Vijfhonderd aandelen en toch leunt de S&P 500-ETF op tech
In het kort
CSPX biedt een goedkope, brede belegging in grote Amerikaanse ondernemingen, maar brede spreiding betekent niet dat alle sectoren even zwaar meetellen. Informatietechnologie vormde op 2 oktober bijna veertig procent van de portefeuille. Voor een Nederlandse belegger komt daar de invloed van de dollar bij, ook wanneer de ETF in euro’s wordt gekocht. De combinatie van sectorgewicht, winstgroei en waardering bepaalt hoeveel ruimte de koers van €739,53 laat.
Het prettige van een indexfonds is dat niet ieder bedrijf afzonderlijk hoeft te worden gekozen. Dat neemt een hoop moeilijke beslissingen weg. Eén vraag blijft wel bestaan: welke risico’s worden met die hele mand tegelijk gekocht? Bij CSPX is het antwoord minder gelijkmatig verdeeld dan het aantal van ongeveer vijfhonderd bedrijven doet vermoeden.
De ETF volgt de S&P 500. Grote bedrijven wegen zwaarder dan kleine, doordat de index in hoofdzaak de vrij verhandelbare beurswaarde volgt. Wanneer een groep grote technologiebedrijven sterk stijgt, neemt haar invloed op het fonds toe. Dat is een eigenschap van de index, geen fout van de fondsbeheerder. Een groot aantal namen is iets anders dan een gelijkmatige verdeling van economische risico’s.
Eerst weten welk fonds er op het scherm staat
Het gaat hier om de iShares Core S&P 500 UCITS ETF USD (Acc), ISIN IE00B5BMR087. De Amsterdamse beurslijn is CSPX en wordt in euro’s verhandeld. De fondsvaluta is dollar. Acc staat voor accumulerend: dividend dat de beleggingen opleveren, wordt binnen het fonds herbelegd in plaats van aan de belegger uitgekeerd.
De fondsinformatie van iShares vermeldt fysieke replicatie en jaarlijkse fondskosten van 0,07 procent. Fysieke replicatie betekent dat het fonds de onderliggende aandelen daadwerkelijk aanhoudt. De lage kosten zijn een duidelijk voordeel, zeker over lange perioden. Transactiekosten van de broker en persoonlijke belastingen vallen daar buiten.
De koersbasis is €739,53 op Euronext Amsterdam bij het slot van 2 oktober 2026 om 17.35 uur Nederlandse tijd, zichtbaar in de beursinformatie voor deze exacte Amsterdamse lijn. Ook de aanvullende De Belegger-momentopname toont €739,53, met een kwartier koersvertraging. De intrinsieke waarde in dollars is een ander getal: die mag niet zonder valutaomrekening naast de eurokoers worden gelegd alsof het een premie of korting is.
Technologie weegt ook buiten het sectorlabel
Volgens iShares bestond de portefeuille op 2 oktober voor 39,98 procent uit informatietechnologie. Dat is al een zwaar blok. Sommige ondernemingen die beleggers in het dagelijks taalgebruik ook technologiebedrijven noemen, zitten bovendien in communicatiediensten of consumentensectoren. Het officiële IT-percentage is dus geen volledige maatstaf voor de afhankelijkheid van digitalisering en AI.
Waarom maakt dat uit? Stel dat informatietechnologie twintig procent daalt, terwijl alle andere sectoren gemiddeld vijf procent stijgen. Bij ongewijzigde gewichten komt de hele portefeuille dan ongeveer vijf procent lager uit. De overige bedrijven dempen de klap, maar draaien die niet automatisch terug. De onderstaande verdeling maakt zichtbaar hoeveel invloed dat ene blok heeft:
Dit betekent niet dat technologie per definitie te duur of te riskant is. Grote winsten, sterke marges en een dominante marktpositie kunnen een hoog gewicht rechtvaardigen. De relevante vraag is of toekomstige resultaten al ruimschoots in de prijs zijn verwerkt. Een uitstekend bedrijf kan een matige belegging worden wanneer iedereen uitzonderlijke groei als vanzelfsprekend beschouwt.
In de analyse van Nvidia’s Blackwell- en Rubin-positie draait het daarom niet alleen om meer chips. Software, verbindingen en het gebruik van complete systemen bepalen waar de economische waarde terechtkomt. Voor een indexbelegger is die verdeling relevant: winsten bij de leverancier en hoge investeringen bij diens klanten zitten soms allebei in dezelfde portefeuille.
Een eurokoers biedt geen bescherming tegen de dollar
Een veelvoorkomend misverstand is dat kopen in euro’s het valutarisico wegneemt. De handelsvaluta vertelt in welke munt de transactie wordt afgerekend. De economische blootstelling volgt de bezittingen. Deze CSPX-klasse dekt de dollar niet af naar euro’s.
Een eenvoudig voorbeeld helpt. Een belegging stijgt tien procent in dollars, maar de euro-waarde van een dollar daalt tien procent. Honderd euro wordt eerst het equivalent van 110 euro en daarna 99 euro. Het resultaat is min één procent, niet nul. Rendementen worden vermenigvuldigd; de twee percentages simpel optellen geeft het verkeerde antwoord.
Amerikaanse multinationals verdienen zelf ook geld buiten de Verenigde Staten. Daardoor werkt valuta op twee niveaus: via de gerapporteerde bedrijfswinsten en via de omrekening van het aandeel naar euro’s. Die effecten kunnen elkaar deels opheffen, maar niet netjes voor ieder bedrijf of iedere periode. Een vaste claim dat een zwakkere dollar altijd slecht of altijd goed is voor Amerikaanse aandelen gaat daarom te ver.
