Box-3 verhoging geschrapt, maar het échte risico verschuift naar 2028
- J. van den Poll
- 7 uur geleden
- 5 minuten om te lezen
In het kort:
Box 3-verhoging geschrapt: De geplande lastenverzwaring voor spaarders, beleggers en bezitters van tweede woningen gaat niet door. Het forfait blijft rond 6 procent en de vrijstelling stijgt licht mee met inflatie.
Versnelde afbouw Wet Hillen: Om het gat in de begroting te dichten wordt de afbouw van de Wet Hillen versneld, waardoor huiseigenaren met een (bijna) afgeloste hypotheek de komende jaren meer eigenwoningforfait gaan betalen.
Blijvende onzekerheid: Ondanks het schrappen van de verhoging blijven juridische en politieke problemen rond box 3 bestaan en werkt het kabinet aan een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 2028.
De Tweede Kamer heeft op donderdag 27 november het Belastingplan 2026 aangenomen. Het debat draaide vrijwel volledig om box 3. De eerder voorgestelde forse belastingverhoging voor spaarders, beleggers en bezitters van tweede woningen is geschrapt. In plaats daarvan komt de rekening te liggen bij huiseigenaren die hun hypotheek bijna of volledig hebben afgelost, omdat de afbouw van de Wet Hillen wordt versneld.
Het oorsponkelijke plan werd eerder al gepresenteerd op prinsjesdag.

Oorspronkelijke plannen voor box 3
Het demissionaire kabinet wilde aanvankelijk een stevig fiscaal pakket doorvoeren. In box 3, waar vermogens zoals spaargeld, beleggingen en vastgoed worden belast, lag een aanzienlijke lastenverzwaring in het vooruitzicht. Het fictieve rendement voor overige bezittingen zou stijgen van ongeveer 6 procent naar 7,78 procent. De heffingsvrije voet zou dalen van ruim 57.000 euro naar iets meer dan 51.000 euro per persoon. Deze maatregelen moesten de schatkist in twee jaar tijd meer dan 2,6 miljard euro opleveren. Het nominale tarief bleef 36 procent, maar de effectieve druk zou door het hogere forfaitaire rendement fors toenemen.
Effect op bezitters van vakantiewoningen en verhuurders
Het effect werd duidelijk in een voorbeeld van een vakantiewoning met een WOZ-waarde van 300.000 euro. In 2025 rekent de Belastingdienst op een fictief rendement van iets boven de 5.100 euro. In 2026 zou dat bedrag oplopen tot bijna 7.000 euro. De belastingdruk zou daardoor met bijna 1.900 euro stijgen, zonder extra huurinkomsten of waardestijging.
Voor particuliere verhuurders en bezitters van tweede woningen, die al kampen met een krappe huurmarkt, hogere rentes en stijgende onderhoudskosten, kwam deze aanslag bijzonder hard aan.
Politieke kritiek tijdens het debat van 20 november
Tijdens het Kamerdebat van 20 november uitten veel partijen stevige kritiek.
De VVD waarschuwde dat het hogere forfait niet alleen vermogende beleggers raakt, maar ook gewone spaarders, mensen met een vakantiewoning en eigenaren van rijksmonumenten of landgoederen.
Het CDA stelde vragen over de pessimistische begrotingsramingen van het kabinet, vooral omdat eerdere compensatieregelingen minder kostten dan verwacht.
JA21 vond dat sparen en beleggen verder wordt ontmoedigd.
BBB wees op het principe van budgetneutraliteit, waarbij elke correctie automatisch leidt tot hogere forfaits.
De ChristenUnie benadrukte dat echte verlichting voor box-3-gedupeerden uitblijft zolang fictieve rendementen zwaarder worden belast dan werkelijke inkomsten.

Juridische druk door uitspraken van de Hoge Raad
De juridische druk begon met de uitspraak van 24 december 2021, waarin de Hoge Raad oordeelde dat box 3 in strijd kan zijn met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod wanneer het fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement.
In juni 2024 volgde een verdere verduidelijking. Alleen werkelijk behaald rendement mag worden belast, en dat rendement moet worden berekend over het volledige jaar, inclusief waardeschommelingen.
Het kabinet reageerde met de Wet tegenbewijsregeling box 3. Die maakt het mogelijk aan te tonen dat het werkelijke rendement lager is dan het forfait. Toch is deze regeling complex, omdat alle vermogensbestanddelen door het jaar heen meetellen en ook ongerealiseerde waardeveranderingen worden meegenomen. Vooral vastgoedbeleggers schieten er weinig mee op, omdat onderhoudskosten beperkt aftrekbaar zijn terwijl waardestijgingen volledig meetellen.
