Rabobank kan 36,7 miljoen eigen certificaten alsnog verkopen
In het kort
Rabobank Certificaten noteerden op 25 september op 108,43 procent van de nominale waarde. Eén certificaat heeft een nominale basis van €25. Rabobank bezit zelf 36,7 miljoen van de 313,0 miljoen uitgegeven certificaten en kan die naar eigen inzicht later verkopen of intrekken. Dat mogelijke aanbod telt naast rente, vergoeding en kapitaalbuffer.
De officiële certificatenpagina noemt een totale nominale omvang van €7,8 miljard. Het instrument met ISIN XS1002121454 is eeuwigdurend en verliesabsorberend kapitaal. De vergoeding is discretionair. Dit is daarom geen deposito en ook geen gewoon aandeel.
Een notering van 108,43 betekent ongeveer €27,11 per certificaat. Bij een vergoeding van 6,5 procent over €25 is de jaarlijkse vergoeding €1,625, als Rabobank volledig betaalt. Het lopende rendement is dan ongeveer 5,99 procent.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
Eigen bezit kan aanbod worden
Rabobank houdt 36,7 miljoen certificaten voor eigen rekening na de tender van 2024. Dat is ongeveer 11,7 procent van het uitgegeven aantal. De bank kan certificaten intrekken, vasthouden of opnieuw verkopen. Elk pad heeft een ander effect.
Intrekken verkleint het uitstaande nominale kapitaal. Vasthouden verandert het vrije beursaanbod niet. Herverkoop vergroot het verhandelbare aanbod en kan tijdelijk druk geven wanneer de vraag niet even snel stijgt. Rabobank heeft geen verplichting om een bepaalde keuze of timing te volgen.
Voor de kapitaalpositie kan eigen bezit anders werken dan voor de beursprijs. De prudentiële behandeling hangt af van regels en goedkeuringen. Een belegger moet daarom niet aannemen dat de 36,7 miljoen stukken vanzelf verdwijnen.
De vergoeding blijft discretionair
De 6,5 procent is geen gegarandeerde obligatiecoupon. Rabobank kan een vergoeding overslaan en certificaten kunnen verliezen absorberen wanneer kapitaal ontoereikend wordt. De CET1-ratio geeft inzicht in de buffer, maar is geen garantie op betaling.
De ECB verhoogde op 10 september de depositorente met 25 basispunten naar 2,50 procent. Een hogere risicovrije rente verhoogt doorgaans het rendement dat beleggers voor een eeuwigdurend bankinstrument eisen. Wanneer de vereiste yield stijgt, daalt de prijs die bij dezelfde vergoeding past.
Wat vraagt koers 108,43?
Een eenvoudige perpetuity-benadering deelt de jaarlijkse vergoeding door het vereiste rendement. Bij €1,625 vergoeding en 6 procent rendement ontstaat €27,08, of 108,33 procent van €25 nominaal. Dat ligt dicht bij de beursnotering.
Stijgt het vereiste rendement naar 7 procent, dan daalt de modelprijs naar €23,21 of 92,86 procent. Daalt het naar 5 procent, dan stijgt de modelprijs naar €32,50 of 130 procent. De gevoeligheid is groot omdat er geen vaste einddatum is waarop €25 wordt terugbetaald.
Het optimistische argument is de sterke kapitaalpositie en de aantrekkelijke vergoeding boven staatsrente. Het sterke tegenargument is dat de belegger een eeuwigdurend, achtergesteld en discretionair instrument koopt boven nominale waarde. Een hogere marktrente of grotere risicopremie kan jaren koersdruk geven.
De koersbasis leidt gemakkelijk tot verwarring. Een notering van 108,43 is geen prijs van €108,43 per certificaat. Het is 108,43 procent van €25 nominaal, dus ongeveer €27,11. Wie het lopende rendement berekent met de verkeerde basis, overschat of onderschat de inkomsten sterk.
Daarnaast is er geen vaste aflossingsdatum die de koers vanzelf naar 100 trekt. Bij een gewone obligatie ontstaat richting einde vaak een koersanker rond de terugbetaling. Dit instrument is eeuwigdurend. De marktprijs blijft daardoor sterk afhankelijk van de vergoeding, rente en risicopremie.
Vergoeding en totaalrendement zijn ook niet hetzelfde. Een belegger kan jaarlijks 5,99 procent lopend rendement ontvangen en toch verlies maken wanneer de notering van 108 naar 90 daalt. Omgekeerd kan een dalende vereiste yield koerswinst opleveren. De driejaarscenario's combineren daarom ontvangen vergoeding en mogelijke prijsbeweging niet tot één gegarandeerd getal.
Liquiditeit verdient eveneens aandacht. Het dagelijkse handelsvolume is kleiner dan bij grote AEX-aandelen. Een nieuwe verkoop door Rabobank kan daardoor meer effect hebben dan het percentage van het totale uitstaande kapitaal doet vermoeden. Wie een limietorder gebruikt, verkleint het risico op een onverwacht slechte uitvoering, maar niet het structurele prijsrisico.
Drie mogelijke paden
In het bearscenario loopt de vereiste yield op en wordt de vergoeding verlaagd. Mogelijke noteringen zijn 92 in 2027, 88 in 2028 en 85 in 2029. In het middenscenario blijft de vergoeding op 6,5 procent en beweegt de vereiste yield beperkt, met 105, 108 en 110. In het gunstige scenario blijft de kapitaalbuffer sterk en daalt de vereiste spread: 114, 119 en 124 procent van nominaal.
Dit zijn prijsscenario's, geen koersdoelen. Het totaalrendement bestaat uit koersverandering plus daadwerkelijk ontvangen vergoedingen. Een overgeslagen vergoeding wordt niet automatisch later ingehaald.
Rabobank Certificaten kunnen een hoog lopend inkomen bieden, maar de vergoeding is niet het hele verhaal. Vanaf 108,43 betaalt de belegger boven pari en draagt hij rente-, kapitaal- en aanbodrisico. De 36,7 miljoen stukken op de eigen balans maken duidelijk dat ook de hoeveelheid verhandelbare certificaten kan veranderen.
Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.








































































































































Opmerkingen