ING boekt bijna twee miljard euro kwartaalwinst en toch is dat niet genoeg zolang groei, dividend en inkoop dezelfde kapitaalbuffer delen
In het kort
ING sloot het tweede kwartaal van 2026 af met een CET1-ratio van 13,1%, rond de eigen doelstelling van ongeveer 13%. De bank heeft daarmee geen enorme zichtbare kapitaalberg boven doel, maar genereert wel nieuw kapitaal uit winst.
De kwartaalwinst bedroeg €1,947 miljard en het rendement op tastbaar eigen vermogen was 17%. ING kondigde €0,40 interimdividend per aandeel aan.
Bij €31,52 draait de belegging om kapitaaldiscipline: hoeveel winst gaat naar kredietgroei, hoeveel naar dividend en inkoop, en hoeveel buffer blijft over voor kredietverliezen en strengere regels?
Een bank kan tegelijk veel winst maken en weinig kapitaal boven de eigen doelstelling hebben. Dat klinkt tegenstrijdig, maar de winst wordt verdeeld over groei, dividend, aandeleninkoop en buffers. Nieuwe leningen leveren rentebaten op en vergroten de risicogewogen activa. Daardoor vraagt groei extra kernkapitaal. Een buyback verlaagt het aantal aandelen, maar ook de kapitaalbuffer. De waarde van ING hangt dus niet alleen af van de kwartaalwinst. De bestemming van iedere euro winst telt mee.
Bij de cijfers van 30 juli meldde ING €2,919 miljard winst voor belasting en €1,947 miljard nettowinst. De return on tangible equity, het rendement op tastbaar eigen vermogen, bedroeg 17% in het kwartaal en 14,5% over de voorgaande vier kwartalen. De CET1-ratio kwam uit op 13,1%. Dit zijn sterke cijfers. Ze zeggen nog niet dat 17% ieder jaar herhaalbaar is.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
Wat 13,1 procent werkelijk betekent
CET1 is het kernkapitaal dat als eerste verliezen opvangt. De ratio deelt dat kapitaal door risicogewogen activa, afgekort RWA. Een hypotheek met een laag risicogewicht gebruikt minder kapitaal dan een risicovolle bedrijfslening van dezelfde omvang. Daardoor kan het balanstotaal groeien zonder dat RWA even hard stijgen, of andersom.
ING stuurt op ongeveer 13% CET1. De wettelijke eis lag eerder in 2026 rond 11%, maar een bank houdt ruimte boven de minimumeis voor onzekerheid, groei en toezicht. Het verschil tussen 13,1% en 13,0% is tien basispunten. Op circa €340 miljard model-RWA staat dat gelijk aan ongeveer €340 miljoen kapitaal. Zo wordt zichtbaar waarom een tiende procentpunt voor een bank materieel is.
De kapitaalmodule laat RWA, de actuele ratio en de gekozen doelratio bewegen. De standaarduitkomst toont slechts een beperkte directe ruimte boven 13%. Dat betekent niet dat ING niets kan uitkeren. Kwartaalwinsten voegen kapitaal toe voordat dividend, inkoop en groei worden verwerkt. Het betekent wel dat distributies uit de nieuwe kapitaalgeneratie moeten komen en niet uit een onbeperkte historische buffer.
Een significante risicotransfer kan RWA verlagen zonder dat de klantlening van de balans verdwijnt. ING meldde in Q2 ongeveer €1 miljard RWA-verlichting uit zo’n transactie. Dat is nuttig, maar op honderden miljarden RWA geen volledige oplossing. De kwaliteit van het overgedragen risico en de kosten van de transactie horen bij de beoordeling.
Groei gebruikt dezelfde buffer die de aandeelhouder wil ontvangen
ING meldde in het tweede kwartaal €15,2 miljard netto groei van kernleningen en €15,9 miljard instroom van kerndeposito’s. Meer leningen kunnen rentebaten verhogen. Deposito’s leveren financiering. De marge tussen beide hangt af van rente, concurrentie en de snelheid waarmee tarieven worden aangepast.
