top of page

Trap niet in de hoogste vergoeding voor je zonnestroom

1 uur geleden
8 minuten om te lezen

In het kort

Een hogere vergoeding voor teruggeleverde zonnestroom klinkt aantrekkelijk, maar kan samengaan met duurdere stroominkoop. Vooral huishoudens met een elektrische auto moeten daarom de hele rekening vergelijken. In ons rekenvoorbeeld levert het contract met de hoogste netto terugleververgoeding jaarlijks €50 meer op aan zonnestroom, terwijl het huishouden onder de streep €74 duurder uit is. Overdag laden kan meer besparen, mits de auto thuisstaat en de zonnestroom daadwerkelijk beschikbaar is.

Meer geld krijgen voor stroom van het eigen dak voelt als goed nieuws. Zeker nu het einde van salderen dichterbij komt en veel huishoudens proberen uit te zoeken wat hun zonnepanelen vanaf volgend jaar nog opleveren. Een paar cent extra vergoeding per kilowattuur is dan een begrijpelijk aanknopingspunt.

Op 1 oktober meldde Energievergelijk dat verschillende leveranciers hun terugleververgoedingen voor 2027 hadden verhoogd. Dat bericht maakt een andere vraag relevant. Wat gebeurt er tegelijk met de prijs van stroom die datzelfde huishouden moet inkopen?

Een leverancier betaalt misschien meer voor de stroom van het dak, maar kan ook meer rekenen voor het opladen van de auto. Wie alleen de vergoeding vergelijkt, bekijkt de inkomsten en laat een belangrijke kostenpost liggen. Juist na het salderen kan dat een verkeerde keuze opleveren.

Twee geldstromen die niet meer tegen elkaar wegvallen

De wettelijke salderingsregeling stopt op 1 januari 2027. Tot en met 2026 kan teruggeleverde zonnestroom binnen de regeling worden weggestreept tegen afgenomen stroom. Daarna moeten huishoudens de prijs van ingekochte elektriciteit en de opbrengst van teruglevering afzonderlijk bekijken.

Dat betekent ook dat de wettelijke minimumvergoeding gemakkelijk verkeerd wordt gelezen. Tot 2030 geldt ten minste 50% van het kale leveringstarief, dus zonder energiebelasting en btw. Dat is geen belofte dat de helft van de volledige consumentenprijs netto overblijft. Er kunnen ook terugleverkosten zijn.

Stel dat een contract 11 cent per teruggeleverde kilowattuur vergoedt en daarvoor 8 cent aan kosten rekent. Dan blijft 3 cent over. Een ander contract vergoedt 15 cent en rekent 10 cent kosten. Netto is dat 5 cent. Dit zijn verzonnen tarieven om de berekening uit te leggen, geen aanbiedingen van leveranciers.

Bij Eneco blijven terugleverkosten vanaf 2027 bestaan. Het bedrijf beschrijft een bedrag per teruggeleverde kilowattuur en vermeldt bij nieuwe contracten afzonderlijke tariefperiodes vóór en vanaf 1 januari 2027. Een bedrag dat op een vergelijkingsscherm staat, moet dus ook bij de juiste periode horen.

Hoe een betere vergoeding toch €74 extra kost

Neem een huishouden met zonnepanelen en een elektrische auto. Het koopt in een jaar 5.000 kilowattuur uit het net en levert 2.500 kilowattuur terug. Dat zijn de twee afzonderlijke meterstanden over het jaar. De zonnestroom die rechtstreeks thuis wordt gebruikt, zit niet in die teruglevering.

We vergelijken twee denkbeeldige contracten voor 2027. Bij contract A kost ingekochte elektriciteit 28 cent per kilowattuur inclusief belastingen. De netto terugleververgoeding is 3 cent en de vaste leverancierskosten zijn €120 per jaar. Bij contract B zijn die bedragen respectievelijk 30 cent, 5 cent en €144.

Voor A is de som: 5.000 × €0,28 + €120 − 2.500 × €0,03 = €1.445. Voor B wordt het: 5.000 × €0,30 + €144 − 2.500 × €0,05 = €1.519.

B betaalt inderdaad €50 meer voor de zonnestroom. Daar staan €100 extra inkoopkosten en €24 hogere vaste kosten tegenover. Per saldo is B €74 duurder. De hogere terugleververgoeding is echt, maar het voordeel verdwijnt elders op dezelfde rekening.

We vergelijken hier het leveranciersdeel van de stroomrekening. Netbeheerkosten en de vermindering energiebelasting zijn buiten de som gehouden, omdat we uitgaan van dezelfde aansluiting en hetzelfde recht op die belastingvermindering. Gas, welkomstbonussen en eventuele overstapkosten ontbreken eveneens. Bij een echte overstap horen ook die relevante verschillen in de vergelijking. De voorbeelden zijn consumentenbedragen, geen berekening voor een ondernemer die btw terugvraagt.

