top of page

Meer winkelomzet komt dit keer vooral uit extra aankopen

39 minuten geleden
7 minuten om te lezen

In het kort

De Nederlandse detailhandel boekte in augustus 3,5 procent meer omzet dan een jaar eerder, terwijl het verkoopvolume 2,7 procent steeg. Dit keer kwam de groei dus vooral uit extra verkochte goederen en niet alleen uit hogere prijzen. Vooral non-food en online winkelen trokken de cijfers omhoog, terwijl voedingswinkels nauwelijks groeiden. Voor beleggers is dat positief, maar één sterke maand is nog geen bewijs van een nieuwe consumptiegolf.


Een omzetcijfer van 3,5 procent klinkt op het eerste gezicht bescheiden. Toch zit er een belangrijk verschil met veel eerdere maanden in: het verkochte volume steeg bijna even hard. Rekenen we het verschil multiplicatief uit, dan blijft voor de totale detailhandel ongeveer 0,8 procent over als prijs- en mixeffect. Dat effect omvat niet alleen prijsveranderingen, maar ook een verschuiving naar duurdere of goedkopere producten.


De samenstelling maakt het beeld interessanter. Non-foodwinkels haalden 5,0 procent meer omzet en verkochten 3,5 procent meer volume. Voedingswinkels bleven steken op 0,9 procent omzetgroei, bij 1,0 procent meer volume. Online groeide de omzet met 6,2 procent, waarbij pure webwinkels met 7,0 procent sneller gingen dan multichannelverkopers met 4,8 procent.


De conclusie is niet dat de Nederlandse consument ineens uitbundig is geworden. Het consumentenvertrouwen stond in september nog altijd op min 33 en de deelindicator voor grote aankopen op min 35. Wel laat augustus zien dat huishoudens ondanks die somberheid daadwerkelijk meer goederen kochten. Dat verschil tussen gevoel en gedrag is voor winkelaandelen relevanter dan een losse vertrouwensmeting.



Wat de cijfers werkelijk zeggen

Het CBS meldt voor augustus een kalendergecorrigeerde omzetgroei van 3,5 procent en een volumegroei van 2,7 procent. Zonder kalendercorrectie was de omzetgroei 2,5 procent. Die correctie is belangrijk omdat het aantal koopdagen en de verdeling van weekenden per maand verschillen. Voor een vergelijking met augustus vorig jaar is de gecorrigeerde reeks daarom het bruikbaarst.


Omzet is prijs maal hoeveelheid. Als omzet 3,5 procent stijgt en volume 2,7 procent, is het resterende prijs- en mixeffect niet simpelweg 0,8 procentpunt. De preciezere berekening luidt 1,035 gedeeld door 1,027, min 1. Dat geeft 0,78 procent. Door afronding in de broncijfers blijft dit een benadering, maar de verhouding is helder: grofweg vier vijfde van de omzetgroei hangt samen met meer verkocht volume.


Dat is gunstiger voor de economische activiteit dan omzetgroei die volledig uit prijsstijgingen komt. Meer verkochte stuks vragen doorgaans om extra inkoop, logistiek en soms personeel. Daar staat tegenover dat volume alleen niet bepaalt hoeveel winst een winkelier maakt. Kortingen kunnen volume opstuwen en tegelijk de brutomarge drukken.



Waar de groei wel en niet zit

Binnen non-food liep de spreiding sterk uiteen. Winkels in meubels en woninginrichting zagen de omzet met 7,1 procent stijgen. Recreatieartikelen kwamen 5,9 procent hoger uit en kleding 2,5 procent. Doe-het-zelfzaken, keukenwinkels en vloerenverkopers groeiden 1,9 procent, drogisterijen 0,9 procent en elektronicawinkels 0,7 procent. Schoenen- en lederwarenwinkels noteerden juist 1,1 procent minder omzet.


Die verschillen zeggen iets over wie profiteert. Woon- en recreatiewinkels kregen in augustus de meeste rugwind, terwijl schoenenverkopers terrein verloren. Een breed retailfonds of een supermarktbedrijf vangt daardoor een ander effect dan een specialistische kledingketen. Voor aandeelhouders telt bovendien het marktaandeel: een onderneming kan sneller groeien dan de markt door concurrenten klanten af te pakken, zonder dat de totale consumptie veel aantrekt.