Kredietgroei is dus niet gratis. De bank moet kapitaal aanhouden tegen extra RWA en verwacht kredietverliezen opvangen. Een lening met 45% gemiddeld risicogewicht van €30 miljard creëert €13,5 miljard extra RWA. Bij 13% CET1 is daarvoor ongeveer €1,76 miljard kernkapitaal nodig. De rentebaten moeten ruim voldoende zijn om dat kapitaal, operationele kosten en kredietrisico te vergoeden.
De groeimodule laat precies die afweging zien. Bij de standaardinvoer levert €30 miljard nieuwe leningen en 1,2% netto rentemarge ongeveer €360 miljoen jaarlijkse rentebaten vóór kosten en verliezen. Daartegenover staat de genoemde kapitaalbehoefte. Wanneer kredietkwaliteit goed blijft, kan dat aantrekkelijk zijn. Bij hogere verliezen of scherpe prijsconcurrentie kan de opbrengst op het extra kapitaal tegenvallen.
Dit is waarom een hoge CET1-ratio niet automatisch betekent dat alles naar aandeelhouders kan. Een bank die winstgevend wil groeien, reserveert een deel van haar winst. Een bank met weinig aantrekkelijke groei kan meer inkopen. De beste uitkomst is niet de grootste distributie in één jaar, maar het hoogste duurzame rendement per aandeel zonder de buffer uit te hollen.
Aandeleninkoop en boekwaarde per aandeel
ING heeft de afgelopen jaren grote bedragen via inkoop teruggegeven. In april 2026 kondigde de bank een programma tot €1 miljard aan. De economische logica hangt af van de prijs ten opzichte van intrinsieke waarde en het rendement dat de bank op het ingehouden kapitaal kan behalen.
Wanneer ING onder tastbare boekwaarde inkoopt, stijgt de tastbare boekwaarde per overblijvend aandeel mechanisch. Boven boekwaarde kan zij dalen. Winst per aandeel stijgt meestal zolang dezelfde totale winst over minder aandelen wordt verdeeld. Dat maakt een buyback niet altijd goed: de bank verliest kapitaal dat anders voor groei of tegenvallers beschikbaar was.
Bij €1 miljard budget en €31,52 gemiddelde prijs koopt het model ongeveer 31,7 miljoen aandelen. Op een basis van 3,2 miljard stukken is dat bijna 1%. Met €7,8 miljard modeljaarwinst stijgt de winst per aandeel mechanisch ongeveer evenveel. Het werkelijke aantal aandelen, de gemiddelde inkoopprijs en jaarwinst bewegen. De module toont het verband, geen ING-prognose.
Een buyback mag niet dubbel worden geteld. De hogere winst per aandeel zit al in de toekomstige EPS. Het bedrag van €1 miljard kan dan niet nogmaals bij de marktwaarde worden opgeteld alsof de kas ook is gebleven. De onderneming ruilt cash en kapitaal voor minder aandelen.
Waar komt de winst vandaan?
De winstkwaliteit is breed. Netto rentebaten blijven belangrijk, maar fee-inkomsten groeiden in Q2 14% op jaarbasis naar €1,278 miljard. Fees uit betalen, beleggen en zakelijke diensten maken de inkomsten minder afhankelijk van één rentecurve. Ze zijn niet risicoloos: markten, klantactiviteit en regelgeving kunnen ze bewegen.
De kredietkosten bedroegen volgens ING 15 basispunten van gemiddelde klantleningen, onder het niveau dat de bank door de cyclus verwacht. Lage kredietkosten helpen de huidige winst. Voor een normaliseerde waardering is het verstandig niet te veronderstellen dat dit uitzonderlijk lage niveau altijd blijft. Een stijging van voorzieningen kan honderden miljoenen van de jaarwinst afhalen.
Kosten vormen de tweede tegenkracht. Looninflatie, technologie, compliance en groei-investeringen drukken de operationele hefboom. Hogere inkomsten zijn pas waardevol wanneer de kosten minder snel stijgen. De verhoogde vooruitzichten voor fee-inkomsten en totaalinkomen in 2026 en 2027 zijn positief, maar blijven verwachtingen van het management.
Sterke tegenargumenten
Het eerste risico is een snelle rentedaling. Depositorentes kunnen trager dalen dan de opbrengst op activa, waardoor de rentemarge krimpt. Het tweede is een recessie met meer kredietverliezen. Dan daalt mogelijk tegelijk de vraag naar nieuwe leningen. Het derde is regelgeving: hogere buffers of modelwijzigingen kunnen de RWA verhogen zonder dat de nominale leningportefeuille groeit.
