Er kruipt een addertje door de VanEck Quantum Computing ETF en het heet commercialisering
In het kort
De VanEck Quantum Computing UCITS ETF A USD Accumulating heeft ISIN IE0007Y8Y157. We rekenen hier met de Xetra-lijn QUTM in euro. De shareclass heeft USD als basisvaluta en noteert elders ook onder QNTM. VanEck meldde per 24 september een intrinsieke waarde van $29,82, ongeveer $913 miljoen vermogen en een kostenratio van 0,55%. De eurokoers lag rond de peildatum op €26,35.
De ETF geeft toegang tot ondernemingen die betrokken zijn bij quantumcomputing, maar dat betekent niet dat alle huidige omzet uit quantumtechnologie komt. De index gebruikt onder meer patenten en technologische betrokkenheid om bedrijven te selecteren. Dat is nuttig in een jonge sector waarin omzet nog klein is. Het risico is dat een patent, proefproject of onderzoeksteam nog geen winstgevend product vormt.
De belegging draait daarom om commercialisering. Hoeveel projecten bereiken klanten, hoeveel omzet is terugkerend en welke marge blijft over nadat onderzoek en hardware zijn betaald? De ETF spreidt het risico over meerdere bedrijven, maar kan de economische sprong van laboratorium naar klant niet overslaan.
Een patent is een begin, geen kasstroom
Intellectueel eigendom kan waardevol zijn. Een sterk patent beschermt techniek, trekt partners en kan licentie-inkomsten opleveren. Toch zijn veel patenten nooit commercieel succesvol. Bij quantumcomputing is die onzekerheid extra groot, omdat hardware, foutcorrectie, koeling, software en toepassingsontwikkeling tegelijk vooruit moeten.
Voor beleggers is het verleidelijk om ieder technisch nieuwsbericht als bewijs van een enorme markt te lezen. Een nieuwe qubitarchitectuur of een demonstratie bij een klant kan belangrijk zijn, maar zegt weinig over prijs, volume en brutomarge. De marktwaarde van vroege bedrijven kan daardoor sneller stijgen dan hun omzetbasis.
De eerste module begint met een kleine omzetbasis en laat groei en eindmarge variëren. Bij €6 miljard gezamenlijke blootstelling, 35% groei gedurende drie jaar en 12% marge ontstaat ongeveer €1,77 miljard modelresultaat. Dat is geen fondsprognose. Het maakt zichtbaar hoeveel groei nodig is voordat onderzoek een betekenisvolle winstbijdrage levert.
Een negatieve marge blijft in de module negatief. Dat is belangrijk bij een jonge sector. Omzetgroei bewijst nog geen winstgevendheid wanneer verkoopkosten, onderzoek en productie harder groeien. Een onderneming kan technisch vooroplopen en toch meerdere financieringsrondes nodig hebben.
De meeste projecten halen de markt niet
Quantumcomputing kent verschillende technieken. Supergeleidende systemen, trapped ions, neutral atoms, photonics en quantum annealing hebben elk voor- en nadelen. Daarnaast zijn er bedrijven die vooral software, beveiliging of componenten leveren. De ETF hoeft daarom niet op één architectuur te gokken.
Spreiding over technieken verlaagt het risico dat één technisch pad mislukt. Ze verandert niet de basisverdeling van innovatie: veel projecten leveren weinig op en een klein aantal winnaars kan het grootste deel van de waarde creëren. Dat lijkt meer op een portefeuille van opties dan op een verzameling volwassen softwarebedrijven.
De projectmodule maakt die asymmetrie zichtbaar. Je kiest het aantal projecten, de kans op succes, de waarde van een succes en de kosten van mislukkingen. Bij veertig projecten en 25% kans op succes zijn tien winnaars nodig om de rest te dragen. Wanneer de succeswaarde daalt of de kosten stijgen, verdwijnt het verwachte voordeel snel.
Het sterke tegenargument is dat de ETF niet alleen verlieslatende pure plays bezit. Grote technologie- en industriebedrijven hebben winstgevende activiteiten buiten quantum. Zij kunnen onderzoek langer financieren en de technologie in bestaande klantrelaties opnemen. Dat verlaagt het financieringsrisico, maar verdunt ook de zuiverheid van de quantumbelegging. Een stijging van zo'n aandeel kan uit cloud, chips of industriële automatisering komen in plaats van quantumomzet.
Een winnaar kan ongemerkt het risico vergroten
Thematische ETF's worden vaak als breed gezien omdat ze tientallen posities bevatten. Toch kan een snel stijgende pure play tussen herwegingen zwaar gaan wegen. Dan wordt de portefeuille gevoeliger voor één aandeel, precies omdat dat aandeel eerder zo goed presteerde.
Bij een startgewicht van 5% en een koersverdubbeling groeit het nieuwe gewicht duidelijk, zelfs wanneer de rest ook stijgt. De volgende indexherweging kan dat gewicht terugbrengen. Dat helpt het concentratierisico te beheersen, maar betekent ook dat winnaars worden verkocht en achterblijvers worden bijgekocht. Of dat gunstig is, hangt af van de indexregels en de verdere ontwikkeling van de bedrijven.