Schrappen van de verhoging in box 3
Vanwege de combinatie van juridische onzekerheid en politieke weerstand besloot de Tweede Kamer de geplande verhoging volledig te schrappen. Het forfait blijft rond de 6 procent en de vrijstelling daalt niet, maar stijgt licht mee met de inflatie tot net onder de 60.000 euro per persoon. Het wegvallen van ruim 2,5 miljard aan belastingopbrengst wordt gecompenseerd door een versnelde afbouw van de Wet Hillen.
Versnelde afbouw van de Wet Hillen
De Wet Hillen zorgt ervoor dat huiseigenaren die weinig of geen hypotheekrente aftrekken niet worden belast voor het feit dat zij in hun eigen woning wonen. Deze compensatie wordt sinds 2019 geleidelijk afgebouwd. Met de nieuwe politieke keuze wordt dit proces aanzienlijk versneld. De einddatum verschuift van 2048 naar 2041. Daardoor groeit het eigenwoningforfait sneller in belang, vooral voor huizen die grotendeels zijn afbetaald. Dit levert de overheid tot 2041 naar schatting bijna 2,8 miljard euro extra op, ongeveer het bedrag dat nodig is om het gat in box 3 te dichten. Volgens Kamerlid Grinwis komt dit voor een huishouden met een volledig afgeloste woning van ongeveer een half miljoen neer op tien euro extra belasting in 2026, oplopend met telkens een vergelijkbaar bedrag per jaar.
Gevolgen voor spaarders, beleggers en huiseigenaren
Voor spaarders en beleggers betekent de koerswijziging dat de forse stijging van het fictieve rendement voorlopig is afgewend. De druk op vastgoedbeleggers blijft echter bestaan, omdat huurinkomsten en waardestijgingen meetellen in het werkelijke rendement terwijl kosten vaak beperkt aftrekbaar zijn. Voor huiseigenaren met een afgeloste hypotheek wordt de belastingdruk via het eigenwoningforfait de komende jaren merkbaarder, mede omdat woningwaarden blijven stijgen. Hierdoor ontstaat een situatie waarin juist mensen die hun hypotheek grotendeels hebben afgelost geleidelijk meer belasting gaan betalen.
Vooruitblik op een nieuw stelsel vanaf 2028
Het kabinet werkt ondertussen aan een nieuw stelsel waarin vanaf 2028 het werkelijke rendement centraal staat. Dat betekent belasting op daadwerkelijke inkomsten zoals rente, dividend en huur, en op waardeontwikkelingen zoals koerswinsten.
De overwaarde van de eigen woning blijft buiten box 3, maar wanneer die overwaarde wordt verzilverd en wordt omgezet in spaargeld of beleggingen, valt zij alsnog onder het nieuwe regime. Of dit systeem in 2028 daadwerkelijk wordt ingevoerd is onzeker, omdat het politieke draagvlak voor vermogensheffing broos blijft. De Kamer moet uiterlijk in maart 2026 instemmen.
Nieuw stelsel in vooruitzicht
Hoewel de onmiddellijke lastenverzwaring voor box-3-beleggers is voorkomen, blijven de structurele problemen rond de vermogensbelasting bestaan. Het fictieve rendementssysteem staat juridisch onder druk, de tegenbewijsregeling is ingewikkeld en biedt niet altijd uitkomst, en huiseigenaren met een afgeloste hypotheek worden versneld zwaarder belast. Voor zowel spaarders als woningbezitters is het belangrijk hun fiscale positie goed in beeld te houden, zeker met een mogelijk ingrijpend nieuw stelsel in het vooruitzicht.
Voor particuliere beleggers betekent het schrappen van de verhoging in box 3 dat de directe druk op hun portefeuille tijdelijk afneemt, maar de onzekerheid over het toekomstige stelsel blijft groot. Juist in zo’n periode loont het om te letten op kosten en efficiëntie, omdat die factoren wél direct beïnvloedbaar zijn en op lange termijn het verschil in netto rendement bepalen.
MEXEM werd door Brokerskiezen.nl uitgeroepen tot beste allround broker van 2025. Beleggers handelen er tegen lage en transparante kosten, met valutakosten van 0,005 procent tegenover 0,25 procent bij DEGIRO en Saxo Bank, wat voor de gemiddelde belegger kan oplopen tot honderden tot duizenden euro’s per jaar. Daarmee geldt MEXEM voor veel beleggers als de meest complete keuze voor wie lage kosten en internationale spreiding belangrijk vindt.





















