Voor een belegger met toekomstige uitgaven in euro’s is de praktische vraag hoeveel wisselkoersschommeling draaglijk is. Dat is een andere keuze dan voorspellen waar de dollar volgende maand staat. Wie een lange beleggingshorizon heeft, kan nog steeds tijdelijk een fors verschil ervaren tussen de Amerikaanse beurskoppen en het eigen rekeningoverzicht.
Goedkoop beheer, stevige prijs voor de winst
De lage fondskosten moeten worden onderscheiden van de waardering van de bedrijven. Op 2 oktober vermeldde iShares voor de portefeuille een koers-winstverhouding van 29,27. Zo’n verhouding deelt de beurswaarde door de gebruikte winstbasis. Het is een momentopname volgens de fondsberekening, geen garantie voor toekomstige winst en geen analistenverwachting voor één volgend boekjaar.
Bij een omgekeerde waardering beginnen we met de vraag welk rendement de belegger wil behalen. Vervolgens rekenen we uit hoeveel winstgroei daarvoor nodig is als de waardering verandert. Bij acht procent gewenst jaarlijks rendement tot eind 2029, een eindwaardering van 26 keer winst en een onveranderde dollar vraagt het model ongeveer elf procent jaarlijkse winstgroei. Daarbij zijn één procent herbelegd netto dividend en de fondskosten als afzonderlijke aannames verwerkt.
Dat is meer groei dan het gewenste rendement zelf. De reden is eenvoudig: een dalende prijs per euro winst eet een deel van de winstgroei op. Het werkt ook andersom. Als beleggers later meer voor dezelfde winst betalen, kan de koers harder stijgen dan de winst. Die extra meevaller is alleen geen prestatie die de bedrijven zelf kunnen afdwingen.
De gevoeligheid staat hier uitgewerkt. Het model start op 4 oktober 2026 en loopt ongeveer 3,24 jaar tot eind 2029:
Lees ook: Bloom Energy gaat de S&P 500 in, maar is de waardering te verdedigen? Indexopname en daaruit voortvloeiende koopvraag veranderen niet vanzelf wat een onderneming economisch waard is.
Wat de drie scenario’s wel en niet zeggen
Voor eind 2027, 2028 en 2029 rekent het bearpad met twee procent jaarlijkse daling van de winst per aandeel, een geleidelijke waarderingsdaling naar 21 keer winst en vier procent jaarlijkse daling van de euro-waarde van de dollar. De mogelijke koersen zijn dan €610,78, €523,47 en €448,64.
Het middenpad neemt zeven procent winstgroei, een eindwaardering van 26 en een onveranderde dollar aan. Dat geeft €777,47, €809,48 en €842,80. In het gunstige pad groeit de winst elf procent per jaar, eindigt de waardering op 31 en stijgt de euro-waarde van de dollar jaarlijks twee procent. Dan volgen €891,96, €1.037,49 en €1.206,76.
Alle paden bevatten één procent netto dividendherbelegging en 0,07 procent fondskosten per jaar. Winstgroei is groei per aandeel en omvat dus al het netto-effect van aandeleninkoop en verwatering binnen de bedrijven. De formule vermenigvuldigt de startkoers met winstgroei, de verandering in waardering, herbelegging, kosten en valuta. De perioden zijn ongeveer 1,24, 2,24 en 3,24 jaar. De volledige invoer staat bij de grafiek.
Bij dit accumulerende fonds is herbelegd dividend al onderdeel van de mogelijke ETF-koers. Het nogmaals bijtellen als apart rendement zou dubbel tellen. Zonder uitkeringen is het koersrendement van deze participatie tevens het beleggersrendement vóór transactiekosten en persoonlijke belasting. Dat verschilt van het koersrendement van een losse verzameling aandelen waaruit dividend wordt uitgekeerd.
Het sterkste argument voor CSPX blijft overtuigend: de belegger koopt breed toegang tot Amerikaanse ondernemingen, tegen lage doorlopende kosten, zonder iedere winnaar vooraf te hoeven aanwijzen. Het sterkste bezwaar is niet dat zo’n fonds ondeugdelijk is, maar dat het geen ontsnapping biedt aan een hoge gezamenlijke waardering, sectorconcentratie of valutarisico.
Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting.
Een volgende aankoopbeslissing hoeft daarom niet te beginnen met een voorspelling van de eerstvolgende beursweek. De nuttigere vraag is of een portefeuille een periode aankan waarin technologie tegenvalt én de dollar daalt. Wie dat vooraf begrijpt, heeft aan het brede indexfonds meer dan iemand die vijfhonderd namen verwart met vijfhonderd onafhankelijke vangnetten.
Foto: Larry Fink en Duncan Niederauer tijdens een bijeenkomst in Davos op 23 januari 2014. Financial Times/Marcel Giger, CC BY 2.0; archief via Wikimedia Commons.








































































































































Opmerkingen