Een elektrische auto verandert het gewicht van twee cent

Het verschil tussen 28 en 30 cent lijkt klein. Maar twee cent over 5.000 kilowattuur is €100. Dat is tweemaal zoveel als twee cent extra vergoeding over 2.500 kilowattuur teruglevering.

De uitkomst is niet voor ieder huishouden hetzelfde. Bij deze twee voorbeeldcontracten is het verschil exact: 2 cent maal de netafname, plus €24 vaste meerkosten, min 2 cent maal de teruglevering. B wordt pas goedkoper als het huishouden jaarlijks meer dan 1.200 kilowattuur méér teruglevert dan het uit het net koopt.

Een huishouden dat 2.000 kilowattuur inkoopt en 4.000 teruglevert, is daardoor €16 goedkoper uit bij B. Dat is een andere situatie dan het huishouden met de auto en 5.000 kilowattuur inkoop. Dezelfde tarieven, een andere winnaar.

Wie binnenkort elektrisch gaat rijden, moet daarom niet uitsluitend de laatste jaarafrekening invullen. Als de auto bijvoorbeeld 3.000 kilowattuur extra netafname veroorzaakt, stijgt het nadeel van het duurdere inkooptarief in ons voorbeeld met €60. Dat is een aanname over laden aan huis, geen gemiddeld verbruik van elke elektrische auto. Laden op het werk of rechtstreeks met zonnestroom kan die extra netafname beperken.

Hier zit ook het belang voor de energiemarkt. Een leverancier kan op één opvallend tarief aantrekkelijk ogen, terwijl de samenhang tussen verschillende tarieven zijn aanbod pas bepaalt. Uit de vergoeding alleen valt dus evenmin af te leiden hoeveel winst een leverancier op een klant maakt. Daarvoor ontbreken onder meer zijn inkoopkosten en risico’s.

Oudere contracten verdienen een tweede blik

Een bijzondere voorwaarde kan belangrijker zijn dan een klein tariefverschil. Vattenfall beschrijft bijvoorbeeld een uitzondering voor vaste contracten die vóór 24 juni 2025 zijn afgesloten en na 1 januari 2027 doorlopen. Binnen de afgesproken vasteprijsperiode blijft bij het verrekenen van de betreffende stroom het kale leveringstarief van belang. Energiebelasting en btw moeten vanaf 2027 wel over alle geleverde stroom worden betaald. Voor een overschot en eventuele vaste terugleverkosten gelden de beschreven contractafspraken.

Dat is geen verlenging van de wettelijke salderingsregeling. Het is een specifieke contractuele situatie. Het voorbeeld laat wel zien waarom zomaar overstappen ongunstig kan zijn. Eerst vaststellen wat het bestaande contract werkelijk oplevert, daarna pas vergelijken met een nieuw aanbod.

Vraag bij twijfel om een berekening op basis van precies dezelfde hoeveelheden afname en teruglevering. Laat de leverancier aangeven welke voorwaarden vanaf januari gelden en welke tot het einde van het contract blijven staan. Een voorschotbedrag is daarvoor onvoldoende: een lager voorschot kan later gewoon een hogere bijbetaling opleveren.

De auto overdag laden haalt twee posten tegelijk weg

Er is nog een manier om de rekening te verlagen. Niet door een andere vergoeding te zoeken, maar door minder stroom heen en weer te sturen tussen huis en elektriciteitsnet.

Milieu Centraal legt uit dat slim laden het laadmoment en eventueel het vermogen kan aanpassen aan onder meer beschikbare zonnestroom. Daarvoor hoeft niet ieder onderdeel nieuw te zijn. Een geschikte auto, laadpaal of app kan de sturing verzorgen, mits de onderdelen met elkaar kunnen communiceren.

In ons huishouden verschuiven we 800 kilowattuur laden van uren zonder zon naar uren met een werkelijk overschot. Bij contract A daalt de netafname van 5.000 naar 4.200 kilowattuur. De teruglevering daalt tegelijk van 2.500 naar 1.700 kilowattuur.

De vermeden inkoop is 800 × €0,28 = €224. Maar het huishouden ontvangt ook 800 × €0,03 = €24 minder voor teruglevering. Netto blijft €200 besparing over. De nieuwe som is 4.200 × €0,28 + €120 − 1.700 × €0,03 = €1.245.

De terugleverkosten zijn al verwerkt in de nettovergoeding van 3 cent. Die mogen dus niet nóg eens als afzonderlijke besparing worden opgeteld. Ook is dit hetzelfde aantal gereden kilometers. We rekenen met energie aan de laadpuntzijde en gelijkblijvende laadverliezen; als een andere laadsnelheid meer verlies veroorzaakt, moet de werkelijk vermeden netafname daarvoor worden gecorrigeerd.