Online blijft een structurele winnaar. De omzetgroei van 6,2 procent lag boven de totale markt, maar binnen online deden pure webwinkels het beter dan bedrijven die winkels en webshops combineren. Dat kan schaalvoordelen geven aan grote platforms. Tegelijk betalen zij voor magazijnen, bezorging en retouren, waardoor snelle omzetgroei niet automatisch een even snelle winstgroei oplevert.


Lees ook: minder derving is voor Ahold Delhaize meer waard dan omzet. Dat artikel laat zien waarom operationele details soms zwaarder wegen dan de bovenste regel van de resultatenrekening.


De rekening voor huishoudens

Een landelijk groeipercentage is geen huishoudboekje, maar een rekenvoorbeeld maakt de orde van grootte zichtbaar. Stel dat een huishouden elke maand 800 euro uitgeeft aan goederen die onder de detailhandel vallen. Als die uitgaven precies met 3,5 procent stijgen, komt daar bruto 28 euro per maand bij, oftewel 336 euro per jaar.


Van die 28 euro hangt ongeveer 6,23 euro per maand samen met het afgeleide prijs- en mixeffect van 0,78 procent. De resterende 21,77 euro correspondeert in dit vereenvoudigde voorbeeld met meer gekocht volume. Netto blijft de rekening eveneens 28 euro hoger, omdat hier geen belastingteruggave of toeslag tegenover staat. Het onderscheid tussen bruto en netto is administratief nul, maar economisch wel relevant: het huishouden krijgt voor het grootste deel ook meer goederen.


De uitkomst verschilt sterk per groep. Gezinnen die relatief veel aan voeding uitgeven, zagen in deze cijfers nauwelijks omzetgroei en zelfs een licht negatief afgeleid prijs- en mixeffect. Huishoudens die meubels, recreatieartikelen of kleding kochten, zaten juist in categorieën met bovengemiddelde groei. Ook inkomen en vermogen tellen mee: wie weinig vrije ruimte heeft, stelt een aankoop gemakkelijker uit.



Wat winkeliers van extra omzet overhouden

Voor een winkelier is omzet pas het begin van de rekensom. Neem een fictieve winkel met 100.000 euro maandomzet die precies met de markt meegroeit. De extra bruto-omzet is dan 3.500 euro per maand. Bij een brutomarge van 35 procent resteert na inkoop 1.225 euro brutowinst. Als vervolgens 40 procent daarvan opgaat aan extra variabele kosten, zoals betalingen, verpakking, bezorging en verkoopuren, blijft 735 euro operationele bijdrage per maand over. Op jaarbasis is dat 8.820 euro, vóór vaste kosten, rente en belasting.


Dit voorbeeld maakt zichtbaar wie betaalt. Klanten betalen de hogere totale winkelrekening. Leveranciers, logistieke bedrijven en personeel ontvangen een deel via extra volume. De winkelier houdt alleen het restant na inkoop en variabele kosten. Een keten met veel vaste huur en weinig extra personeelskosten kan relatief sterk profiteren van volumegroei. Een bezorgmodel met hoge kosten per order ziet een groter deel van de extra omzet weer verdwijnen.


De sterkste redelijke tegenwerping is dat hogere volumes met kortingen kunnen zijn gekocht. Het CBS meet omzet en volume, maar niet de winstmarge van iedere branche. Als promoties de oorzaak zijn, kan 2,7 procent volumegroei samengaan met een zwakke winstontwikkeling. Bedrijfsrapportages over brutomarge, derving, retouren en loonkosten blijven daarom noodzakelijk voordat de landelijke winkeldata iets zeggen over één aandeel.


De omgekeerde economische vraag

De gebruikelijke vraag is hoeveel winst extra omzet oplevert. Voor de bedrijfsvoering is de omgekeerde vraag vaak nuttiger: hoeveel extra omzet is nodig om een kostenstijging op te vangen? Bij 1.000 euro hogere vaste kosten per maand en een brutomarge van 35 procent is 1.000 gedeeld door 0,35 gelijk aan 2.857 euro extra omzet. Pas boven dat niveau draagt de groei werkelijk bij aan de operationele winst.


