan zijn, maar meer tijd en advies kost.


Ons oordeel

De Zelfstandigenwet is economisch kansrijk omdat zij de verlamming bij opdrachtgevers kan verminderen zonder werknemersrechten formeel af te bouwen. De dubbele toets maakt duidelijk dat zelfstandigheid meer is dan een factuur en een KVK-nummer. Wie de vrijheid en mogelijke winst van ondernemerschap wil, moet ook klanten spreiden en risico’s zichtbaar dragen. Dat is een verdedigbare ruil.


De belofte van rust is nog niet bewezen. Het onbekende minimumbedrag, de bewijsvoering en de omgang met veranderende opdrachten bepalen of de wet een bruikbaar toegangsbewijs wordt of een nieuwe administratieve grens. De maximale besparing van 125 miljoen euro per jaar is daarom geen uitkomst, maar een beleidsraming die sterk leunt op twintig minuten beoordeling per opdracht.


Ons oordeel verandert positief wanneer de regering vóór behandeling een helder en betaalbaar voorzieningenbedrag publiceert, uitvoerders bevestigen dat de criteria controleerbaar zijn en praktijktests laten zien dat opdrachtgevers daadwerkelijk weer passende zelfstandigen inhuren. Het oordeel wordt negatiever wanneer vooral parttimers en specialisten met langdurige projecten buiten de veilige haven vallen, of wanneer de feitelijke toets achteraf bijna even breed en kostbaar blijft als nu.



Omslagfoto: minister Thierry Aartsen en vicevoorzitter van de Europese Commissie Roxana Mînzatu in Brussel op 9 september 2026. Foto: Europese Unie / Lukasz Kobus, CC BY 4.0.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page