VanEck rekent 0,55% per jaar. Dat is hoger dan bij een brede wereld-ETF, maar niet uitzonderlijk voor een nicheproduct. De kosten zijn zeker, terwijl het thematische extra rendement onzeker is. Over tien jaar telt dat verschil op. De belegger moet dus geloven dat de indexmethode voldoende waarde toevoegt om de hogere kosten, handelsfrictie en eventuele mindere spreiding te compenseren.
Valuta en handelslijn blijven relevant
De Xetra-lijn noteert in euro, maar de shareclass en veel onderliggende bedrijven hebben een dollarcomponent. Een eurokoers neemt dat economische valutarisico niet weg. Bij een zwakkere dollar kan de eurobelegger een deel van een positief aandelenrendement verliezen. Omgekeerd kan een sterkere dollar helpen.
De beurslijn moet bovendien niet met een aandeel met dezelfde ticker worden verward. ISIN IE0007Y8Y157 is de veiligste identiteit. Op Londen en Milaan komt QNTM voor, terwijl Xetra QUTM gebruikt. Voor kosten, fondsvermogen en intrinsieke waarde moet daarom altijd de exacte shareclass worden gecontroleerd.
Liquiditeit verdient eveneens aandacht. De beursomzet in één lijn is niet hetzelfde als de liquiditeit van de onderliggende portefeuille. Market makers kunnen stukken creëren of intrekken, maar in onrustige markten kan de bied-laatspread oplopen. Een limietorder is bij een niche-ETF vaak verstandiger dan een marktorder.
Ook de indexregels verdienen een plaats in de afweging. Een bedrijf kan in de ETF komen doordat het voldoende relevante patenten bezit, terwijl quantum nog maar een klein deel van de omzet vormt. Dat helpt om gevestigde ondernemingen vroeg te herkennen, maar het kan de thematische blootstelling minder direct maken. Andersom kan een jonge pure play snel aan belang winnen door een hoge beurswaarde, nog voordat een stabiele winstbasis bestaat. De methodiek spreidt dus techniek en ondernemingen, maar selecteert niet automatisch de goedkoopste of meest winstgevende combinatie.
Wat moet €26,35 waarmaken?
Een thematische ETF heeft geen eigen omzet of nettowinst zoals een onderneming. De waardering moet worden bekeken via de onderliggende portefeuille. In de reverse module gebruiken we een portefeuille-P/E van 20,1 als startpunt. Dat cijfer is vooral bruikbaar voor winstgevende holdings en zegt weinig over verlieslatende pure plays.
Bij 10% gewenst jaarlijks koersrendement en een eind-P/E van 19 moet de impliciete winst per ETF-aandeel stevig groeien. De module laat het groeipercentage zien. Een hogere eindmultiple verlaagt de benodigde winstgroei, maar maakt de uitkomst afhankelijker van marktsentiment. Een lagere multiple vraagt meer echte winst.
Verlieslatende ondernemingen worden niet alsof ze winstgevend zijn in de P/E gestopt. Hun waarde zit indirect in toekomstige omzet, kasreserves, financieringsbehoefte en de kans dat zij ooit positieve marges bereiken. Dat maakt een simpele gemiddelde P/E onvolledig. Het is wel een bruikbare ankerwaarde voor het winstgevende deel van de portefeuille.
Drie koerspaden voor 2027, 2028 en 2029
Het bearscenario gebruikt impliciete winst van €1,15, €1,18 en €1,22 bij P/E's van 17, 16 en 15. Het middenscenario gaat van €1,35 via €1,55 naar €1,80 bij 20, 20 en 19. Het gunstige scenario gebruikt €1,55, €2,05 en €2,70 bij 23, 24 en 24.
De tabel geeft mogelijke eurokoersen. Het koersrendement en het totaalrendement liggen bij deze accumulating ETF dicht bij elkaar omdat dividend in het fonds blijft, maar kosten en valuta kunnen het verschil bepalen. De uitkomsten zijn scenario's, geen koersdoelen.
Het grote verschil tussen de scenario's komt niet alleen uit groei. De multiple beweegt mee. Dat is realistisch voor een thema waarin verwachtingen snel veranderen. Een doorbraak kan waarderingen oprekken voordat winst zichtbaar is. Uitstel of teleurstelling kan tegelijk de winstverwachting en de multiple drukken.
Conclusie
QUTM biedt een praktische manier om meerdere quantumtechnieken en leveranciers in één UCITS-ETF te bezitten. Dat vermindert het risico van één verkeerde technologieweddenschap. Het neemt het commercialiseringsrisico niet weg.
Bij €26,35 betaalt de belegger voor een sector waarin een groot deel van de waarde nog moet worden bewezen. De belangrijkste signalen zijn terugkerende omzet, betaalde klantcontracten, brutomarge, kasverbruik en de mate waarin pure plays zonder grote verwatering kunnen groeien. Patenten en demonstraties zijn nuttig, maar de beurswaarde wordt uiteindelijk gedragen door kasstromen per ETF-aandeel.
Foto: DAS INVESTMENT-archief.


































































































































Opmerkingen