Deze besparing vereist geen teruglevering vanuit de auto. V2H betekent stroom uit de auto naar het huis, V2G naar het elektriciteitsnet. V2L is een stroomvoorziening voor losse apparaten en vormt op zichzelf geen bewijs dat een auto het huis of net kan voeden. Hier laden we uitsluitend voor het rijden. Er zijn dus geen inkomsten uit handel, geen extra ontlaadcycli voor het huis en geen veronderstelde V2G-vergoeding opgenomen.

Wat mag extra laadsturing dan kosten?

Eerst de timer gebruiken die al in de auto of laadpaal zit. Pas daarna is een betaalde aanvulling aan de beurt. Een verkoper mag niet alle opbrengst van laden op zonnestroom aan zijn apparaat toeschrijven als een groot deel daarvan ook zonder dat apparaat haalbaar was.

Veronderstel daarom een aanvullende regeling van €250, met €12 jaarlijkse gebruikskosten. Beide bedragen zijn rekenaannames, geen productofferte. We tellen alleen het extra laden op eigen zonnestroom dat deze regeling boven op de al gebruikte gratis planning mogelijk maakt.

In het lage scenario verschuift de aanvulling jaarlijks 400 kilowattuur extra en is het voordeel per kilowattuur 15 cent. Na €12 kosten resteert €48. In het middenscenario zijn dat 800 kilowattuur en 25 cent, ofwel €188 netto. In het hoge scenario gaat het om 1.200 kilowattuur en 30 cent, wat €348 netto oplevert.

Voor 2027, 2028 en 2029 gebruiken we binnen elk scenario dezelfde aannames. Zo blijft zichtbaar wat de benutting doet. Dit zijn geen voorspellingen van energieprijzen: het voordeel per kilowattuur staat voor de vermeden inkoopprijs minus de misgelopen netto terugleververgoeding. Een dalende inkoopprijs, een stijgende vergoeding of minder thuisdagen kan het voordeel verkleinen.

De omgekeerde vraag is nuttiger dan een losse terugverdientijd. Welke opbrengst is minimaal nodig om €250 binnen deze drie jaar te rechtvaardigen? Bij een aangenomen rekenrente van 5% en besparingen aan het einde van ieder jaar moet jaarlijks ongeveer €91,80 netto overblijven. Want €91,80 gedeeld door 1,05, plus hetzelfde bedrag gedeeld door 1,05² en 1,05³, is samen ongeveer €250.

Tel de jaarlijkse €12 gebruikskosten erbij en deel door 25 cent voordeel per kilowattuur. Dan moet de aanvullende regeling ongeveer 416 kilowattuur per jaar extra verschuiven om die investering te dragen. We ronden naar boven af. Er is geen restwaarde na drie jaar ingerekend. Wie financiert, moet de eigen financieringslasten meenemen.

Het lage scenario draagt in deze berekening maximaal ongeveer €131 investering, het midden €512 en het hoge €948. De prijs van €250 is dus niet vanzelf aantrekkelijk. Het antwoord hangt vooral af van hoeveel extra laadmomenten de betaalde regeling werkelijk kan benutten.

Begin bij twee meterstanden en de agenda

Een huis kan op jaarbasis veel zonnestroom overhouden en toch weinig geschikt laadoverschot hebben. De auto staat misschien juist overdag bij de werkgever. De winter kent andere omstandigheden dan het voorjaar. Alleen het jaartotaal van de panelen bekijken, is daarom niet genoeg.

Een bruikbare voorbereiding begint bij de afzonderlijke netafname en teruglevering van de afgelopen twaalf maanden. Daarna volgt de vraag welke laadbeurten werkelijk naar zonnige uren kunnen, zonder problemen met de volgende rit. Meet dat waar mogelijk per kwartier of uur, zodat een overschot op maandag niet wordt gebruikt om een laadbeurt op dinsdag te verklaren.

Met dat aangepaste profiel kan het energiecontract opnieuw worden doorgerekend. Bij dynamische tarieven moeten de hoeveelheden aan de bijbehorende tijdprijzen worden gekoppeld; één gemiddeld inkooptarief en één gemiddelde exportprijs kunnen dan een vertekend beeld geven. Ook goedkoop laden op de landelijke stroommarkt bewijst op zichzelf niet dat de plaatselijke kabel op dat moment ruimte over heeft.

De hoogste terugleververgoeding kan een goed onderdeel van een aanbod zijn. De beste keuze volgt pas wanneer ook de ingekochte stroom, vaste kosten, bestaande afspraken en werkelijke laadmomenten zijn meegerekend. Voor een huishouden met een elektrische auto zit het verschil vaak juist aan de kant van de stroom die nog moet worden betaald.

Omslagfoto: Sophie Hermans, die als minister van Klimaat en Groene Groei in 2024 het wetsvoorstel voor beëindiging van salderen mede indiende. Archieffoto van 16 februari 2026. Martijn Beekman en Valerie Kuypers / Rijksoverheid, gebruikt onder de voorwaarden voor redactioneel gebruik door nieuwsmedia.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page