Het vierde risico is commercieel. Digitale banken, brokers en betaalbedrijven concurreren op klantrelaties en fees. ING investeert in technologie om schaalvoordelen te behouden. Een groot klantenbestand is pas waardevol wanneer klanten meerdere winstgevende producten gebruiken en niet alleen een goedkope betaalrekening.
Het vijfde is kapitaalallocatie. Een grote inkoop op een hoge koers kan minder waarde creëren dan kredietgroei of een later programma. Te weinig uitkering kan de balans onnodig zwaar maken. Het bestuur moet voortdurend kiezen onder onzekere rente en kredietkwaliteit.
Welke winst vraagt €31,52 plus dividend?
Banken worden vaak op winst en tastbare boekwaarde gewaardeerd. Voor de koersscenario’s gebruiken wij winst per aandeel. De reverse module houdt dividend apart. Bij 9% gewenst totaalrendement, €1,25 jaarlijks dividend en negen keer eindwinst vraagt de formule in september 2029 ongeveer €3,50 winst per aandeel. De benodigde eindkoers ligt dan rond €31,50 plus het samengestelde rendement minus de opgerente dividenden.
Een eindmultiple van negen is gematigd wanneer ING duurzaam 14% tot 16% rendement op tastbaar eigen vermogen behaalt en de kredietkwaliteit goed blijft. Zij kan te hoog zijn bij recessie of strengere kapitaaleisen. Zij kan laag zijn wanneer fees structureel groeien en de winst stabieler wordt. De module laat zien dat dividend veel van het totaalrendement kan leveren. Het maakt een stagnerende winst niet onbeperkt goed.
De interimuitkering van €0,40 is een feit uit Q2. Het jaarlijkse dividend van €1,25 in het model is een aanname en geen toezegging. Cashdividend en aandeleninkoop moeten beide uit kapitaalgeneratie worden betaald. Wie de twee volledig boven op EPS-groei legt, kan dezelfde winst drie keer waarderen.
Drie paden voor 2027, 2028 en 2029
Het bearscenario gebruikt winst per aandeel van €2,50, €2,35 en €2,20 met dalende multiples van negen naar acht. De koersuitkomsten zijn ongeveer €22,50, €20 en €17,60, exclusief dividend. Dit pad past bij margedruk, hogere kredietkosten en een lagere waardering.
Het middenscenario gaat uit van €2,90, €3,15 en €3,40 winst per aandeel bij 10,5 keer winst. De koersen komen rond €30,45, €33,08 en €35,70. Het gunstige scenario combineert €3,20, €3,60 en €4 met twaalf keer winst en geeft €38,40, €43,20 en €48.
De scenario’s maken zichtbaar dat dividend belangrijk is. De middenkoers groeit vanaf €31,52 niet spectaculair, maar het totaalrendement kan door cashuitkeringen degelijk zijn. Het bearscenario blijft ondanks dividend pijnlijk. Het gunstige scenario vereist dat hoge ROTE, groei en kapitaaluitkering samen standhouden.
ING presenteerde een sterk tweede kwartaal. De bank groeit klanten, leningen, deposito’s en fees, terwijl de kredietkosten laag blijven. Bij €31,52 is de beleggersvraag niet of Q2 goed was, maar hoeveel daarvan normaliseerbaar is. De komende kwartalen verdienen vooral CET1, RWA, rentemarge, fee-groei, kredietkosten en het aantal aandelen aandacht. Kapitaal dat rond 13% doel blijft, moet ofwel winstgevend groeien, ofwel efficiënt terug naar de aandeelhouder. Stilstaand kapitaal is voor een bank evenmin gratis.








































































































































Opmerkingen