Voor bedrijven met een brutomarge van 25 procent loopt dezelfde vereiste omzet op tot 4.000 euro. Bij 50 procent marge is 2.000 euro genoeg. Daardoor profiteren niet alle retailers evenveel van dezelfde marktgroei. Kosteninflatie, loonafspraken en huurindexatie kunnen de positieve volumegroei volledig opslokken, vooral bij lage marges.


Beleggers doen er dus goed aan omzetgroei te vergelijken met de kostenbasis van het bedrijf. Als de loonsom, huur en distributiekosten sneller groeien dan de brutowinst, wordt schaalvergroting een dure bezigheid. Het gunstige macrobeeld van augustus is dan echt, maar de winsthefboom ontbreekt.



Drie scenario's tot en met 2029

Vooruitkijken vraagt om expliciete aannames. We nemen de omzet in 2026 als index 100 en splitsen elke volgende stap in volumegroei en prijs- en mixeffect. In het basisscenario stijgt het volume jaarlijks 1,5 procent en prijs/mix eveneens 1,5 procent. De formule 100 maal 1,015 maal 1,015, drie jaar achter elkaar, brengt de omzetindex in 2029 op 109,3. Dat is geen voorspelling, maar een samenhangend rekenpad.


In het voorzichtige scenario blijft het volume gelijk en bedraagt prijs/mix 1,0 procent per jaar. De index komt dan in 2029 uit op 103,0. In het sterke scenario groeit het volume jaarlijks 2,5 procent en prijs/mix 2,0 procent. De samengestelde omzetgroei bedraagt dan ongeveer 4,55 procent per jaar en de index bereikt in 2029 circa 114,3.


De beperking zit vooral in de consument. Volgens het CBS stond het consumentenvertrouwen in september op min 33, ver onder het langjarige gemiddelde van min 12. De deelindicator voor het doen van grote aankopen stond op min 35. Tegelijk was de huishoudconsumptie in juli volgens het bredere conjunctuurbeeld reëel 1,2 procent hoger dan een jaar eerder en groeide de economie in het tweede kwartaal met 0,6 procent. De data wijzen dus op groei zonder uitbundigheid.


Het basisscenario wordt aannemelijker als meerdere maanden achter elkaar positieve volumegroei laten zien, vooral in grote-aankoopcategorieën. Het voorzichtige scenario krijgt meer gewicht wanneer volume stagneert en het vertrouwen verder verslechtert. Voor het sterke scenario is niet alleen koopbereidheid nodig, maar ook koopkrachtgroei die sneller is dan de prijzen en kostenbeheersing bij retailers.



Ons oordeel

De augustusdata zijn beter dan de kale omzetgroei van 3,5 procent doet vermoeden. De volumegroei van 2,7 procent laat zien dat huishoudens daadwerkelijk meer kochten, terwijl het afgeleide prijs- en mixeffect beperkt bleef. Dat ondersteunt retailers met schaal, gezonde marges en een sterke onlinepositie. Het is minder overtuigend voor bedrijven die volume alleen met kortingen binnenhalen of kampen met snel stijgende lonen en logistieke kosten.


Voor de economie is dit een positief maar nog smal signaal. Eén maand kan worden beïnvloed door weer, acties en timing van aankopen. Bovendien blijft het sentiment zwak en zijn de verschillen tussen branches groot. De juiste conclusie is daarom niet dat de consument losgaat, maar dat de consumptie veerkrachtiger is dan het vertrouwen suggereert.


Ons oordeel verandert als de komende drie maandmetingen gemiddeld geen volumegroei meer tonen, of als bedrijfsrapportages breed wijzen op dalende brutomarges ondanks hogere verkopen. Omgekeerd wordt het beeld sterker wanneer ook grote-aankoopcategorieën meerdere maanden groeien en retailers hun marge vasthouden. Tot dat bewijs er ligt, is augustus vooral een bruikbaar groen licht voor verdere controle, geen vrijbrief om elk winkelaandeel te kopen.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page